Conclusie
1.Feiten
[functie 1]. [betrokkene 1] kende zowel [betrokkene 2] , bestuurder van Seatrade Groningen, als [betrokkene 3] ,
[functie 2]van Seatrade Groningen. Zij hadden in de zeventigerjaren alle drie voor dezelfde firma in Monaco gewerkt. [betrokkene 1] nam telefonisch contact op met [betrokkene 3] met de vraag of Seatrade geïnteresseerd was in een overeenkomst, een
Contract of Affreightment, met Fyffes.
comm 1 ¼% thru Cyprus – slushfund”
Je realiseert je toch dat er op het Fyffes contract 1.25%conficommissions zit.
telefonisch medegedeeld.”
editorial corrections”. De eis van Fyffes wordt zo omschreven:
The claimants allege that over a five year period from 1992 to 1996 their employee [betrokkene 1] , the first defendant, took bribes amounting to over US $1.4 million from or with the connivance of the second to seventh defendants. The essential issues are whether the allegation is true; and, if so, what loss the claimants have suffered and what remedies are available to them. The action against [betrokkene 1] was settled on terms that he would help the claimants in their action against the other defendants, and he gave evidence on the claimants’ behalf.”
Gebeurtenis
15.Uitsluitingen
16.Schade
2.Procesverloop
een materieel geschilpunt dat naar het voorshands oordeel van de rechtbank in de verhouding tussen de verzekerden en verzekeraars van doorslaggevende betekenis kan zijn” (rov. 4.4). Dit materiële geschilpunt betreft de vraag welke bewijskracht – dwingende of vrije – aan het Engelse vonnis toekomt.
beslissendebewijskracht toekomt aan het Engelse vonnis (rov. 2.2.). De rechtbank heeft deze stelling verworpen (rov. 2.13.).
barrister, A-G] zal de rechtbank er van uitgaan dat (ook) naar Engels recht de uitspraak van The High Court of Justice – daargelaten de formele status van die uitspraak gelet op de te zelfder tijd getroffen schikking tussen Seatrade en Fyffes – niet zonder meer meebrengt dat hetgeen in de zaak tussen Seatrade en Fyffes is geoordeeld over, samengevat, omkoping van [betrokkene 1] door functionarissen van Seatrade ook vaststaat in deze zaak tussen Seatrade en haar verzekeraars.”
eerste geïntimeerde, Amlin Insurance PLC, is volgens de Verzekeraars niet betrokken. De opvolger van Fortis Corporate Insurance N.V., die in eerste aanleg als opvolger van Interlloyd Schadeverzekering Maatschappij N.V. is gedagvaard, is volgens hen Amlin Insurance SE.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal cassatieberoep
de betaling door Seatrade aan Fyffeszou komen te vervallen. Onderdeel 2 is, ook hier mede gelet op het kopje, specifiek gericht tegen het oordeel van het hof dat daarmee de grondslag aan
de aanspraak van Seatrade op uitkering onder de verzekeringenzou komen te vervallen;
subonderdeel 1.1dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Volgens Seatrade hoeft niet te worden uitgegaan van het Engelse vonnis. Zou immers komen vast te staan dat feitelijke grondslag ontbreekt aan de aansprakelijkheid van Seatrade die in het Engelse vonnis is vastgesteld, dan kan Seatrade nog altijd juridisch aansprakelijk zijn jegens Fyffes en kan er nog altijd een juridische grondslag zijn voor de betaling door Seatrade aan Fyffes. [16] Ook als ervan moet worden uitgegaan dat géén sprake was van (wetenschap van) omkoping, dan blijft volgens Seatrade overeind staan dat zij in het Engelse vonnis (zij het onterecht) jegens Fyffes aansprakelijk is bevonden en als gevolg hiervan het schikkingsbedrag heeft betaald.
