Conclusie
Watapana N.V.
[verzoeker 2]
Maduro & Curiel's Bank N.V.
Watapana c.s. respectievelijk
MCB c.s.en individueel als
Watapanaen
[verzoeker 2]respectievelijk
MCBen
CTT.
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Claytonville). [verzoeker 2] is eveneens de UBO van Claytonville.
[betrokkene 1]), bij MCB de accountmanager voor de vennootschappen van [verzoeker 2] , had toen meermaals overleg plaatsgevonden over het tekort op de rekening.
gerecht). Zij hebben een verklaring voor recht gevorderd dat MCB en CTT hoofdelijk aansprakelijk zijn voor door hen geleden schade en betaling gevorderd van NAf 7.821.922,-. Volgens Watapana c.s. heeft de overboeking van US$ 139.000,- vanaf de rekening van Claytonville naar die van Watapana plaatsgevonden op instructie van [betrokkene 1] , die daartoe – zonder opdracht van [verzoeker 2] – niet bevoegd was. Dit bedrag was bestemd om te worden aangewend voor verschillende vastgoedprojecten van Watapana c.s., die zij als gevolg van deze overmaking hebben moeten staken. Ook heeft MCB ten onrechte geweigerd de US$ 139.000,- terug te storten aan Claytonville.
vorderingen tegen MCBoverwogen dat, in het licht van de onder ede afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] (vgl. hiervoor, 2.6), het betoog van Watapana c.s. dat [betrokkene 1] misbruik heeft gemaakt van zijn kennis en onbevoegdelijk een “opdracht” heeft gegeven aan CTT om US$ 139.000,- over te maken, niet kan worden gevolgd. Het gerecht stelt voorop dat bij de voorlopige enquête in 2016 slechts één andere getuige is gehoord, [betrokkene 2] (legal assistant bij CTT), en dat haar verklaring de door [betrokkene 1] geschetste feitelijke gang van zaken niet in een ander daglicht plaatst. Mede gelet op het feit dat Watapana c.s. in het kader van de onderhavige procedure geen ter zake dienende feiten hebben gesteld die tot een andere conclusie nopen, bestaat er volgens het gerecht geen aanleiding om aan de feitelijke juistheid van de verklaring van [betrokkene 1] te twijfelen (rov. 4.4). Hieruit concludeert het gerecht dat tussen MCB en Watapana daadwerkelijk de afspraak was gemaakt dat het bedrag van US$ 139.000,- op een bankrekening in Amerika zou worden aangewend om het tekort op de rekening van Watapana aan te zuiveren. In elk geval heeft MCB de verklaringen van [verzoeker 2] in die zin mogen begrijpen (rov. 4.5). Het gerecht ziet niet in op welk punt MCB (of [betrokkene 1] ) onrechtmatig jegens Watapana c.s. heeft gehandeld. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 1] contact heeft opgenomen met Claytonville is daarvoor onvoldoende, zelfs als aangenomen moet worden dat [betrokkene 1] dit strikt genomen via [verzoeker 2] had moeten laten lopen. Het was een logisch uitvloeisel van de gemaakte afspraken dat de bestuurder van Claytonville werd geïnformeerd omtrent de bestemming van de ontvangen US$ 139.000,-. Het gerecht overweegt dat, zoals blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1] , MCB bekend was met de rol van Claytonville als doorgeefluik voor internationale betalingen ten behoeve van Watapana. Het stond [betrokkene 1] in de gegeven omstandigheden vrij om contact op te nemen met de bestuurder van Claytonville (CTT) en daarbij te wijzen op de tussen MCB en Watapana gemaakte afspraak. Het was volgens het gerecht dan aan CTT om al dan niet [verzoeker 2] te raadplegen; MCB staat daar buiten (rov. 4.5).
alle regels met betrekking tot de zorgplicht, bankwezen, privacy en trust” is, voor zover zij iets anders hebben bedoeld dan al is beoordeeld, onvoldoende uitgewerkt. Het gerecht concludeert dat van onrechtmatig handelen van MCB jegens Watapana c.s. geen sprake is (rov. 4.6-4.8).
vorderingen jegens CTTstelt het gerecht voorop dat sprake kan zijn van toerekening van de schijn van volmachtverlening aan [verzoeker 2] als CTT gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan [betrokkene 1] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van [verzoeker 2] komen, en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Dit risicobeginsel gaat echter niet zo ver dat voor toepassing daarvan ook ruimte is in gevallen waarin het tegenover CTT gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van [betrokkene 1] als onbevoegd handelende persoon (rov. 4.12).
hof). Zij hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en voor recht zal verklaren, uitvoerbaar bij voorraad, dat MCB en CTT hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Watapana c.s. geleden vermogensschade van, na vermindering van eis, NAf 2.085.000 of een ander te bepalen bedrag, althans zal toewijzen dat de schade bij schadestaat wordt opgemaakt en vereffend volgens de wet.
vorderingen jegens CTToordeelt het hof als volgt:
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
Onderdeel 1gaat over de vraag of [verzoeker 2] als partijgetuige had moeten worden gehoord.
Onderdeel 2ziet op de vraag of [betrokkene 1] bevoegd was om namens [verzoeker 2] CTT op te dragen het bedrag van US$ 139.000,- over te maken.
Onderdeel 3gaat over de vraag of het onrechtmatig van MCB was dat zij het geld heeft aangewend om het tekort op de rekening van Watapana aan te zuiveren.
Onderdeel 4klaagt dat MCB er niet op mocht vertrouwen dat de fondsen bestemd waren voor aanzuivering van de debetstand.
