Conclusie
jegens de oude pensioenuitvoerder ASRrecht heeft op nakoming van zijn pensioenovereenkomst in de vorm van indexatie van de pensioenaanspraken die hij krachtens de aanvankelijke pensioentoezegging aan hem van Allianz tot 2001 heeft opgebouwd bij (de rechtsvoorgangster van) ASR. Tot 2001 had [verweerder] pensioenregeling een eindloonkarakter, vanaf 2001 is dat een middelloonregime geworden. De aanvankelijke indexatie van deze oude pensioenaanspraken (door het pensioenfonds van Allianz (SPAN)) is per 2013 gestopt op grond van een cao-wijziging in de sectorale pensioenregeling in 2011, die in [verweerder] arbeidsovereenkomst is geïncorporeerd, waarbij het recht op onvoorwaardelijke toeslagverlening (indexatie) is gewijzigd in een voorwaardelijke indexatie. [verweerder] heeft in eerste aanleg Allianz, ASR en SPAN gedagvaard en verklaringen voor recht en nakoming, althans schadevergoeding gevorderd – blijkens zijn MvG 3.4 daarmee deels bedoelend: hoofdelijk, dus dat de een betaald hebbend, de anderen zijn gekweten. Hij baseerde zijn vorderingen toen alleen op de stelling dat hij moet worden aangemerkt als “gewezen deelnemer” in de zin van art. 16 AMEV Pro-pensioenreglement, waaruit de indexatieaanspraak voortvloeit. Omdat [verweerder] volgens de kantonrechter geen gewezen deelnemer is, zijn alle vorderingen van [verweerder] in eerste aanleg afgewezen. In hoger beroep heeft [verweerder] deze stellingname gehandhaafd en daarnaast ook een (volgens het hof subsidiair) beroep gedaan op art. 20 Pensioenwet Pro (Pw), dat bepaalt dat opgebouwde pensioenaanspraken in beginsel niet gewijzigd kunnen worden. Ook het hof acht [verweerder] geen gewezen deelnemer, maar honoreert het beroep van [verweerder] op art. 20 Pw Pro. Daarom dienen de door [verweerder] bij ASR opgebouwde pensioenaanspraken onvoorwaardelijk te worden geïndexeerd volgens de indexatiemaatstaf van art. 16 AMEV Pro-pensioenreglement en is zowel Allianz als ASR veroordeeld tot nakoming van pensioenovereenkomst in deze zin van gestand doen van onvoorwaardelijke indexering, te financieren door Allianz.
INDEXERING VAN PENSIOENEN
Cao van toepassing op de pensioenaanspraken
(…) Artikel [20] bepaalt dat opgebouwde pensioenaanspraken in beginsel niet gewijzigd kunnen worden. Artikel 1 bepaalt Pro echter uitdrukkelijk dat de overeengekomenvoorwaardelijketoeslagverlening geen onderdeel vormt van de pensioenaanspraken (…)”, Nota naar aanleiding van het nader verslag PW, TK 30 413, nr. 24, p. 17 (onderstreping hof). Zie ook HR 8 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1134.
tot het moment van wijziging. Continuering van onvoorwaardelijke toeslagverlening over reeds opgebouwde aanspraken of rechten behoort tot die opgebouwde aanspraak/dat opgebouwde recht, zo blijkt uit art. 1 Pw Pro (“
pensioenaanspraak: het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening”).
ernstige financiële gevolgen, een enorme daling van de dekkingsgraad van het pensioenfonds, korting van het pensioen voor alle betrokkenen, instabiel arbeidsvoorwaardenoverleg, de verplichting om alle toekomstige onvoorwaardelijke indexatie voor alle deelnemers in één keer te moeten affinancieren tot aan de verwachte sterfdag van alle deelnemers, mogelijke faillissementen en grote gevolgen voor alle pensioenuitvoerders met onvoorwaardelijke indexatie op 1 januari 2007(datum inwerkingtreding Pensioenwet) is door geïntimeerden niet nader toegelicht en valt zonder deze nadere toelichting naar het oordeel van het hof niet in te zien. Wat er ook zij van het argument dat het bij AMEV/ASR opgebouwde pensioen van [verweerder] in de periode 2001 – 2013 steeds onvoorwaardelijk is geïndexeerd, al dan niet omdat SPAN als pensioenfonds in de veronderstelling verkeerde dat er een collectieve waardeoverdracht zou komen, en [verweerder] als gevolg hiervan indexatievoordeel heeft gehad, ook dit kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is van onaanvaardbaarheid. De slotsom is dat de argumenten die geïntimeerden hebben aangedragen ter onderbouwing van hun beroep op de onaanvaardbaarheid van art. 6:248 lid 2 BW Pro onvoldoende zwaarwegend zijn om de onvoorwaardelijke indexatie, in strijd met art. 20 Pw Pro, te kunnen wijzigen.
Beslissing
2.Bespreking van het cassatieberoep
jegens ASRals uitvoerder (en niet alleen jegens Allianz als werkgever) kan worden toegewezen op de wijze zoals gedaan in het dictum. Dat SPAN op grond van een eigen uitvoeringsovereenkomst met Allianz tussen 2001 en 2013 conform de maatstaf van het oude AMEV-pensioenreglement onvoorwaardelijk heeft geïndexeerd, maakt dat volgens de klacht niet anders, omdat dat buiten de rechtsverhouding tussen [verweerder] en ASR als uitvoerder staat.
subonderdeel 1.aklaagt ASR dat het hof buiten het door [verweerder] gevorderde om heeft geoordeeld en beslist met veroordeling van ASR tot nakoming van de pensioen
overeenkomst.
a contrario [27] ) dat de rechter niet méér (
ultra petita) of anders (
extra petita) mag toewijzen [28] . Art. 23 Rv Pro brengt mee dat – tenzij de wet anders bepaalt [29] – de rechter een beslissing niet ambtshalve mag geven, maar alleen wanneer een dergelijke beslissing is gevorderd of verzocht, dan wel in de vordering of het verzoek besloten ligt [30] . Om binnen de grenzen van art. 23 Rv Pro te blijven moet de rechter wel weten wat de vordering omvat [31] . Het petitum dient in samenhang met de grieven te worden gelezen [32] . De uitleg van de vordering door het hof (als onderdeel van de gedingstukken) kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, maar alleen op begrijpelijkheid [33] .
reglementin de vorm van voortgezette onvoorwaardelijke indexering van zijn tot 2001 opgebouwde pensioenaanspraken. In appel heeft [verweerder] vernietiging van het afwijzende vonnis gevorderd en alsnog toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde, hetgeen het hof ook zo heeft begrepen, zo volgt uit rov. 3. In het dictum in hoger beroep is ASR naast Allianz veroordeeld tot “nakoming van de pensioen
overeenkomst” in de vorm van het onvoorwaardelijke indexeren van de tot 2001 opgebouwde pensioenaanspraken vanaf 2013. Dat lijkt iets anders dan gevorderd (nakoming
reglementvs. nakoming
overeenkomst), maar van schending van art. 23 Rv Pro is hier geen sprake. Dit dictum moet in het licht van de overwegingen worden uitgelegd. In rov. 13 heeft het hof [verweerder] beroep op art. 20 Pw Pro
subsidiairopgevat, dus als in die zin losstaand van zijn primaire beroep op het zijn van gewezen deelnemer onder de oude pensioenregeling en de daarop gebaseerde indexering volgens art. 16 van Pro het AMEV-reglement. Tegen die uitleg (subsidiair beroep op art. 20 Pw Pro) is geen cassatieklacht gericht en rov. 13 maakt duidelijk hoe het door de klacht aangevallen deel van het dictum moet worden begrepen: de pensioenovereenkomst met [verweerder] moet volgens de maatstaf van, of het mechanisme in, art. 16 AMEV Pro-reglement worden geïndexeerd, dus à la die daarin neergelegde methode volgens een bepaald prijsindexcijfer van het CBS, hiervoor geciteerd in 1.2. Daarmee bedoelt het hof kennelijk dat de onvoorwaardelijke indexering zoals afgesproken in de pensioen
overeenkomstmethodisch moet worden uitgevoerd volgens het CBS-indexcijfer uit de tweede alinea van art. 16 van Pro het AMEV-pensioenr
eglement. Allianz is daarbij veroordeeld om die indexering te financieren en ASR moet daaraan meewerken.
subonderdeel 1.c.klaagt ASR over de verwerping van het beroep op verjaring van de nakomingsvordering van [verweerder] jegens ASR. Dat beroep is volgens de klacht niet of niet toereikend gemotiveerd verworpen met een verwijzing naar de verwerping van het verjaringsberoep in rov. 5.1 van het vonnis in eerste aanleg, door het hof overgenomen en tot het zijne gemaakt.