subonderdeel 1.2dat het oordeel van het hof in rov. 7.5 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van bepaalde stellingen van Seatrade. Deze stellingen houden in dat in het Engelse vonnis weliswaar is geoordeeld dat Seatrade aansprakelijk is jegens Fyffes en dat twee onderdelen van diens vordering mogelijk voor toewijzing in aanmerking komen op grond van onder meer de beweerde (wetenschap van) omkoping, maar dat de aansprakelijkheid van Seatrade pas is ontstaan met de onder dwang van het vonnis gesloten schikkingsovereenkomst, terwijl voorts naar Engels recht onvoldoende grond is om het Engelse vonnis of de schikkingsovereenkomst terug te draaien op grond van de feiten [17] die in de onderhavige procedure boven tafel zijn gekomen. Met andere woorden: wanneer ervan zou moeten worden uitgegaan dat geen sprake is van (wetenschap van) omkoping, dan is “
daarmee” de grondslag aan de betaling door Seatrade aan Fyffes nog niet vervallen. De schikking kan immers niet ongedaan worden gemaakt. Voor zover het hof deze stellingen niet heeft gepasseerd, maar heeft verworpen, heeft het hof dat zonder toereikende motivering gedaan.
nietwordt uitgegaan van de vaststelling in het Engelse vonnis dat Seatrade [betrokkene 1] heeft omgekocht dan wel wetenschap had van omkoping. Meer specifiek is het onderdeel gericht tegen de overweging van het hof dat het niet zo kan zijn dat voor de aansprakelijkheid en de grondslag van de betaling door Fyffes van het Engelse vonnis wordt uitgegaan, maar voor het antwoord op de vraag of de Verzekeraars moeten uitkeren, de mogelijkheid wordt geopend om aan te tonen dat er geen (wetenschap van) omkoping was.
subonderdeel 2.1dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Seatrade voert aan dat als de feitelijke grondslag zou ontvallen aan de aansprakelijkheid van Seatrade jegens Fyffes of aan de betaling die Seatrade aan Fyffes heeft gedaan, er nog steeds een grondslag kan zijn voor de aanspraken van Seatrade op uitkering onder de verzekeringen. In dit verband voert Seatrade aan dat de vraag of in een dergelijke situatie recht op uitkering bestaat, dient te worden beantwoord aan de hand van uitleg van de verzekeringsovereenkomsten. Volgens Seatrade verzetten noch de aard van de verzekeringsovereenkomsten, noch de eisen van redelijkheid en billijkheid zich ertegen dat een verzekerde recht op uitkering kan hebben ook als in een procedure tussen verzekerde en verzekeraar – welke procedure naar de aard der zaak niet afdoet aan de rechtsverhouding tussen de verzekerde en de beweerde gelaedeerde – blijkt dat de aansprakelijkstelling van de verzekerde door de beweerde gelaedeerde of een als gevolg van die aansprakelijkstelling gedane betaling, gebaseerd was op een onjuiste feitelijke grondslag. Wanneer de aansprakelijkstelling op een onjuiste feitelijke grondslag gebaseerd blijkt te zijn, betekent dit, anders gezegd, niet dat de verzekerde op grond van dat enkele feit van rechtswege geen aanspraak kan maken op uitkering voor een op basis van de onterechte aansprakelijkstelling geleden financieel nadeel.
