Conclusie
good governanceen dat ziet op regels van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid en dat betrof de toenmalige directie. Hieraan verbond de RvC als consequentie dat de nog in functie zijnde resterende twee directieleden niet konden worden gehandhaafd als bestuurders.
Kernpunten in verslagjaar
2.Bespreking van het cassatieberoep
good governancein het persbericht weergegeven conclusies “in zijn totaliteit” konden dragen of rechtvaardigen.
Gemeenteraadslid-arrest [3] niet of onvoldoende kenbaar toegepast en in plaats daarvan is louter gefocust op de ruime beoordelingsvrijheid die de RvC wordt toegedicht hier. Die beoordelingsvrijheid past volgens [eiser] inderdaad bij de taak van de RvC om toezicht te houden binnen de onderneming [4] , maar het gaat hier juist om een extern persbericht en dan geldt voor de RvC dezelfde maatstaf als voor ieder ander.
good governanceen dat niet integer is gehandeld vindt onvoldoende feitelijke basis in het BDO rapport, het externe feitenonderzoek naar aanleiding van de fraude-aantijgingen in de pers. Dat is in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
fair balancemoet worden gevonden door afweging van de wederzijds betrokken belangen [7] . Deze benadering van het EHRM is bijvoorbeeld ook gehanteerd door Uw Raad in de zaak
Endemol c.s./A. [8] , zij het in de context van een hiervoor in 2.4 bedoeld “klassiek” geval van publicatie door een persmedium en wel door afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval.
Gemeenteraadslid-arrest [13] nader invulling gegeven aan de ook in onze zaak centraal staande belangenafweging en met name welke omstandigheden daarbij relevant kunnen zijn:
Gemeenteraadslid-arrest volgt dat voor de rechtmatigheid van de openbaarmaking niet vereist is dat de mededeling boven redelijke twijfel vaststaat; zij moet steun vinden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal. In het arrest
Telegraaf/A [19] is uitgemaakt dat factor c een “zwaarwegende factor” is waaraan “terecht groot gewicht is toegekend”.
Gemeenteraadslid-arrest opgesomde factoren te toetsen en daarvan in zijn motivering uitdrukkelijk rekenschap geven [21] . De controle in cassatie is beperkt tot een marginale toetsing of de in concreto van belang zijnde factoren wel in de afweging zijn betrokken [22] .
Gemeenteraadslid-arrest (en mogelijk ook de hiervoor in 2.10 nader genoemde omstandigheden) heeft getoetst, wordt uit het oog verloren dat de feitenrechter niet per se aan al die omstandigheden hoeft te toetsen en zich daarvan rekenschap behoeft te geven in de verschafte motivering. Het is immers aan de feitenrechter om te beoordelen welke omstandigheden voor een concrete zaak van belang zijn en welk gewicht daaraan in onderling verband moet worden toegekend, zoals we hiervoor in 2.12 hebben gezien. Als een uitkomst van een uitgevoerde toets de in het ongelijk gestelde partij niet bevalt, omdat naar haar oordeel niet alle relevante omstandigheden op juiste wijze zijn meegewogen, wil dat nog niet zeggen dat bij die toets(maatstaf) zelf is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre kan de rechtsklacht uit onderdeel 1 niet slagen.
good governancewel worden gedragen door de bevindingen van BDO), is het in wezen geen rechts- maar een motiveringsklacht en de (nadere, maar wel: motiverings)klachten van die strekking zijn bij procesinleiding in cassatie onder randnummers 10-12 voorgesteld en worden hierna besproken.