Allianzkon volstaan ter verwerping van verjaringsverweer van
ASRbij mva 5.1-5.3
in appel. Dat een verwijzing naar het oordeel van een lagere rechter een voldoende motivering kán inhouden, is vaste rechtspraak van het EHRM [35] . Zoals ASR evenwel terecht aanvoert, is zodanige verwijzing hier géén toereikende motivering, nu het gaat om een beroep op verjaring in een andere rechtsverhouding en mogelijke verjaring van een andere rechtsvordering dan in eerste aanleg werd beoordeeld. Het hof had
tenminstemoeten aangeven
waaromhet verjaringsoordeel van de kantonrechter hier één op één leest op de verhouding [verweerder] -ASR
énmoeten uitleggen
waaromde argumenten van ASR niet afdoen aan het overgenomen oordeel van de kantonrechter. Dat [verweerder] in zijn betwisting van het verjaringsberoep van ASR in hoger beroep [36] stelt dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat de indexatiebetaling over 2013 op zijn vroegst is verjaard in 2018, lijkt mij niet toereikend. Dit geldt temeer nu Allianz (cva 4.5) en ASR (mva 5.1-5.3) andere grondslagen voor verjaring hebben ingeroepen: Allianz heeft zich op art. 3:308 BW Pro beroepen, maar ASR in appel op art. 3:307 en Pro 3:310 BW. Allianz heeft aangevoerd dat haar financieringsverplichting zou zijn verjaard. ASR dat de verzekeringsovereenkomst per 1 januari 2001 is beëindigd, de verzekering sinds 2001 premievrij was en dat indexatie niet was verzekerd. Dat had moeten leiden tot een inhoudelijk kenbare separate verjaringsbeoordeling door het hof op dit punt, maar die is niet gegeven.
jegens ASRals uitvoerder van de oude pensioenregeling is toegewezen nakoming van de pensioenovereenkomst
tussen Allianz en [verweerder]in de vorm van onvoorwaardelijke, door Allianz te financieren, indexering op de voet van het oude AMEV-reglement. Dat terwijl de oude pensioenregeling nog onder de vigeur van de Psw is gesloten en beëindigd en alleen premievrij is voortgezet (omdat [verweerder] niet heeft ingestemd met waardeoverdracht aan de nieuwe pensioenuitvoerder) en ASR voor die onvoorwaardelijke indexering ook nooit premie heeft ontvangen (“geen premie, geen dekking”). Dat art. 20 Pw Pro in de verhouding Allianz – [verweerder] verhindert dat de in de oude regeling overeengekomen onvoorwaardelijke indexatie wordt gewijzigd [38] , maakt dat jegens ASR als uitvoerder niet anders. In de langs verschillende invalshoeken aangevlogen omstandigheden van dit geval is zo’n nakomingstoewijzing in onze zaak niet mogelijk of onbegrijpelijk volgens deze klachten.
Allianz en ASR moeten de pensioenovereenkomst nakomendoor de pensioenaanspraken tot 2001 volgens bedoelde indexeringsmaatstaf onvoorwaardelijk te indexeren en 3) Allianz moet die indexatie financieren op straffe van dwangsommen, dan lijkt hier toch overduidelijk de bedoeling van het hof in de richting van ASR: gij zult meewerken aan die uitvoering/nakoming in vorenbedoelde zin, namelijk door als uitvoerder van de krachtens de oude pensioenregeling voor [verweerder] opgebouwde pensioenrechten – ná van Allianz te verkrijgen financiering daarvoor – ook voor die onvoorwaardelijke indexatie zorg te dragen vanaf 2013. In die zin is “nakoming” door ASR in het dictum (louter) op te vatten als: (een bevel tot) medewerking daaraan geven na ontvangen financiering voor de onvoorwaardelijke indexatie van de kant van Allianz, waartoe Allianz separaat veroordeeld wordt. Het zou misverstanden hebben kunnen voorkomen als het hof hier in plaats van nakoming jegens ASR een bevel aan ASR had toegewezen tot medewerking aan door Allianz te financieren onvoorwaardelijke indexatie vanaf 2013 in vorenbedoelde zin, maar het lijkt het meest in de rede te liggen dat precies dat met de toegewezen nakoming jegens ASR is bedoeld.