ECLI:NL:PHR:2021:857

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
22 september 2021
Zaaknummer
20/02880
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33c SrArt. 36b SrArt. 552b SvArt. 1 EP EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering afwijzing geldelijke tegemoetkoming na onttrekking auto aan verkeer

De zaak betreft een verzoek van de klaagster tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming na onttrekking aan het verkeer van een Volkswagen Golf die op haar naam stond en die zij via Marktplaats had gekocht. Het hof had dit verzoek afgewezen omdat de auto gestolen onderdelen bevatte en de klaagster het risico daarvan zelf droeg.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het risico van aankoop via Marktplaats leidt tot afwijzing van de tegemoetkoming, terwijl de auto op naam van de klaagster stond en zij niet als verdachte in het strafrechtelijk onderzoek betrokken was. De Hoge Raad benadrukt het proportionaliteitsvereiste uit art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM en de jurisprudentie van het EHRM.

De conclusie van de procureur-generaal is dat beide middelen van cassatie slagen, dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld over het eigendom en de proportionaliteit, en dat de beschikking vernietigd moet worden en de zaak terug moet naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling op het bestaande beklag.

De zaak illustreert het belang van een zorgvuldige belangenafweging en motivering bij de toekenning van een geldelijke tegemoetkoming na onttrekking aan het verkeer, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval en het eigendomsrecht van de verzoeker.

De Hoge Raad bevestigt hiermee de bescherming van eigendomsrechten en het proportionaliteitsbeginsel bij strafrechtelijke onttrekkingen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/02880 B
Zitting28 september 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klaagster.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Het gerechtshof Amsterdam heeft - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad [1] - bij beschikking van 3 september 2019 het verzoek tot toekenning van een geldelijke vergoeding in verband met de onttrekking aan het verkeer ex art. 552b Sv van de onder de klaagster inbeslaggenomen Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] afgewezen.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaak 20/01614B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. R. Jonkers, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. De middelen keren zich tegen de afwijzing van het verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in art. 36b jo 33c Sv.

2.Procesverloop

2.1.
Uit de gedingstukken blijkt het volgende procesverloop:
(i) Op 15 april 2014 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 1] , de broer van de klaagster, op de voet van art. 94 Sv Pro onder de klaagster een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] in beslag genomen.
(ii) [betrokkene 1] is op 22 juli 2016 door het hof veroordeeld ter zake van diefstal, gewoontewitwassen en gewoonteheling van auto’s, diefstal van kentekenplaten en gewoontewitwassen van auto-onderdelen. Daarbij is tevens de onttrekking aan het verkeer van voornoemde Volkswagen Golf bevolen.
(iii) Op 20 oktober 2016 heeft de klaagster een klaagschrift ex art. 552b Sv ingediend en verzocht de onttrekking aan het verkeer te herroepen en de Volkswagen Golf aan haar te doen teruggeven. Subsidiair is verzocht om een tegemoetkoming als bedoeld in art. 36b jo 33c Sv.
(iv) Het hof heeft het klaagschrift op 31 maart 2017 ongegrond verklaard.
(v) Tegen deze beschikking is namens de klaagster beroep in cassatie ingesteld.
(vi) De Hoge Raad heeft op 19 februari 2019 de beschikking van het hof vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin niet is beslist op het subsidiaire verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming, en de zaak teruggewezen.
(vii) Vervolgens heeft het hof dit verzoek op 3 september 2019 afgewezen. Tegen deze beschikking is het cassatieberoep gericht.