Gemeenteraadslid-arrest, factor b): er was sprake van vijf schendingen van aanbestedingsregels en het “opknippen” van opdrachten om onder de aanbestedingsgrens te blijven; naar het oordeel van het hof had de RvC de beoordelingsvrijheid om deze misstanden ernstig te vinden (rov. 3.7 en 3.9)
Gemeenteraadslid-arrest, factor c): het hof oordeelt dat de misstanden volgen uit onderzoek dat de RvC heeft laten verrichten door BDO, terwijl in dat onderzoek overigens hoor en wederhoor is toegepast, rov. 3.8),
Gemeenteraadslid-arrest, factor a): het hof oordeelt dat het persbericht wel melding maakt van “de toenmalige directie” als collectief, maar niet specifiek verwijst naar [eiser] en dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat GVB, hoewel zij meende en mocht menen dat ook [eiser] verantwoordelijkheid droeg voor de door BDO vastgestelde feiten, geen enkele naar [eiser] te herleiden verwijzing in het persbericht mocht opnemen (rov. 3.12),
Gemeenteraadslid-arrest, factor e): een oordeel over deze factor ligt besloten in het oordeel dat de RvC gerechtvaardigd tot déze conclusies mocht komen en ook dat de RvC er belang bij had deze conclusies naar buiten te brengen en dat dat belang in dit geval zwaarder weegt dan dat van [eiser] (rov. 3.9 en 3.12).
onderdeel 1 in randnummers 10-12raken de kern van de zaak en gaan volgens mij in hoofdzaak op. Het betoog komt er kort samengevat op neer dat het hof niet voldoende kenbaar is ingegaan op het hoofdbezwaar van [eiser] in deze procedure. Dat is dat de RvC onder het kopje
good governancein brede termen conclusies trekt uit het BDO-rapport, die daar feitelijk niet op te baseren zijn - de conclusievlag dekt de BDO-lading niet - en daarom te verstrekkend en te suggestief en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] zijn. Volgens [eiser] wordt de conclusie onder het kopje
good governancedat er
structureelsprake was van bestuurlijk gedrag dat niet voldeed aan de regels van
good governancevoor wat betreft aspecten van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid, niet door de onderzoeksresultaten van BDO gedragen (zoals de conclusies onder het kopje niet-naleving van aanbestedingsregels dat wel worden). Door de betreffende verwijten die ter zake dienend zouden zijn voor de conclusies onder dit kopje
good governanceniet
concreette benoemen in haar publicaties van persbericht en jaarverslag [23] , suggereert de RvC daarmee dat er veel meer aan de hand is dan er feitelijk is geconstateerd door BDO, althans bieden deze conclusies als gepubliceerd zonder nadere context daar ruimte voor. Die (suggestie van) niet integer handelen van [eiser] als bestuurder is onrechtmatig en schadelijk. Om dit kernbetoog is het hof volgens de motiveringsklachten van onderdeel 1 in randnummers 10-12 volledig heen gezeild, het is niet terug te vinden in de verschafte motivering voor zijn oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door GVB met de gewraakte publicaties, zodat dit oordeel gelet op de betrokken stellingen van [eiser] terzake niet toereikend is gemotiveerd. Daarmee zijn volgens de klacht in randnummer 12 ook de betreffende essentiële stellingen van [eiser] ten onrechte gepasseerd.
persberichtonder drie kopjes gepresenteerd:
Fraude(de fraudeaantijgingen uit de Telegraaf zijn weerlegd in het BDO-rapport);
Naleving wet- en regelgeving(aanbestedingsregels zijn een aantal keer (opzettelijk) niet nageleefd);
Good governance(uit het feitencomplex blijkt structureel bestuurlijk gedrag in strijd met regels van good governance en dat betreft aspecten van regels van integriteit, rechtmatigheid, doelmatigheid en verantwoordelijkheid en betreffen de toenmalige directie.)