aansprakelijkheid(rov. 7.2). Is van aansprakelijkheid van de verzekerde(n) geen sprake, dan hoeft de aansprakelijkheidsverzekeraar niet uit te keren. Toegespitst op de onderhavige zaak brengt dit mee dat, als niet kan worden uitgegaan van het Engelse vonnis, omdat Seatrade niet van de omkoping afwist of omdat van omkoping geen sprake was, aansprakelijkheid van Seatrade niet aan de orde is en de Verzekeraars (dus) niet zijn gehouden om uit te keren. Hierbij is van belang dat van een andere aansprakelijkheidsgrond, op grond waarvan Seatrade $ 10,7 miljoen aan Fyffes heeft betaald, niet gebleken is. Het hof heeft zich daar dus ook niet over hoeven uitlaten. Dit oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
[d]it geval, waarin de (wetenschap van) omkoping een essentieel onderdeel vormt van de vaststelling van de aansprakelijkheid van Seatrade jegens Fyffes, moet worden onderscheiden van het geval waarin een bepaald feit geen onderdeel van de aansprakelijkheidsgrond vormt, maar wel een eis is voor het al dan niet bestaan van dekking(…)”. Deze overwegingen kunnen volgens Seatrade niet anders worden begrepen dan dat het hof zijn oordeel niet heeft gebaseerd op uitleg van de verzekeringsovereenkomsten of de concrete rechtsverhouding van partijen. Onder (b) voert Seatrade aan dat het oordeel van het hof ook overigens onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Volgens Seatrade heeft het hof in rov. 7.2 op zichzelf juist vastgesteld dat de verzekeringen (in de woorden van artikel 14.1 van de polisvoorwaarden) het financieel nadeel van Seatrade dekken dat bestaat uit aan derden te verlenen vergoeding van vermogensschade of ander nadeel, waarvoor zij wordt aangesproken op grond van bepalingen van burgerlijk recht of op grond van de overeenkomsten, welke verband houden met haar in de polis omschreven activiteiten. Volgens Seatrade heeft het hof echter niet deugdelijk gerespondeerd op de gemotiveerde stellingen van Seatrade dat de schade die zij heeft geleden, is gedekt onder de verzekeringsovereenkomsten, waaronder de stelling dat sprake is van financieel nadeel in de zin van artikel 14.1 van de polisvoorwaarden en de stelling dat sprake is van dekking op grond van artikel 14.4. Seatrade zou daarbij hebben gesteld dat dit niet anders wordt door het feit dat zij kan aantonen dat geen sprake was van (wetenschap van) omkoping. Voor zover het hof deze stellingen niet heeft gepasseerd, maar heeft verworpen, heeft het hof dit volgens Seatrade zonder toereikende motivering gedaan.
subonderdeel 3.3voert Seatrade aan dat het oordeel van het hof in rov. 10.2., dat grief C van de Verzekeraars slaagt, ook overigens niet in stand kan blijven. Grief B van de Verzekeraars was gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Seatrade kon worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Indien het oordeel van het hof dat in deze procedure tegenbewijs niet mogelijk is (rov. 7.5), in stand blijft, zou begrijpelijk kunnen zijn waarom grief B naar het oordeel van het hof slaagt. Grief C bepleitte echter dat Seatrade niet in het tegenbewijs was
geslaagd, dat wil zeggen met argumenten van feitelijke aard dat de rechtbank het bewijs onjuist had gewaardeerd. Volgens Seatrade is het oordeel van het hof dat grief C slaagt bij gebrek aan waardering van het tegenbewijs niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
hoedanigheid-verweer”. Ook geven zij aan dat de Verzekeraars ten aanzien van HDI Global SE en Maas Lloyd in hoger beroep het verweer hebben gevoerd dat Seatrade niet (tijdig) de juiste partijen heeft gedagvaard. In dit verband spreken Delta Lloyd c.s. van het “
entiteit-verweer”.