Onderdeel 5bevat een voortbouwklacht.
nr. 2);
nr. 3);
nr. 4);
nr. 5);
nr. 6); en
equality of armswerd gerespecteerd (
nrs. 7-9).
nietovergenomen. Het beroep van Watapana c.s. op het concordantiebeginsel, dat is neergelegd in art. 39 Statuut Pro voor het Koninkrijk der Nederlanden, [9] kan reeds daarom niet slagen. Op grond van genoemde bepaling wordt onder meer het burgerlijk (proces)recht in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten “zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld”. Wanneer in een van de landen regelingen uitdrukkelijk uiteenlopen, is er voor toepassing van het concordantiebeginsel in beginsel geen ruimte. Uiteenlopende regelingen kunnen immers niet op overeenkomstige wijze worden uitgelegd. [10] Mij ontgaat overigens het belang van Watapana c.s. om zich op de Nederlandse regeling van de partijgetuige te beroepen, nu deze regeling wegens de beperking van de bewijskracht restrictiever is dan de Antilliaanse (en thans voor Curaçao geldende) regeling. [11]
bevoegdom [verzoeker 2] als partijgetuige te horen, maar was anders dan Watapana c.s. betogen daartoe
niet verplicht. Het hof is vrij in zijn afweging een bewijsaanbod te honoreren. Een bewijsaanbod zal in ieder geval ter zake dienend en voldoende specifiek moeten zijn. [12] In dit geval kwam het er vooral op aan of [verzoeker 2] meer of anders kon verklaren dan hij al gedaan heeft als partij tijdens de zitting op 17 december 2019. Het hof heeft die vraag in rov. 4.16 van het bestreden vonnis kennelijk ontkennend beantwoord. Het hof is in rov. 4.3-4.10 (expliciet) ingegaan op de door [verzoeker 2] gegeven antwoorden op hem gestelde vragen in het licht van de getuigenverklaring van [betrokkene 1] en de inhoud van het procesdossier. Het hof heeft aldus rekening gehouden met hetgeen [verzoeker 2] ter zitting heeft verklaard en was vrij in zijn weging van die verklaringen.
als getuigehad verhoord. Dat is niet het geval.
als partijgetuigegehoord, en overigens ook niet door het hof in deze procedure. [14] Het hof heeft met het gebruik van de getuigenverklaring van [betrokkene 1] enerzijds en het afwijzen van het aanbod om [verzoeker 2] , partij in de zaak, als getuige te verhoren geen inbreuk gemaakt op het beginsel van equality of arms. Het oordeel van het hof is evenmin onbegrijpelijk.
nrs. 10-11dat het hof ten onrechte niet heeft bewerkstelligd dat de bewijslevering door [betrokkene 1] plaatsvond ten overstaan van de rechters die over deze zaak hebben beslist.
voorlopig getuigenverhoorheeft afgenomen, deel zou
moetenuitmaken van de combinatie die in een nadien aanhangig gemaakte zaak einduitspraak doet. Dit klemt des te meer voor de uitspraak in hoger beroep, waar de klacht tegen gericht is. De rechter die in dit geval de voorlopige enquête had gedaan is verbonden aan het gerecht en niet aan het hof.
nrs. 14-19tegen rov. 4.2, 4.14 en 4.15 van het bestreden vonnis. Daar zou het hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd hebben geoordeeld dat [betrokkene 1] een volmacht had om CTT tot betaling te instrueren. Het hof heeft volgens het onderdeel niet vastgesteld of aan een UBO de bevoegdheid toekomt om Watapana en CTT juridisch te vertegenwoordigen. Het onderdeel verwijst naar Nederlandse en Europese anti-witwasregelgeving (art. 10a Wwft en art. 3 lid 6 van Pro de Vierde anti-witwasrichtlijn). In
nrs. 20-21betoogt het onderdeel voorts dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat CTT er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat [betrokkene 1] bevoegd was om de overmakingsopdracht namens [verzoeker 2] te geven.
nrs. 23-27in op de door het hof gegeven waardering van de in de voorlopige enquête afgelegde getuigenverklaringen. Het onderdeel voert aan dat uit de verklaring van [betrokkene 1] niet kan volgen dat deze bevoegd was om CTT opdracht te geven om de US$ 139.000,- over te maken naar Watapana en voorts dat de door [betrokkene 2] afgelegde verklaring haaks staat op de verklaring van [betrokkene 1] . Laatstgenoemde heeft verklaard bevoegd te zijn telefonisch de opdracht te geven tot de overmaking.
nr. 24) dat CTT telefonische opdrachten tot banktransacties niet toestaat. De vraag of [betrokkene 1] beschikte over een schriftelijke volmacht of anderszins een schriftelijke verklaring van [verzoeker 2] om voor CTT de betaling uit te voeren is een andere vraag, waarover [betrokkene 2] niet heeft verklaard.
overmakingtussen twee bij de MCB gehouden bankrekeningen een witwasrisico zou vormen. Dat zou echter betekenen dat geld onder controle van [verzoeker 2] zou worden witgewassen. Het is opmerkelijk te noemen dat Watapana c.s. zich daar nu op beroepen. Hoe dan ook valt niet in te zien dat het hof een striktere maatstaf had moeten hanteren bij het beoordelen van de vraag of [betrokkene 1] bevoegd was om CTT te instrueren het geldbedrag over te maken. Het middel maakt ook niet duidelijk wat de juiste maatstaf dan wel zou zijn.