ECLI:NL:HR:2002:AE3347
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum wijziging alimentatie na echtscheiding
Partijen waren gehuwd en na ontbinding van het huwelijk werd de man verplicht alimentatie te betalen aan de vrouw. De man verzocht om verlaging van de alimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1998. De rechtbank wijzigde de alimentatie met ingang van 22 oktober 1999, de datum van het verzoek. Het hof stelde de alimentatie nog verder verlaagd vast op ƒ 600,-- per maand met ingang van diezelfde datum.
De man stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de ingangsdatum van de verlaging op de datum van het verzoek had gesteld en dat de rechtbank terecht had bepaald dat het teveel betaalde niet teruggevorderd kon worden. De vrouw betwistte een terugwerkende kracht van de verlaging.
De Hoge Raad overwoog dat de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum van alimentatiewijziging, maar dat terugwerkende kracht met voorzichtigheid moet worden toegepast, vooral vanwege de gevolgen voor de onderhoudsgerechtigde. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom de verlaging op de datum van het verzoek moest ingaan. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak voor verdere behandeling terug naar het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing over de ingangsdatum van de alimentatiewijziging.