lastgevingten behoeve van een ander procederen. In de eerste plaats moet dan worden gedacht aan lastgeving die de lasthebber verplicht of bevoegd maakt om in naam van de lastgever rechtshandelingen te verrichten. Er is dan sprake van
volmacht. Bij procederen als gevolmachtigde van de rechthebbende is de positie duidelijk genoeg: de gevolmachtigde van de rechthebbende is de formele procespartij – hij neemt de procesbeslissingen – en de volmachtgever is de materiële procespartij en moet ook als zodanig in het geding bekend gemaakt worden. (…). Het gevolg van procederen via een volmacht is, dat niet de gevolmachtigde maar de volmachtgever door de proceshandelingen van de gevolmachtigde en de proces- en geschilbeslissingen van de rechter wordt gebonden. Het vonnis schept direct rechten en plichten voor de volmachtgever jegens de derde. (…).” [32]
Asser/Clausing/Wansink, nr. 51 en 82”. [34] In nr. 51 staat onder meer het volgende:
bootlegging(het zonder toestemming van de uitvoerende kunstenaar maken van een geluidsopname van diens optreden en het produceren en verhandelen van geluidsdragers waarop deze opname is vastgelegd). De handelaar werd verweten dat hij ‘bootlegs’ en mogelijk ook piratenplaten verkocht. De NVPI beoogde, kort samengevat, een verbod voor deze handelaar om daarmee door te gaan. In hoger beroep legde NVPI een aantal volmachten over en vroeg zij akte dat zij niet alleen ten behoeve van haar leden optreedt, maar tevens als gevolmachtigd vertegenwoordiger van 1) Promotone BV (vertegenwoordiger van The Rolling Stones), 2) George Harrison (lid van The Beatles en solo-artiest), 3) the estate of John Lennon (in leven lid van The Beatles en solo-artiest), 4) James Paul McCartney (lid van The Beatles), 5) Robert Plant (lid van Led Zeppelin) en 6) Robby Krieger (lid van The Doors). Het hof accepteerde dat niet:
NJ1986, 307). Het hof heeft echter met zijn hiervoor omschreven oordeel tot uitdrukking gebracht dat een eisende partij die niet reeds bij dagvaarding heeft gesteld (mede) op te treden als gevolmachtigde van een met name genoemde volmachtgever, niet hangende de procedure die hoedanigheid alsnog kan aannemen door op de voet van art. 134 Rv Pro haar eis te veranderen. Dit oordeel is juist, nu in het onderhavige geval de volmachtgevers niet behoorden tot de groep van niet met name genoemde belanghebbenden – de leden van de vereniging – te wier behoeve de vordering is ingesteld. De eisende partij die in de loop van een procedure alsnog mede als gevolmachtigde van een derde wenst op te treden, zal zich in die hoedanigheid wèl in die procedure kunnen voegen. Op het vorenstaande stuiten alle hier besproken klachten af.
Trouwborst/Tollenaar & Wegener C.V.-arrest van Uw Raad van 9 september 1994. [41] In rov. 1. van dit arrest staat het volgende:
voor Gerling-Konzern Allgemeine VAG)”. Ook in de appeldagvaarding heeft Seatrade de namen van de risicodragers genoemd.
het van of namens verzekerden in ontvangst nemen van mededelingen”, “
het in rechte betwisten van alle aanspraken tegen de ondergetekende[de achterliggende verzekeraar, A-G]” en “
het aanhangig maken van rechtsvorderingen ter uitoefening van enig aan de ondergetekende als verzekeraar toekomend recht, het nemen van alle maatregelen die de gevolmachtigde voor een goede procesvoering nodig acht, het meewerken bij – of toestemmen in – het voeren van processen waarbij het belang van de ondergetekende betrokken is”. [50]
in voornoemde procedure om zich aan de zijde van de bij exploot van 25 februari 2016 (…) in hoger beroep gedagvaarde Verzekeraars in het geding te voegen”. [60] Seatrade heeft daarbij een beroep gedaan om art. 118 Rv Pro, waaruit volgt dat derden in een reeds lopende procedure kunnen worden opgeroepen. Art. 118 Rv Pro is op grond van art. 353 lid 1 Rv Pro van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Bij akte van 19 februari 2019 heeft Seatrade de oproeping kenbaar gemaakt aan de Verzekeraars.
“(voorheen (onder meer) (i) HDI Gerling Industrie Versicherung AG (ii) Gerling Service Nederland N.V. voor Gerling-Konzern Allgemeine VAG)”;
vertegenwoordigervan Gerling-Konzern Allgemeine VAG. [70] Volgens Delta Lloyd c.s. kan daarom ter zake niet geldig worden geappelleerd tegen Gerling Konzern Allgemeine VAG zelf of haar rechtsopvolger HDI Gerling SE, maar alleen tegen Gerling Service Nederland N.V. in haar genoemde hoedanigheid of tegen haar rechtsopvolger in de genoemde hoedanigheid.