Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”en
“opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf van 220 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 110 dagen hechtenis, een en ander onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Ook heeft het hof ten aanzien van een aantal voorwerpen de onttrekking aan het verkeer bevolen.
eerste middelkeert zich met een aantal motiveringsklachten tegen het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen van een boot (Fairline Targa 38) en een caravan (merk Fendt).
niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
) in Amsterdam te gaan. Op 26 september 2014 heeft verdachte met [betrokkene 1] gebeld die haar vroeg wanneer zij de nieuwe boot zou ontvangen. Verdachte gaf aan dat de boot nog moest worden overgeschreven en dat deze ongeveer € 150.000,- waard is. Dezelfde dag heeft verdachte met [betrokkene 2] gebeld. In dit gesprek heeft verdachte aangegeven dat ze de boot gezamenlijk met [getuige 2] heeft gekocht voor ‘50’ en zij beiden de helft hebben betaald. De boot is ‘ongeveer 110’ waard. Op 9 oktober 2014 heeft verdachte gebeld met een medewerker van [A] waarbij zij heeft geïnformeerd naar de overschrijving van de Fairline. Verdachte gaf aan dat zij met haar vriend bij hen is langs geweest om de Fairline over te schrijven maar hiervan geen bericht meer heeft ontvangen. Sinds 17 oktober 2014 staat de Fairline op naam van verdachte en op 30 oktober 2014 is € 25.000,- van haar bankrekening afgeschreven. De verdachte heeft op 17 januari 2015 tegenover [betrokkene 2] in een telefoongesprek aangegeven dat [getuige 2] langs hun nieuwe boot (‘onze boot’) is geweest.
Verder wordt gezegd dat er een deal is gesloten waarbij een huis en boot gekocht zijn. Daarnaast wordt over de inbeslagname van een huis gepraat dat toebehoort aan [getuige 2] .
Daarop zegt verdachte tegen [betrokkene 2] :“Wat een eikel dat hij het daar met jou over heeft gehad.”
(...)Er waren lui tekort.”
[getuige 1] heeft op deze dag aan [getuige 2] gevraagd waar hij bleef, waarop [getuige 2] zegt dat hij zich heeft verslapen. Uit camerabeelden bij de [a-straat] ( [getuige 1] ) blijkt dat [getuige 2] op 27 september 2014 om 06:43 uur bij [getuige 1] wegrijdt in een Mercedes-bus met 6 NN-vrouwen en een NN-man. Uit de verklaring van [betrokkene 4] leidt het hof af dat [getuige 2] op 27 en 28 september 2014 knippers heeft vervoerd/gebracht naar de locatie van de hennepkwekerij in [plaats] .
dat zij het geld heeft besteld en dat zij het die maandag daarop kan ophalen bij de bank in Maarssen.”
duidt niet op kleinschalig onderhoud van een tiental hennepplanten van een kennis van [getuige 2] die verzorgd moesten worden. Voorts acht het hof de verklaring van verdachte niet aannemelijk die is gegeven ten aanzien van de uitlatingen tijdens de telefoongesprekken van 2 januari 2015 en 17 januari 2015 over het geven van water. Volgens verdachte duidt dit op de situatie dat [getuige 2] terug naar zijn eigen woning ging na een ruzie en dan huishoudelijke taken verrichtte. De opmerking van verdachte dat zij dit niet over de telefoon mag zeggen valt in dit licht niet te begrijpen.
onze boot” (bewijsmiddel 8), is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en – met de verwijzing naar de bewijsmiddelen – ook afdoende gemotiveerd.
wistdat haar partner [getuige 2] en [getuige 1] in de hennepteelt actief waren op het moment dat zij (i) samen met [getuige 2] de boot aankocht en op haar naam liet zetten en (ii) de caravan door [getuige 1] in haar naam liet aankopen, op haar naam liet zetten en weer in haar naam liet verkopen. Zowel het secundaire verweer betreffende de boot als het verweer betreffende de caravan ziet op deze vraag en behelst in de kern steeds hetzelfde: de verdachte wist op het moment van haar (verhullende) handelingen niet dat (het geld voor) de boot en de caravan van misdrijf afkomstig was.
in samenhang beschouwd, [5] komt immers het beeld naar voren van een verdachte die zich wel degelijk bewust was van niet alleen het gegeven dat [getuige 1] hennep teelde, maar ook van het feit dat haar partner [getuige 2] in dat verband werkzaamheden voor [getuige 1] uitvoerde, te weten (in haar eigen woorden) “
[betrokkene 2] is knippen” en “
water aan het geven”.
in de shit zat” en dat hij “
zo een wietplantage kan beginnen” tot twee maal toe met de opmerking
“dat zou […] leuk vinden”. Op de opmerking [betrokkene 2] dat “
ze[ [getuige 1] en [getuige 2] ]
wel een beetje fout zijn” zegt zij tot slot dat [getuige 1] een “
eikel” is omdat hij – zo begrijp ik – met [betrokkene 2] heeft gesproken over hulp bieden door middel van het telen van hennep. In weerwil van wat het middel wil, zie ik niet in op welke wijze deze reacties van de verdachte door het hof verkeerd zijn uitgelegd, dan wel gedenatureerd; van een verbaasde en verontwaardigde reactie bij de verdachte op het verhaal van haar gesprekspartner is mijns inziens hier geen enkele sprake. Dat het hof aan dit gesprek de conclusie heeft verbonden dat de verdachte in ieder geval sinds 15 september 2014 op de hoogte was van het feit dat [getuige 1] zich bezig hield met hennepteelt, vind ik dan ook niet onbegrijpelijk.