3.De bestreden beschikking

3.1.
De zaak is na terugwijzing op 23 juli 2019 in raadkamer behandeld. Het hof heeft hetgeen door partijen is aangevoerd in zijn beschikking van 3 september 2019 als volgt samengevat:
“Standpunt klaagster
Klaagster stelt dat zij onevenredig in haar belangen is geschaad door de onttrekking aan het verkeer van de aan haar toebehorende auto. De auto heeft zij op rechtmatig wijze verkregen via Marktplaats. Voor de auto is € 8.500,00 betaald. Op geen enkele wijze heeft zij verwijtbaar gehandeld en uit niets blijkt dat klaagster wetenschap had van gestolen onderdelen in haar auto. Het interieur en het navigatiesysteem waren reeds bij aanschaf in de auto.
Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat de auto toebehoort aan [betrokkene 1] doch dat indien tot het oordeel wordt gekomen dat de auto aan klaagster toebehoort, termen aanwezig zijn voor een geldelijke vergoeding.”
3.2.
In aanvulling op de door het hof weergegeven standpunt van de klaagster maak ik nog melding van de inhoud van de volgende stukken.
Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 3 maart 2017:
‘’De klaagster verklaart op de vragen van het hof, de advocaat-generaal en de advocaat als volgt:
Het is bij ons gebruikelijk dat we onze spullen uitlenen. Ten behoeve van mijn werk gebruikte ik de Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken] . Mijn broer, [betrokkene 3] , gebruikte mijn auto nadat ik klaar was met werken. (…)
Ongeveer twee maanden later heb ik via Marktplaats de eerdergenoemde Volkswagen Golf gekocht. (…)
Voor de aanschaf van de eerdergenoemde Volkswagen Golf heb ik een bedrag van € 8.500,00 betaald. (…) In januari 2014 heb ik de onderhavige Volkswagen Golf gekocht. (…) Op de dag van de aanhouding reed ik inderdaad in de Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken] . (…)
Ik heb de Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken] in dezelfde staat gekocht zoals deze door de politie in beslag is genomen. Het interieur en het navigatiesysteem zaten bij aanschaf van de Volkswagen Golf al in de auto. De auto is niet door mijn broer [betrokkene 1] gerepareerd. De schade was niet zichtbaar. Ik heb aan mijn broer [betrokkene 1] niets betaald om de auto te repareren. (…)
Voorts vraagt de advocaat zich hardop af waaruit blijkt dat de Volkswagen Golf meer toebehoorde aan [betrokkene 1] dan aan de klaagster.
De klaagster verklaart op de vragen van het hof als volgt:
Mijn broer [betrokkene 1] gebruikte mijn Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken] niet. Mijn andere broer [betrokkene 3] gebruikte die auto wel regelmatig. Met mijn jongere broer heb ik een betere band. [betrokkene 1] had zelf een auto tot zijn beschikking en bovendien reed hij vaak in de auto’s van klanten. (…)’’
Uit de pleitnotitie die is overgelegd in raadkamer van 23 juli 2019: [2]
Cliënte stelt dat zij de eigenaar van de Golf is omdat zij hem in januari 2014 via marktplaats aangeschaft heeft. [3] Zij heeft daar destijds een bedrag van € 8.500 voor betaald. [4]
De auto stond ook op haar naam. [5] Zij heeft op zitting verklaard dat de Volkswagen Golf reeds bij
haar aanschaf op Marktplaats het (gestolen) navigatiesysteem bevatte, evenals het gestolen
interieur.
Zij heeft er nooit weet van gehad dat de Golf deze gestolen goederen bevatte, noch dat [betrokkene 1]
hier mogelijk bij betrokken is geweest. Wel verklaart zij dat zij de Golf regelmatig aan
haar broertje [betrokkene 3] heeft uitgeleend, maar dat de auto dus nooit feitelijk bij [betrokkene 1]
in gebruik is geweest, anders dan wat door de advocaat-generaal wordt betoogd.
(..) Het feit dat cliënte familie is van [betrokkene 1] betekent nog niet dat zij op de hoogte was van zijn handelen, De onder mij aanwezige stukken bevatten ook geen aanknopingspunten öp basis waarvan geconcludeerd kan worden dat cliënte bij het handelen van [betrokkene 1] betrokken is geweest of daar weet van heeft gehad. Hetzelfde geldt over de herkomst van de gestolen onderdelen in haar auto, wat immers voor een leek niet kenbaar is.
Kort samengevat is cliënte dus onevenredig in haar belangen geschaad nu de auto die zij voor
€ 8.500 op marktplaats heeft aangeschaft onttrokken is aan het verkeer. Daarmee is een geldelijke tegemoetkoming van in ieder geval het aankoopbedrag op zijn plaats.”
3.3.
Het hof heeft het verzoek afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
“Beoordeling
Klaagster heeft haar stellingen niet, althans onvoldoende met stukken onderbouwd. Alleen al om die reden is niet gebleken dat zij door de onttrekking aan het verkeer onevenredig is getroffen.
Bovendien stelt klaagster dat zij de auto heeft gekocht op Marktplaats en dat zij niets aan de auto heeft laten veranderen. Uit het dossier blijkt dat het interieur en het navigatiesysteem van de auto gestolen onderdelen betreffen. In dat geval heeft klaagster een auto met gestolen onderdelen gekocht. Zij heeft daarbij een risico genomen dat voor haar rekening komt.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat klaagster door de onttrekking aan het verkeer niet onevenredig is getroffen en ziet het hof geen reden voor een geldelijke tegemoetkoming.”

4.Volgorde van bespreking van de middelen

4.1.
Het eerste middel richt zich tegen de afwijzing van de geldelijke tegemoetkoming. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat de stellingen van de klaagster met betrekking tot het eigendom van de auto niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd met stukken, zodat het verzoek tot toekenning van een geldelijke vergoeding reeds om die reden moet worden afgewezen.
Ik zal eerst het tweede middel bespreken omdat op grond van art. 33c jo. 36b Sr een geldelijke tegemoetkoming uitsluitend kan worden toegekend aan de verdachte of een ander aan wie de aan het verkeer onttrokken voorwerpen toebehoren. Voorafgaand aan een beslissing over het toekennen of afwijzen van een geldelijke tegemoetkoming dient dus eerst te worden vastgesteld of de klaagster al dan niet als eigenaar kan worden aangemerkt.

