Conclusie
datum van de bestreden beschikking’; in het dictum is opgenomen dat de kinderalimentatie is verschuldigd per datum van de beschikking van het
hof. Bij herstelbeschikking oordeelt het hof dat in de overwegingen bedoeld is dat de ingangsdatum ligt op de datum van de beschikking van het hof en is het dictum ongewijzigd gelaten. In cassatie wordt primair geklaagd dat het hof de reikwijdte van art. 31 Rv Pro heeft miskend. Subsidiair wordt geklaagd dat de beslissing om de ingangsdatum te stellen op de datum van de beschikking van het hof omdat de procedure in eerste aanleg zeer lang heeft geduurd, niet begrijpelijk is. Die beslissing zou evenmin begrijpelijk zijn in het licht van het door de vrouw gevoerde verweer dat het bestaan van schulden van de man zal kunnen leiden tot een lagere draagkracht, maar niet tot een latere ingangsdatum.
1.Feiten en procesverloop
(…) Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Op basis van de jurisprudentie dient de rechter van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik te maken. Het hof is alles overziend van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de door de man te betalen kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van de bestreden beschikking. Het hof weegt hierbij mee dat de man door het tijdsverloop en de behandelingsduur van de procedure in eerste aanleg onevenredig wordt benadeeld aangezien hij door de zeer lange behandelingsduur in eerste aanleg achteraf wordt geconfronteerd met een aanzienlijke betalingsverplichting terwijl de man onvoldoende liquiditeiten heeft om aan die betalingsverplichting te kunnen voldoen. Het is eveneens voor de alimentatieplichtige van belang dat er snel duidelijkheid is met betrekking tot zijn verplichtingen. Derhalve gaat het hof in dit specifieke geval - anders dan de rechtbank - niet uit van de datum van indiening van het verzoekschrift, maar van de datum van deze beschikking, zijnde 25 november 2020.”
Het hof is alles overziend van oordeel dat er geen aanleiding bestaat de door de man te betalen kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van de bestreden beschikking. ’
2.Bespreking van het cassatiemiddel
deze beschikking, zijnde 25 november 2020’. Uit het dictum, in combinatie gelezen met de slotzin van rov. 5.6, blijkt mijns inziens duidelijk dat de ingangsdatum van het door het hof vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie 25 november 2020 is. De overweging van het hof in rov. 5.6 dat naar zijn oordeel, alles overziend, geen aanleiding bestaat de door de man te betalen kinderalimentatie eerder in te laten gaan dan de datum van de
bestreden beschikking,is daarmee strikt genomen niet in strijd. Klaarblijkelijk heeft het hof, door die passage uit rov. 5.6 te verbeteren, willen verduidelijken dat het zijn bedoeling is om de verplichting van de man tot het betalen van kinderalimentatie aan de vrouw te laten ingaan op 25 november 2020 en de desbetreffende passage beter te laten aansluiten op het dictum. [10] Subonderdeel 1.1 faalt derhalve.
in eerste aanlegde beslissing van het hof om de alimentatieverplichting niet eerder te laten ingaan dan de beschikking
in hoger beroepniet kan dragen, dat de man reeds vanaf de datum van de beschikking van de rechtbank er rekening mee kon en moest houden dat hij moest bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en dat de overweging van het hof, dat het voor de alimentatieplichtige van belang is dat er snel duidelijkheid is met betrekking tot zijn verplichtingen, dat niet anders maakt. Volgens het subonderdeel is mede van belang dat het hof de onderhoudsverplichtingen van de man heeft vastgesteld op een lager bedrag per maand (€ 205,-) dan de rechtbank in eerste aanleg (€ 496,-).