Conclusie
1.Inleiding
de mogelijkheiddat een crediteur schade lijdt, en (ii) in hoeverre wetenschap bij de crediteur van die mogelijkheid aan een succesvol beroep op schending van de Beklamel-norm in de weg staat. Mijns inziens treffen geen van de klachten doel.
2.Feiten
[A]), opgericht op 13 augustus 2010. [A] op haar beurt is enig aandeelhouder en bestuurder van [B] BV (hierna:
[B]), opgericht op 13 mei 2011, en van [C] BV (hierna:
[C]), opgericht op 7 september 2010. [A] is daarnaast bestuurder en voor 95% aandeelhouder van [D] BV (hierna:
[D]), eveneens opgericht op 13 augustus 2010.
de Gemeente) een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een tijdelijk hotel en het gebruik van de grond en het gebouw in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Op 15 december 2011 heeft het college van burgermeester en wethouders een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor een periode van ten hoogste drie jaar tot en met 16 oktober 2014.
COA) voor het opnemen en huisvesten van asielzoekers.
nieuwe locatie(s) van het hotel en dat er tussen de partijen medio februari gesprekken zullen plaatsvinden over de wijze waarop de uitstaande vordering zal worden afgelost”. [3]
3.Procesverloop
de rechtbank).
het hof).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ihoudt in dat het hof in rov. 5.9 van het bestreden arrest de Beklamel-norm verkeerd heeft toegepast.
Onderdeel IIbestrijdt het oordeel van het hof in rov. 5.8.2 dat er geen concrete feiten zijn gesteld waaruit zou volgen dat [eiser] terecht hoopte dat de vergunning zou worden verlengd.
Onderdeel III, dat in twee klachten uiteenvalt, is gericht tegen de overwegingen in rov. 5.9 ten aanzien van de wetenschap van Actifood omtrent het einde van de vergunning.
alsde exploitatie door het eindigen van de tijdelijke vergunning zou moeten stoppen én dat [B]
danniet aan haar financiële verplichtingen, onder meer jegens Actifood, zou kunnen voldoen en daarvoor ook geen verhaal zou bieden.
mogelijkheidbestaat dat de vennootschap niet zal kunnen nakomen (‘als’) en in dat geval geen verhaal zal bieden (‘dan’). Volgens [eiser] kan ‘wetenschap van een kans op niet-nakoming’ door de vennootschap niet worden gelijkgesteld met ‘wetenschap van niet-nakoming’, zoals vereist voor Beklamel-aansprakelijkheid. [9] Maatstaf is de (geobjectiveerde) wetenschap dat het ‘onafwendbaar’ is dat de vennootschap niet kan nakomen en geen verhaal zal bieden. [10] Het oordeel van het hof geeft daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de klacht. [11]
Ontvanger/ […]uit 2006. [12] In onder meer het arrest
TMF [13] uit 2018 heeft de Hoge Raad die rechtspraak bevestigd:
Ontvanger/ […]onderscheidde de Hoge Raad twee categorieën van gevallen waarin een bestuurder op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden: (i) de bestuurder heeft namens de vennootschap gehandeld en (ii) de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Voor de gevallen in categorie (i) geldt de volgende maatstaf (mijn onderstreping):
dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden.”
Beklameluit 1989. [14] Inzet van de cassatieprocedure in de zaak
Beklamelwas de stelling van eiseres tot cassatie in die zaak dat voor bestuurdersaansprakelijkheid beslissend is of de bestuurder bij het aangaan van de litigieuze koopovereenkomst voldoende serieus kon menen, althans in redelijkheid mocht verwachten, dat de vennootschap aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Dit ruime criterium zou leiden tot een lagere drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid dan op grond de zojuist geciteerde maatstaf, welke maatstaf in die zaak door het (toenmalige) hof Arnhem was aangelegd. De Hoge Raad bevestigde de door het hof Arnhem gehanteerde maatstaf, zij het in iets andere bewoordingen. Daarmee was de ‘Beklamel-norm’ geboren. Dat de bestuurder tevens grootaandeelhouder van Beklamel was, vormde geen reden om strenger te oordelen door van een lagere drempel uit te gaan.
kansop het niet kunnen nakomen (en geen verhaal bieden), onvoldoende is voor een persoonlijk ernstig verwijt in het kader van de Beklamel-norm.