Conclusies RvC: De RvC heeft uit het BDO-onderzoek geconstateerd dat van de suggestie in de media van
fraudegeen sprake is, maar wel van feiten van het (vermoeden van) het opzettelijk
negeren van geldende wet- en regelgevingen/of het negeren van interne regels met doelredeneringen
bij aanbestedingsregels. En wordt na het woordje
Bovendienin deze samenvatting dan vervolgd met:
good governanceonder 3) door de RvC gebaseerd konden worden op de in rov. 3.7 weergegeven bevindingen over schending van die aanbestedingsregels, dus categorie 2). Anders gezegd: het vijf keer (op de ongeveer honderd) niet naleven van aanbestedingsregels en het “opknippen” van opdrachten is in het hofoordeel blijkens rov. 3.9 voldoende dragend voor de conclusies van de RvC onder 3) over
good governance. Dat zou op zichzelf nog wel een denkbaar oordeel kunnen zijn (hoewel dat gelet op de separate kopjes 2)
naleving wet- en regelgevingen 3)
good governancein het persbericht niet aanstonds voor de hand ligt, ook al niet wanneer in de samenvatting in het jaarverslag na de parafrase over schending van aanbestedingsregels wordt geschreven dat “
bovendien”, dus daarnaast, nog sprake is van structureel niet integer handelen in strijd met
good governanceregels). Maar in onze zaak behoeft dat dan wel een nadere motivering van het hof als het hele punt van [eiser] in deze procedure nu juist is dat er uit de BDO-rapportage
alleenvolgt dat over een jaar of zes in vijf op de honderd gevallen niet conform de regels is aanbesteed. Dat feitelijke gegeven uit de BDO-rapportage, dat [eiser] niet betwist, rechtvaardigt volgens hem niet de
sweeping statementdat
structureelsprake was van handelen in strijd met
good governanceregels en de voor hem schadelijke aantijging van niet-integer bestuur. De kernklacht van [eiser] in de hele procedure is nu juist: die
nadere sweeping statementvan
structureel niet-integer handelen als bestuurdervindt geen feitelijke grondslag in de BDO-rapportage. Dan is geen sprake van een toereikende motivering door alleen te overwegen: de RvC had beoordelingsvrijheid om vijf keer op de honderd niet conform de regels aanbesteden en opknippen van opdrachten (dus categorie 2)) zo ernstig te achten dat het de conclusies van de RvC integraal (dus met inbegrip van categorie 3 over
good governance) kan dragen. Dat kan volgens mij zo niet in stand blijven. Dat vergt na verwijzing minstgenomen een nadere feitelijke motivering dunkt mij, als er al niet een ander oordeel uitrolt. De
good governanceconclusie is immers volgens [eiser] te zwaar aangezet, als dit alleen is gebaseerd op vijf op de honderd keer niet conform de regels aanbesteden over een aantal jaren en “opknippen” van opdrachten. Juist omdat daarover al een aparte conclusie onder een apart kopje is opgenomen, suggereert dit tezamen beschouwd juist dat er wat betreft
good governancenog van alles meer aan de hand is, in plaats van dat dat een
nadere uitwerkingzou zijn van die mogelijk inderdaad als voldoende ernstig te beschouwen schending van (uiteindelijk “alleen maar”) aanbestedingsregels. Vanwege het hameren door [eiser] in de procedure op precies dit aambeeld: dat is een vlag in de conclusies van de RvC die de BDO-lading niet dekt, mocht hier van het hof een nadere motivering worden verwacht, maar die ontbreekt.
good governanceconclusie van de RvC kon dragen, maar had gelet op deze stellingname van [eiser] ook aan moeten geven “waarom”. Nu blijft de suggestie hangen dat er meer aan de hand is (aparte kopjes, “bovendien”) dan een paar keer schenden van aanbestedingsregels, zeker omdat er ook twee directeuren uitvliegen. Als het nu zo was dat evident is dat de 3e (structureel strijdig handelen met
good governanceregels) door de 2e lading (aantal keer schending aanbestedingsregels) wordt gedekt, is vol te houden dat het hof hier impliciet [eiser] kernbetoog heeft verworpen of dat er sprake is van uitleg voorbehouden aan de feitenrechter. Maar ik heb getracht aan te geven waarom die evidentie hier ontbreekt.
