Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
‘Verkoper’(...)
2.[makelaar 1] (...)
[makelaar 2](...)
3.[makelaar 3] (...);
Koper’
‘Verkochte’.
31 december 2016een onherroepelijke splitsingsvergunning (...) is verkregen. (...)
31 december 2016een onherroepelijk besluit van de gemeente Amsterdam als grondeigenaar aangaande de splitsing in appartementsrechten is verkregen. (...)
1 september 2016komt vast te staan dat in verband met de be-oogde splitsing in appartementsrechten geen funderingsherstel nodig is (...)
18 oktober 2016een onvoorwaardelijke koopovereenkomst tot stand komt tussen de Verkoper en de desbetreffende koper van het bovenhuis voor een bedrag van tenminste € 640.000,00 kosten koper; en/of
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
onderdeel 1leggen alle een verband tussen het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 BW Pro en de verplichtingen van [eigenaar woning] uit hoofde van de overeenkomst van 10 mei 2016. [eigenaar woning] wijst erop dat die overeenkomst met betrekking tot de bovenwoning geen koopovereenkomst is en [makelaars] ook geen volmacht hadden om namens haar een koopovereenkomst met betrekking tot de bovenwoning aan te gaan. Ook noemt de overeenkomst van 10 mei 2016 niet een koper, is de (toekomstige) koper geen partij bij de overeenkomst en is wat betreft de bovenwoning ook geen koopprijs bepaald. In verband met art. 7:2 BW Pro volgt daaruit volgens haar dat zij als niet-professioneel verkoper zich op het schriftelijkheidsvereiste kan beroepen en dat het ter vrije beslissing van [eigenaar woning] stond om al dan niet tot verkoop van de bovenwoning over te gaan.
nietgeldt indien een particuliere verkoper aan een professionele partij verkoopt. [6] In dat geval staat de particuliere verkoper niet tegenover een partij met een versterkte rechtspositie.
nietvan toepassing is, omdat het vormvoorschrift van art. 7:2 lid 1 BW Pro niet in het belang van de particuliere verkoper strekt [7] (althans niet in de in art. 6:226 BW Pro bedoelde zin), ook al kan hij zich op dat vormvoorschrift wel beroepen. Zoals onder 3.5 vermeld, dient het vormvoorschrift van 7:2 lid 1 BW niet zozeer ter bescherming van een partij, maar strekt het ertoe om duidelijkheid te verschaffen over het aanvangsmoment van de bedenktijd van art. 7:2 lid 2 BW Pro. Die duidelijkheid is in het belang van beide partijen en voorkomt geschillen met de daaraan verbonden kosten. Eventueel kan men het ook zo zeggen dat uit de strekking van het voorschrift van art. 7:2 lid 1 BW Pro anders voortvloeit in de zin van het slot van art. 6:226 BW Pro. [8]
nietig, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Dat op een vormvoorschrift dat niet strekt ter bescherming van het belang van een partij, door die partij wel een beroep kan worden gedaan, is dus een gewoon geval.
“koper”kán dus geen sprake zijn en zeker niet van enige
“overeengekomen koopprijs”.
“een koper”en
“overeengekomen koopprijs”,gezien de vereiste schriftelijkheid (vgl. artikel 7:2 lid 1 BW Pro).
bovenwoning. Het verweer van [eigenaar woning] dat de verbintenis niet opeisbaar was, was ontleend aan artikel 9 van Pro de overeenkomst, volgens welke de leveringsakte met betrekking tot de
benedenwoninguiterlijk op 8 januari 2017 zou worden verleden. Dat het verweer van [eigenaar woning] niet opgaat heeft het hof onder woorden gebracht door te verwijzen naar een bepaling die wél op de opeisbaarheid van de verbintenis van [eigenaar woning] met betrekking tot de bovenwoning kan worden betrokken, namelijk artikel VI lid 2 van de Algemene Bepalingen van de overeenkomst. Aldus is het oordeel van het hof voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Ook heeft het hof niet miskend dat een tekortkoming opeisbaarheid veronderstelt.
Haviltex) heeft vastgesteld.
onderdeel 7van het middel behoeft geen bespreking.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
subonderdeel 1.4lees ik niets nieuws.
onredelijken zonder matiging
buitensporigten opzichte van de eventueel door [makelaars] geleden schade.
van de koopprijsin alinea 13.10 van de memorie van grieven en de kwalificatie van een percentage van 9% boete per maand als buitenproportioneel, ligt alleszins duidelijk besloten dat [eigenaar woning] zich óók beriep op een wanverhouding tussen boete en koopprijs. Hoe dan ook is niet onbegrijpelijk dat het hof dat daarin heeft gelezen.