Conclusie
subsidiair: indien de echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld, dat de man nog minstens twaalf maanden na datum uitspraak in de woning mag blijven,
in die zin dat de door de man ingebrachte verrekenposten op de in eerste aanleg ingebrachte verrekenlijst met elkaar verrekend dient te worden (waardoor de man op de vrouw te vorderen heeft het bedrag van € 6.378,- waarin inbegrepen het bedrag van € 1.105,- zijnde het verschil aan waarde tussen de geschatte verkoopwaarde en de door de vrouw voorgehouden verkoopwaarde van de auto en waarin ook inbegrepen het bedrag van € 795,- wat via de man terug zal vloeien naar de spaarrekening van zoon (…)).
- te verrekenen een bedrag van € 752,- aan kinderbijslag te betalen door de vrouw aan de man;
- de vrouw haar banksaldi op peildatum 19-09-2018 dient aan te tonen door middel van een gewaarmerkt afschrift van ING en dat deze saldi in de verdeling worden betrokken;
- en de verdeling voor het overige in stand te laten;”
- Ten aanzien van de verschillende verrekenposten hebben partijen ook overeenstemming bereikt, inhoudende dat - rekening houdende met hetgeen inmiddels afgewikkeld is tussen partijen - partijen per zittingsdatum over en weer niets aan elkaar verschuldigd zijn. Hierbij is door partijen ook afgesproken dat de vrouw de procedure welke zij ten behoeve van de gebruiksvergoeding is gestart, zal intrekken en dat de man ter zake die procedure een tegemoetkoming in de proceskosten aan de vrouw zal voldoen van (eenmalig) € 500,-.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“over alle tussen partijen in geschil zijnde punten in aanvulling op hetgeen in beroep niet bestreden is”, terwijl toedeling van de lijfrentepolis in de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep niet in geschil en niet bestreden was.
vormis sprake van een rechterlijke uitspraak, met aan het slot een dictum waarin het hof de beschikking van de rechtbank vernietigt ‘voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen’, en in zoverre ‘opnieuw beschikt’. De
inhoudvan de beslissing is echter ingegeven door partijen.
Of sprake is van een ‘verdergaande strekking’, is, aldus Knigge, afhankelijk van de mate van rechterlijke betrokkenheid bij de totstandkoming van de uitspraak die uit die uitspraak blijkt.
NJ2016/3). Weliswaar geschiedt de uitgifte van een dergelijk proces-verbaal in executoriale vorm (art. 87 lid 3 Rv Pro) en vindt de afgifte plaats door het gerecht, maar
de rechter is niet noodzakelijkerwijs betrokken bij de totstandkoming van de in het proces-verbaal vastgelegde schikking. Op overeenkomstige grond geldt de verjaringstermijn van art. 3:324 BW Pro evenmin voor een in een (andere) authentieke akte vastgelegde overeenkomst, waarvan de grosse eveneens een voor tenuitvoerlegging vatbare titel oplevert (art. 430 lid 1 Rv Pro).
Daarentegen behelst het proces-verbaal van de verificatievergadering de vastlegging van het resultaat van de verificatie van vorderingen, die geschiedt na een inhoudelijke beoordeling van die vorderingen onder toezicht van de rechter-commissaris.”
Het verdient m.i. dan ook de voorkeur om, wanneer partijen op de zitting een schikking bereiken, meteen tijdens die zitting, in aanwezigheid van partijen, te komen tot een nauwkeurige formulering van de gemaakte afspraken, uitmondend in een mede door partijen ondertekend proces-verbaal op de voet van art. 89 lid 1 Rv Pro. [27] Als die nauwkeurige vastlegging om welke reden dan ook meer tijd vergt dan voor de zitting beschikbaar is, dan kan de zitting in voorkomend geval worden aangehouden. Opgemerkt zij dat art. 89 lid 1 Rv Pro, evenals art. 30m KEI-Rv (waaruit het is overgenomen; zie de voetnoot hiervoor onder 2.4), de mogelijkheid lijkt te bieden om een proces-verbaal van schikking op te maken indien partijen de schikking niet tijdens een mondelinge behandeling bereiken. [28]
De voorzitterschorst daarop de mondelinge behandeling voor overleg in raadkamer.
toedelingvan de lijfrentepolis.
uitlegvan de tussen partijen bereikte overeenstemming onbegrijpelijk is, omdat de toedeling van de lijfrentepolis aan de vrouw (in deze procedure) niet in geschil was, faalt de klacht, nu deze miskent dat partijen vrij zijn in hetgeen zij in hun schikking willen betrekken en daarbij niet zijn gebonden aan de grenzen van de rechtsstrijd en het feit dat partijen – in de uitleg van het hof – daarbij iets hebben betrokken dat in deze procedure niet in geschil was, die uitleg nog niet onbegrijpelijk maakt.
Het hof heeft gezien de gang van zaken als geschetst in het proces-verbaal omtrent de verrekening, het vervallen van de verrekenlijst en het bedrag van de lijfrente van ongeveer € 20.000,- - de afspraak opgevat als vastgelegd, namelijk dat afgesproken is dat de lijfrentepolis aan de man wordt toebedeeld en hij in dat kader nog een bedrag van € 1.000,- aan de vrouw zal voldoen. De in het proces-verbaal vastgelegde opmerking van mr. Van Steensel ter zitting dat partijen over de lijfrente geen beslissing willen heeft het hof aldus opgevat dat de aldus getroffen regeling meebracht dat geen beslissing meer nodig was op het door hem opgeworpen fiscale punt.
Verder klaagt het onderdeel dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door zich buiten de grenzen van de rechtsstrijd te begeven. Toedeling aan de man was in hoger beroep immers niet meer aan de orde. Volgens het onderdeel kan het hof niet eenzijdig de gemaakte afspraken zo interpreteren dat hierdoor de grenzen van de rechtsstrijd worden overschreden, althans niet zonder dat partijen daar ondubbelzinnig in hebben toegestemd. Voor zover het hof een dergelijke toestemming uit de stukken (of, A-G) uit het verhandelde ter zitting heeft opgemaakt, is dat onbegrijpelijk, nu dat niet blijkt uit de inhoud van het proces-verbaal.
Tot slot klaagt het onderdeel dat, mocht het hof hebben gemeend dat de vrouw de onherroepelijk geworden toedeling van de polis aan haar heeft willen prijsgeven, dit onjuist of onbegrijpelijk is. Het onderdeel wijst er daarbij op dat voor afstand van recht immers sprake moet zijn van een verklaring die is gericht op de aan afstand van recht verbonden rechtsgevolgen en dat dit niet snel mag worden aangenomen. Volgens het onderdeel heeft het hof nagelaten te onderzoeken of de vrouw met de afspraak in het proces-verbaal heeft bedoeld dat zij deze toedeling daadwerkelijk heeft willen prijsgeven. [37] Dat klemt temeer, aldus het onderdeel, daar het hof de afspraken niet schriftelijk ter zitting heeft vastgelegd, hetgeen tot terughoudendheid noopt bij de interpretatie daarvan.
verkeerdis toegepast, levert geen doorbrekingsgrond op. [39]
over de band vande motivering die het hof daarvoor heeft gegeven in zijn beschikking van 24 juni 2020.