“ [verdachte] erbij, de onder- en de bovenwereld bij elkaar”voor haar doelde op twee verschillende sociale groepen (kampers en niet-kampers). [6] In hoger beroep heeft zij over het filmpje evenwel verklaard dat “
het filmpje is opgenomen met lol en een drankje op”, dat zij “
niet eens heeft verstaan wat [betrokkene 5]in de telefoon ingesproken heeft”, en “
niet alles heeft gehoord wat er is gezegd”. [7] Het verweer in hoger beroep houdt op dit punt in dat het ging om een boottochtje op een roze boot, in een jolige sfeer met drank en muziek, dat een gesprek niet mogelijk was, dat er niet over criminele activiteiten is gesproken, dat de verdachte de opmerking over boven- en onderwereld niet heeft meegekregen en dat derhalve uit het filmpje geen enkele wetenschap kan worden afgeleid en het dus geen bewijswaarde heeft. [8] De steller van het middel borduurt voort op dit verweer en stelt (eveneens) dat de verdachte niets van de strekking van de video heeft meegekregen en klaagt dat het hof ontoereikend gemotiveerd is voorbijgegaan aan hetgeen de verdediging in dat verband heeft aangevoerd. [9] Ik meen dat de stelling dat de verdachte niets heeft meegekregen van de opmerkingen die in het filmpje worden gemaakt, mede in het licht van hetgeen de verdachte in eerste aanleg heeft verklaard, niet geloofwaardig is. [10] Dat het hof geen waarde heeft gehecht aan dit verweer en de video ten laste van verdachte heeft meegewogen in de bewijsvoering, is in mijn ogen dan ook geenszins onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
“ [betrokkene 2] is knippen”en
“er waren lui tekort”heeft de verdachte in hoger beroep verklaard dat, en ik citeer uit het proces-verbaal van het hof:
“hiermee alleen maar is bedoeld dat [betrokkene 2] heeft geknipt op het recreatie-eiland omdat op die locatie slechts enkele hennepplantjes stonden”. [11] Het verweer in hoger beroep is op dit punt eveneens ingestoken met het argument dat het zou gaan om een klein aantal hennepplanten van [betrokkene 6] , een vriend van [getuige 2] op het recreatie-eiland in [plaats] . Als verklaring voor de opmerking ‘dat er lui tekort waren’ houdt het verweer in dat de verdachte hier doelde op het onderhoud van de groenvoorziening op het eiland. De hierop betrekking hebbende klacht in het middel luidt dat de kern van het verweer in hoger beroep het groot groenonderhoud op het recreatie-eiland betrof en dat het hof in zijn aanvullende bewijsoverweging niet heeft gerespondeerd op deze kern van het verweer. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Het ‘groot groenonderhoud’ is door de verdediging slechts als verklaring gegeven in relatie tot de opmerking dat ‘er lui tekort waren’ en behelst dus geenszins de kern van het verweer. De verdediging heeft de twee opmerkingen van de verdachte van elkaar losgemaakt en voor elk een andere verklaring gegeven. Het ‘knippen’ zou hebben gezien op de enkele hennepplanten en ‘er waren lui tekort’ op het groot groenonderhoud. Het hof heeft kennelijk niet willen meegaan in die lezing van de verdediging en de opmerkingen juist in hun onderlinge samenhang uitgelegd: [betrokkene 2] moest knippen
wanter waren lui tekort. Deze interpretatie is geenszins onbegrijpelijk en volgt evident uit het bewijsmiddel zelf: de verdachte zegt dat [betrokkene 2] aan het knippen is, haar gesprekspartner reageert met een eenvoudig “
ok” en dan zegt de verdachte onmiddellijk daarna dat er lui tekort waren. Kortom, uit deze gang van zaken blijkt volgens mij wel degelijk dat de twee opmerkingen samenhangen en dat de opmerking
“er waren lui tekort”zag op, c.q. als verklaring diende voor het gegeven dat [betrokkene 2] aan het knippen was. Dat het hof hieruit heeft afgeleid dat de opmerking
“er waren lui tekort”niet duidt op het kleinschalig onderhoud van een tiental hennepplanten van een kennis van [getuige 2] op het recreatie-eiland, is dan ook niet onbegrijpelijk. [12]
“ [betrokkene 2] moest even water geven”op 2 januari 2015 en
“ [betrokkene 2] is even water geven (lacht)”op 17 januari 2015 als niet aannemelijk terzijde heeft geschoven. Dat is onder meer niet onbegrijpelijk vanwege de vervolgopmerking van de verdachte in het tweede gesprek van 17 januari 2015, te weten
“mag ik natuurlijk niet door de telefoon zeggen, maaru (lacht)”, en al helemaal niet in het licht van het overige bewijsmateriaal. De verklaring dat de opmerkingen zouden duiden op de situatie dat [getuige 2] terugging naar zijn eigen woning na een ruzie en dan huishoudelijke taken verrichtte, is mijns inziens wel erg vergezocht. De motivering die het hof hier heeft gegeven is in het licht van de overige bewijsmiddelen afdoende.
tweede middelklaagt over de motivering van het onder 3b bewezenverklaarde opzet op het gebruik van een vals of vervalst document.
geen koopovereenkomst [16] en/of een bewijs van overschrijving heeft ontvangen”, strookt derhalve niet met het verweer van de verdediging dat de koopovereenkomst voor de boot op of omstreeks 30 oktober 2014 reeds door [betrokkene 7] en de verdachte was getekend.
derde middelklaagt over de motivering van de strafoplegging.
“opzettelijke schending van een wettelijke geheimhoudingsplicht, meermalen gepleegd”, een overtreding van artikel 272 lid 1 Sr Pro. Dit vonnis is op 9 december 2016 onherroepelijk geworden.