mogelijkheidheeft gezien. Uit het arrest blijkt dat het juist ging om een scenario dat [eiser] had
moetenvoorzien. Om te beginnen heeft het hof de kans op het verlies van de tijdelijke omgevingsvergunning groot geacht. De einddatum van die vergunning stond van begin af aan vast (rov. 5.8.1). Voorts mocht [eiser] niet met recht hopen op een verlenging van de vergunning (rov. 5.8.2). Bij het verlies van de vergunning zou de exploitatie van het hotel niet meer kunnen worden voortgezet. Een andere inkomstenbron was er niet voor de vennootschap, die niet betrokken was bij de andere locaties waar het hotel zou kunnen worden geëxploiteerd (rov. 5.8.3). Met het aflopen van de vergunning op 16 oktober 2014 zouden de inkomsten voor [B] opdrogen (rov. 5.9). Het vertrouwen van [eiser] dat hij ondanks deze bedreigingen na 16 oktober 2014 verder kon met [B] , was volgens het hof zodanig lichtzinnig en onverantwoord dat hem een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken van het feit dat hij desondanks in de periode direct voorafgaande aan de sluiting van het hotel is doorgegaan met het plaatsen van bestellingen bij Actifood. Uit dit oordeel blijkt dat het hof niet is uitgegaan van een enkele
kansof
mogelijkheiddat de exploitatie van [B] door het eindigen van de tijdelijke vergunning zou moeten stoppen. In zoverre faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag in het bestreden arrest.
onafwendbaaris, geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Een dergelijk vereiste volgt niet uit de Beklamel-norm. Het kan immers voorkomen dat schade voorzienbaar is en de bestuurder dient te handelen in het belang van de crediteuren van de vennootschap, ook als die schade (althans in theorie) nog af te wenden kan zijn.
verlenging van de vergunningof ook op mededelingen over de
verhuizing van het hotel. De door [eiser] in de procesinleiding genoemde stellingen gaan vrijwel allemaal over de verlenging van de vergunning. In de procesinleiding schrijft [eiser] ook dat uit die stellingen blijkt dat Actifood “wist dat de vergunning tijdelijk was”. Over de verhuizing stelt [eiser] slechts dat Actifood over de ontwikkelingen hieromtrent werd geïnformeerd. [23] [eiser] stelt niet dat Actifood was geïnformeerd dat de verhuizing niet door zou gaan of dat [B] niet bij de verhuizing betrokken zou zijn. Verder betwist [eiser] niet dat Actifood is afgegaan op mededelingen die hij over de verhuizing heeft gedaan. Gelet op het voorgaande faalt de klacht bij gebrek aan belang nu de overweging dat Actifood ook is afgegaan op de mededelingen van [eiser] over de
verhuizing, zelfstandig het oordeel van het hof kan dragen.
vergunning(waarschijnlijk) niet werd
verlengd. Uit de gedingstukken blijkt niet duidelijk of, en zo ja wanneer, [eiser] Actifood hierover zou hebben geïnformeerd. Zulks volgt in ieder geval niet duidelijk uit de door [eiser] aangehaalde stellingen in de procesinleiding. Deze stellingen zien erop dat Actifood (i) wist dat de einddatum van de vergunning 16 oktober 2014 was (hetgeen losstaat van de verlenging), [24] (ii) werd geïnformeerd over de onderhandelingen tussen het COA en de Gemeente, [25] en (iii) wist dat de kans groot was dat de vergunning niet zou worden verlengd. [26]
zelfgerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat de vergunning zou worden verlengd, dan wel dat het hotel op een andere locatie zou worden voortgezet. Tegen die achtergrond is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat Actifood is afgegaan op mededelingen van [eiser] dienaangaande, en aan die mededelingen hetzelfde vertrouwen ontleende als [eiser] op dat moment had. [27]
Ook de omstandigheid dat Actifood volgens [eiser] ervan op de hoogte was dat de vergunning halverwege oktober 2014 zou (kunnen) eindigen, maakt geen verschil.Niet in geschil is dat Actifood is afgegaan op mededelingen van [eiser] dat de vergunning verlengd zou worden dan wel dat het hotel zou verhuizen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat Actifood bewust het risico heeft willen aanvaarden dat haar facturen onbetaald zouden blijven. (…)”
[…] /Amstelland, waarin in stand bleef het oordeel dat een aansprakelijkheidsstelling op grond van de Beklamel-norm diende te worden verworpen, nu de crediteur haar betoog dat de bestuurder wetenschap had van mogelijke schade, onderbouwde met een beroep op uitlatingen die rechtstreeks aan haarzelf waren gedaan. Daarmee had ook de crediteur in die zaak wetenschap omtrent diezelfde mogelijke schade. [29] Dat wetenschap van de crediteur relevant is, lijkt mij ook in lijn met de ratio van de Beklamel-aansprakelijkheid. Een crediteur die op de hoogte is van de financiële situatie van de vennootschap en de slechte vooruitzichten op nakoming en verhaal, zal niet snel met succes een Beklamel-vordering tegen een bestuurder kunnen instellen. [30]