sc.Vijf op de honderd keer niet goed aanbesteden en opknippen, A-G].” Ook [eiser] wijst daar op bij repliek in cassatie onder 13.
randnummer 13formuleert onderdeel 1 de voortbouwende klacht dat het slagen van een van de voorgaande klachten mede tot gevolg heeft dat
alleop rov. 3.9 volgende overwegingen niet in stand kunnen blijven, omdat deze voortbouwen of nauw samenhangen met het oordeel in rov. 3.9 dat de RvC de vrijheid had om de geconstateerde schendingen zo ernstig te achten dat de door hem getrokken conclusies gerechtvaardigd waren.
randnummers 15-17richt [eiser] hier rechts- en motiveringsklachten tegen die er onder verwijzing naar passages in de gedingstukken in feitelijke aanleg op neerkomen dat hij wel het nodige heeft aangevoerd ter onderbouwing van een separate hoorplicht voor de RvC alvorens te concluderen en te publiceren, gelet op de aard van de beschuldigingen, de voor hem te verwachten gevolgen en de jegens hem in acht te nemen zorgvuldigheid (
randnummer 15). Dat geen algemene rechtsplicht tot het horen van hem als voormalig bestuurder bestond, bestrijdt [eiser] ook (
randnummer 16). Zonodig onder aanvulling van rechtsgronden had het hof volgens de rechtsklacht hier art. 2:8 BW Pro behoren toe te passen. Althans had een hoorplicht moeten worden aangenomen op grond van de algemene zorgvuldigheidsnorm, zo besluit [eiser] in
randnummer 17.
binnende rechtspersoon [25] . De klacht bepleit onder randnummer 16 op zichzelf terecht dat de wetgever een ruime uitleg geeft aan de passage “degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken”. Uit de wetsgeschiedenis [26] leid ik echter af dat daarmee wordt bedoeld dat ook de houders van met medewerking van de vennootschap zelf uitgegeven certificaten (bij de BV sinds 1 oktober 2012: certificaten waaraan vergaderrechten zijn verbonden), vruchtgebruikers, pandhouders van aandelen en bijvoorbeeld een gemeentebestuur dat statutair bevoegd is een deel van de bestuursleden van een stichting te benoemen, worden gerekend tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie zijn betrokken. Nergens lees ik dat de uitleg van art. 2:8 BW Pro zo ver zou reiken dat het ook zou gelden voor ex-bestuurders van een vennootschap die dus feitelijk niet meer krachtens wet en statuten bij de organisatie zijn betrokken. Volgens mij is die uitleg in strijd met de ratio van art. 2:8 BW Pro. Dat maakt dat de rechtsklacht onder randnummer 16 faalt. Onder randnummers 20 en 21 van de procesinleiding in cassatie wordt deze onjuiste rechtsopvatting over art. 2:8 BW Pro overigens herhaald; ook daar kan deze klacht niet tot cassatie leiden.
randnummer 18dat bij het slagen van een van de voorafgaande klachten uit onderdeel 2 ook de oordelen uit rov. 3.13 en 3.14 niet in stand kunnen blijven, deelt het lot van die eerdere onderdelen en behoeft geen nadere bespreking.
randnummer 21van onderdeel 3, althans tot nuancering van de conclusies in het jaarverslag [28] . Door [eiser] was gesteld dat het ongewijzigd en zonder nuancering naar aanleiding van het OR-advies en de kantonrechtersbeschikking overnemen van de conclusies in het jaarverslag onrechtmatig is [29] . Dat nuancering, heroverweging of vermelding van dergelijke voor [eiser] ontlastende omstandigheden had moeten plaatsvinden volgt uit art. 2:8 BW Pro of de jegens [eiser] in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid of de uit de jurisprudentie voortvloeiende belangenafweging bedoeld in randnummers 9 en 10 van de procesinleiding in cassatie. Het hof heeft een en ander miskend door in rov. 3.17 en 3.18 de nadruk te leggen op de beoordelingsvrijheid van de RvC zonder in te gaan op de vraag of handhaving van de conclusies zonder heroverweging of vermelding van deze omstandigheden/nuanceringen gerechtvaardigd was. Bovendien is in dit kader onjuist of onbegrijpelijk de overweging in rov. 3.17 dat het advies van de OR en de overwegingen van de kantonrechter er niet toe hoefden te leiden dat de RvC zijn uit het BDO-rapport getrokken conclusies zou wijzigen.
