ECLI:NL:HR:2013:BY8105
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aftrekbaarheid van periodieke giften uit schenking bij erfgenamen
De zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2003 opgelegd aan belanghebbende, een erfgenaam die recht heeft op een deel van een schenking in de vorm van periodieke uitkeringen van certificaten aandelen. De schenking was gedaan door de moeder van belanghebbende, de erflaatster, die was overleden in 2002. De erfgenamen hebben de in 2002 vervallen uitkering pas in 2003 uitgevoerd.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de erfgenamen de giftenaftrek konden toepassen in het jaar van voldoening, ook al vond de feitelijke levering later plaats. De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat bij de schenking in 2001 een waardeverschuiving heeft plaatsgevonden en dat de verplichtingen voortvloeiend uit de schenkingsovereenkomst ook na overlijden van de schenker op de erfgenamen overgaan zonder van aard te veranderen. De voorwaarde van vrijgevigheid moet worden beoordeeld op het moment van het aangaan van de schenkingsovereenkomst. De afwijking in de betalingstermijnen doet niet af aan de aftrekbaarheid. Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de kosten worden aan hem opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd.