Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
IX. Verzoeken inzake voorlopige hechtenis
ernstige bezwarenbestaan. Dit geldt niet alleen in verband met de gebrekkige bewijsmiddelen in het dossier sinds de RHC-verhoren hieraan zijn toegevoegd, maar óók omdat gelet op het pleidooi van de verdediging vandaag kan worden gesteld dat het veroordelend vonnis van de rechtbank d.d. 26 oktober 2018 evident feitelijk en juridisch onjuist is.
grondenvoor voorlopige hechtenis. Thans, meer dan 2 jaren sinds het incident d.d. 28 februari 2018, is de zgn. 12-jaarsgrond en de daaraan gekoppelde ‘geschokte rechtsorde’ verdampt. Daartoe is de te verwachten reactie binnen de samenleving op de mogelijke invrijheidstelling van belang. Niet blijkt dat een invrijheidstelling jaren na het geweldsincident tot maatschappelijke onrust in de zin van publieke verontwaardiging zou leiden. De geschokte rechtsorde is immers aanzienlijk in ernst afgenomen door verloop van de tijd waardoor eerdere beslissingen van het hof om de voorlopige hechtenis te laten voortduren herzien moeten worden.
anticipatiegebodis thans aan de orde, indien in hoger beroep opnieuw een veroordeling volgt. Gelet op de door de verdediging gevoerde verweren in verhouding tot de verstreken periode van voorarrest en strafoverwegingen, moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan cliënten ingeval van veroordeling geen langduriger gevangenisstraf zal worden opgelegd dan dat zij reeds in voorarrest verblijven.
niet langeropportuun. De prangende persoonlijke omstandigheden van cliënten maken dat voortduur van voorlopige hechtenis niet langer opportuun is.
verzoekthet hof vanwege het bovenstaande de voorlopige hechtenis in de zaken op te heffen.
uitdrukkelijk standpuntdat gelet op de gevoerde verweren naar redelijkheid minder hoge eisen aan de ‘bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden’ hoeven worden gesteld, die kunnen maken dat een schorsing in hoger beroep aan de orde kan zijn.