“good governance”-conclusies onrechtmatig moeten worden geoordeeld wegens het ontberen van voldoende feitelijke grondslag in het BDO-rapport en/of de suggestie dat er meer aan de hand was dan feitelijk valt te constateren op grond van de BDO-rapportage. Dat heeft dan ook gevolgen voor de overeenkomstige passage over
good governancein het jaarverslag. In die zin zal de voortbouwende klacht uit randnummer 13 dan doel treffen en zal rov. 3.17 daar al op sneuvelen, in welk geval niet langer belang bestaat bij deze separate klacht over rov. 3.17. Maar separaat inhoudelijk is de vraag of de andersluidende oordelen van de OR en de kantonrechter de RvC op grond van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm hadden moeten nopen tot aanpassing of nuancering van de passage in het jaarverslag. Het is hier lijkt mij van tweeën één: of de
good governanceconclusies houden stand, in welk geval dat ook opgaat voor het jaarverslag, of deze houden geen stand en dan heeft dat ook repercussies voor de betreffende passage uit het jaarverslag. Maar of het enkele gegeven dat de OR en een ontslagrechter in een zaak tegen een ex-medebestuurder tot een andere conclusie komen dan de RvC betekent dat je daarover een nuancering zou moeten opnemen in het jaarverslag, is de vraag. De klacht in randnummer 21 is geformuleerd als rechtsklacht (“miskend door in rov. 3.17 en 3.18 de nadruk te leggen op de beoordelingsvrijheid van de RvC zonder in te gaan op de vraag of handhaving van de conclusies zonder heroverweging of vermelding van deze omstandigheden/nuanceringen gerechtvaardigd was.”) Als rechtsklacht zie ik dit niet slagen.
randnummer 22van onderdeel 3 dat onjuist is dat het hof in rov. 3.18 oordeelt dat de RvC ten tijde van de publicatie van het jaarverslag redelijkerwijs nog steeds van oordeel kon zijn dat de door hem getrokken conclusies uit het BDO-rapport gerechtvaardigd waren en dat het vanwege de plicht een getrouw beeld te schetsen in het jaarverslag van de ontwikkelingen binnen het GVB, daarom niet onrechtmatig is jegens [eiser] dat het GVB de conclusies zo in het jaarverslag heeft gepubliceerd.
good governanceparagraaf ongewijzigd ten opzichte van het persbericht het jaarverslag in had gekund, of dat op dit punt een nuancering op zijn plaats was geweest. Een motiveringsklacht van die strekking valt te lezen in
randnummer 22van onderdeel 3. Juist omdat we bij onderdeel 1 hebben gezien dat de suggestie is blijven hangen door de
good governanceconclusie dat er
structureeldoor het bestuur
niet integer is gehandeld(ook al omdat er twee directeuren op zijn gesneuveld) en dit “blijven hangen” vervolgens nog eens wordt versterkt door het inhoudelijk ongewijzigd opnemen van die paragraaf in het jaarverslag, meen ik dat de klacht dat het onbegrijpelijk is dat de
good governanceconclusie ongewijzigd in het jaarverslag is gekomen in het licht van het afwijkende OR-advies en de kantonrechteruitspraak in de ontslagzaak van een mededirecteur, hier zou kunnen slagen. [eiser] had hier uitdrukkelijk op gewezen [30] . In zoverre zou deze motiveringsklacht uit onderdeel 3 (mogelijk in combinatie met de voortbouwende klacht uit randnummer 13 van onderdeel 1) hier kunnen opgaan.