Conclusie
Nummer20/00941
Inleiding
Het eerste middel
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
[…]
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat tussen [medeverdachte 3] , [verdachte] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] alias [betrokkene 2] en de huurder van het pand, [betrokkene 3] , sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de exploitatie van de hennepkwekerij. […] [verdachte] kan – in zijn eigen woorden – worden aangemerkt als compagnon van [medeverdachte 3] . Hij had een rol bij de financiering van de hennepkwekerij en had de beschikking over de alarmtelefoon van het pand waar de hennepkwekerij zich bevond.”
Het tweede middel
4.4. Organisatie
[…]
4.5. Oogmerk misdrijven OpiumwetHennepteelt
[…]
Verkoop en levering van hennep[medeverdachte 3] , [verdachte] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] hebben zich ook schuldig gemaakt aan de handel in hennep, zoals hiervoor in zaaksdossiers Jaguar en ’Adder is beschreven.
[…]
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
“2 Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder Pro B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
5 Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.”
“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.” [3]
Het derde middel
Redelijke termijn
De redelijke termijn zal in hoger beroep net, op een paar dagen na, niet worden overschreden, denk ik. Vast staat dat de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden. Mijn confrère, die de medeverdachten […] [6] en […] [7] bijstaat, noemde deze zaak zojuist een van de oudste zaken die hij onder zich heeft. Ik heb de zaak Landlord, die speelt in Maastricht en door het hof is teruggewezen naar de rechtbank, ook onder mij. In die zaak gaat het om feiten die hebben plaatsgevonden in 2004. In dat kader is ook een verjaringsverweer gevoerd. Die zaak is nog ouder dan deze zaak, maar vast staat dat de onderhavige zaak uit 2011 komt en inmiddels ook een baard heeft gekregen. Dat mag met recht worden gezegd.”
is niet verschenen.
De raadsman van verdachte mr. V. Poelmeijer, advocaat te Amsterdam, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
[…]
De zaak tegen [de medeverdachte] [9] onder parketnummer 20-000786-18 is vanochtend behandeld. In verband met de omvangrijkheid van de zaak en de gevoerde verweren zal het onderzoek ter terechtzitting worden onderbroken tot de terechtzitting van 20 februari 2020. Op die terechtzitting zal het onderzoek in alle zaken worden gesloten. Het hof zal ter terechtzitting van 5 maart 2020 te 9.00 uur uitspraak doen. De griffier zal de raadsman in de onderhavige zaak per e-mail op de hoogte stellen van deze beslissing en hem verzoeken de verdachte daarvan op de hoogte te stellen.”
Redelijke termijn
Voorts heeft de hardnekkige weigering van het Openbaar Ministerie om het onderzoek Patrijshond ter beschikking te stellen, toen daar vanuit de verdediging om werd verzocht, tot aantoonbare vertraging geleid. Pas nadat de rechter-commissaris daartoe opdracht had gegeven, is dit alsnog geschied. Tot slot constateert het hof dat de grootste vertraging is opgelopen doordat de zaak lange tijd bij de rechter-commissaris en de rechtbank heeft stilgelegen, hetgeen niet aan de verdachte en/of de raadsman is te wijten.
Al met al is het hof van oordeel dat slechts in beperkte mate sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere redelijke termijn kunnen rechtvaardigen en dat die termijn 2,5 jaren bedraagt. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met 3,5 jaren. Deze zeer forse overschrijding dient gevolgen te hebben voor de op te leggen straf. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg in het voordeel van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat een strafvermindering van 25% zal worden toegepast en de gevangenisstraf zal worden gematigd van 36 maanden tot 27 maanden, met aftrek van voorarrest.”