Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
De gevolgen van de overeenkomst kunnen, nu een derde eigenaar is geworden van de bedoelde panden, immers bezwaarlijk ongedaan gemaakt worden’, aldus het hof in het arrest. Bij eindarrest van 25 april 2017 heeft het hof [C] veroordeeld een bedrag van € 55.000,- aan [eiser 1] en [A] te betalen, nu [C] door deze gang van zaken onbillijk werd bevoordeeld als bedoeld in art. 3:53 lid 2 BW Pro. Genoemd bedrag betreft het verschil tussen de door [betrokkene 1] voor de appartementsrechten betaalde koopsom en de werkelijke waarde daarvan per 1 januari 2004. Het bedrag is berekend door een door het hof benoemde deskundige.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 en 2richten zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.7 dat [eiser 1] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [betrokkene 1] , als hij in het hoger beroep zou zijn betrokken, geen beroep op artikel 3:53 lid 2 BW Pro zou hebben gedaan, dan wel dat dit beroep, als het wel zou zijn gedaan, tardief zou zijn geweest.
Onderdeel 3bevat een voortbouwende klacht en een subsidiaire klacht, die achtereenvolgens betrekking hebben op de slotzin van rov. 3.8 en op rov. 3.9.
onder 1het volgende aan. Vaststaat dat de advocaat van [betrokkenen] destijds in de procedure in de memorie van antwoord juist geen beroep heeft gedaan op genoemde bepaling, maar pas later bij akte na comparitie. [betrokkene 1] procedeerde in eerste aanleg met dezelfde advocaat als [C] en er werd steeds samen een akte of conclusie genomen, zodat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom die advocaat, in de hypothetische situatie zonder de fout, namens [betrokkene 1] in de memorie van antwoord (opeens) wel een beroep zou hebben gedaan op art. 3:53 lid 2 BW Pro. Dat de maatschap erop heeft gewezen dat [betrokkenen] in de memorie van antwoord feitelijk is ingegaan op de exploitatie van de appartementsrechten en het feit dat de appartementsrechten zijn verhuurd aan derden is onvoldoende redengevend, nu dat verzoek in de feitelijke situatie door [C] in de memorie van antwoord niet is gedaan. Dat klemt temeer, nu in die memorie wel wordt ingegaan op de toepassing van art. 3:53 lid 2 BW Pro met betrekking tot enkele andere panden. Daarnaast is, aldus het onderdeel
onder 2, de motivering van het hof onbegrijpelijk omdat het hof verwijst naar de comparitie die in de hypothetische situatie zou zijn gehouden tussen de dan betrokken partijen. Volgens het hof is “in dat licht” aannemelijk dat bij het eerste processtuk in appel namens [betrokkene 1] een beroep zou zijn gedaan op art. 3:53 lid 2 BW Pro. Dat is onbegrijpelijk omdat deze comparitie plaatsvond na uitwisseling van de memories en na vernietiging van de overeenkomst in het tussenarrest van 26 november 2013.
eerste klachtonder 5 heeft het hof de tweeconclusieregel miskend, die meebrengt dat [betrokkene 1] bij memorie van antwoord reeds een beroep op dat artikel had moeten doen. De
tweede klachtonder 5 houdt in dat het hof heeft miskend dat het hof in zijn tussenarrest in de daadwerkelijk gevoerde procedure heeft overwogen dat de comparitie is gehouden nu [betrokkene 1] niet meer tot teruglevering kon worden veroordeeld, maar wel directeur was van [C] , zodat wellicht een regeling mogelijk was. Het hof heeft hierdoor in het bestreden arrest onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de situatie zoals deze was en de hypothetische situatie zonder beroepsfout, waarbij teruglevering door [betrokkene 1] nog wel mogelijk was, maar hij bij memorie van antwoord (tijdig) een gemotiveerd beroep op art. 3:53 lid 2 BW Pro had moeten doen, aldus de klacht.
‘Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name’ (enz.). [19] Zo wordt in Asser Hoger beroep bepleit ook een uitzondering te maken voor het geval sprake is van (i) een rechterlijke fout en (ii) een aan wederpartij toe te rekenen verkeerde voorstelling van zaken. In Asser Hoger beroep wordt mijns inziens terecht erop gewezen dat het de goede procesorde is op grond waarvan uitzonderingen kunnen worden gemaakt op de tweeconclusieregel, welke regel zelf ook is te zien als een uitwerking van de goede procesorde. [20]
“het feit dat het hof in hoger beroep – volstrekt anders dan de rechtbank – de koopovereenkomsten vernietigbaar achtte terwijl een vernietiging in beginsel terugwerkende kracht heeft”. Deze eerdere overwegingen van het hof worden in cassatie niet bestreden en moeten dus uitgangspunt zijn. Het hof heeft hierna aan het slot van rov. 3.7 geoordeeld dat [eiser 1] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de appelrechter een bij akte na comparitie gedaan beroep op art. 3:53 lid 2 BW Pro als tardief zou hebben moeten passeren, omdat die beslissing “
niet goed te rijmen zou zijn met het procesverloop in die procedure, de concentratie van het debat en het feit dat een comparitie was gelast om met partijen over de rechtsgevolgen van de vernietigbare overeenkomsten van 30 januari 2004 te overleggen”.
dat het hof in hoger beroep – volstrekt anders dan de rechtbank – de koopovereenkomsten vernietigbaar achtte’het oog heeft gehad op het door de maatschap gevoerde verweer dat dit oordeel van het Haagse hof tot aan diens eerste tussenarrest onwaarschijnlijk leek. [24] De door het hof gebezigde woorden ‘
volstrekt anders’duiden er immers op dat dit oordeel niet helemaal overeenkomstig de verwachting was. In dit licht is ook duidelijk waarom het hof bij zijn oordeel verwijst naar de grond voor het gelasten van de comparitie (‘om met partijen over de rechtsgevolgen van de vernietigbare overeenkomsten van 30 januari 2004 te overleggen’): partijen waren in de stukken onvoldoende ingegaan op de gevolgen van de eventuele vernietiging van de overeenkomsten. [25]
onder 7voort op de voorgaande klachten en moet in zoverre het lot daarvan delen.