5.Het tweede middel

5.1.
Ik acht de overweging van het hof dat de toekenning van een geldelijke compensatie moet worden afgewezen reeds omdat de stellingen van de klaagster over het eigendom van de auto niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd, niet zonder meer begrijpelijk.
5.2.
In de raadkamer van 23 juli 2019 is door de raadsman gewezen op het initiële klaagschrift van 20 oktober 2016 met bijlagen, waaronder een tenaamstellingsverslag van de RDW (bijlage 2). [6] Ook het hof is er in zijn beschikking kennelijk vanuit gegaan dat de Volkswagen Golf op naam van de klaagster is gesteld. Het is juist dat de overige stellingen van de klaagster, te weten dat zij de auto in januari 2014 via Marktplaats heeft gekocht en dat zij daar een bedrag van € 8.500,- voor heeft betaald niet met stukken zijn onderbouwd. Daar staat echter tegenover dat uit het proces-verbaal van de zitting van het hof blijkt dat de klaagster daar verklaard heeft dat de auto ten tijde van de inbeslagneming in haar bezit was. [7] Reeds op grond daarvan had het hof een vermoeden van eigenaarschap kunnen aannemen [8] , zeker in combinatie met de tenaamstelling. Over aanwijzingen die duiden op het tegendeel heeft het hof niets overwogen.
5.3.
Dat betekent dat het tweede middel slaagt.
5.4.
Voor het geval de Hoge Raad mij hierin niet volgt – het hof is immers in zijn beschikking alsnog uitgegaan van de stellingen van klaagster dat zij de auto heeft gekocht en eigenaar is – zal ik ook het eerste middel bespreken.

6.Het eerste middel

6.1.
Zoals gezegd komt het eerste middel op tegen de afwijzing van de geldelijke tegemoetkoming en de wijze waarop het hof deze afwijzing heeft gemotiveerd. De kern van de klacht is dat het hof ten onrechte heeft meegewogen dat het gelet op de door de klaagster gestelde omstandigheden voor risico van de klaagster komt dat zij een auto met gestolen onderdelen heeft gekocht en de klaagster daarom niet onevenredig in haar belangen is getroffen. Dit oordeel is in het licht van het in art. 1 EP Pro neergelegde proportionaliteitsbeginsel, alsmede wat daarover namens de klaagster is aangevoerd volgens de steller van het middel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
6.2.
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende uitgangspunten van belang. De geldelijke tegemoetkoming die de rechter ingevolge art. 33c, lid 2 Sr jo art. 36b, lid 2 Sr, kan toekennen is bedoeld om te voorkomen dat degene aan wie de aan het verkeer onttrokken voorwerpen toebehoren, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen. Of dat het geval is, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen, de waarde van het onttrokken voorwerp, alsmede het eventuele voordeel dat de Staat na de onttrekking met betrekking tot dat voorwerp verkrijgt, bijvoorbeeld door de verkoop van (onderdelen) daarvan. [9]
6.3.
Die regeling geeft invulling aan het in art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM (EP) besloten liggende proportionaliteitsvereiste. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat, wanneer een inbreuk op het eigendomsrecht een ‘individual and excessive burden’ op de betrokken persoon legt, geen sprake is van de ‘fair balance’ die op grond van art. 1 EP Pro dient te bestaan tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds. Bij de vraag of sprake is van een ‘individual and excessive burden’ kan de wijze waarop de persoon aan wie het voorwerp toebehoort zich heeft gedragen worden betrokken. [10] In de zaak Van G.I.E.M. S.R.L. e.a. tegen Italië [11] waarbij het ging om confiscatie van land in het kader van een strafzaak, verwoordde de Grote Kamer van het EHRM, het als volgt:
“301. The following factors may be taken into account in order to assess whether the confiscation was proportionate: the possibility of less restrictive alternative measures such as the demolition of structures that were incompatible with the relevant regulations or the annulment of the development plan; the unlimited nature of the sanction, as it affected both developed and undeveloped land, and even areas belonging to third parties;
and the degree of culpability or negligence on the part of the applicants or, at the very least, the relationship between their conduct and the offence in question [onderstreping AG TS].
6.4.
Het oordeel van het hof berust op de redenering dat door het kopen van een auto via Marktplaats, het risico dat achteraf blijkt dat de auto gestolen onderdelen bevat voor rekening van de klaagster komt, dat daardoor de klaagster door de onttrekking aan het verkeer van deze auto niet onevenredig getroffen is en dus geen recht heeft op een geldelijke tegemoetkoming.
6.5.
Dat het kopen van een auto via Marktplaats zonder meer kan worden aangemerkt als een zekere vorm van verwijtbaarheid (culpability or negligence) aan de zijde van de klaagster waarop het EHRM in de hierboven geciteerde uitspraak doelt, lijkt mij te ver gaan.
6.6.
Ik ben de mening toegedaan dat de motivering van het hof de beslissing om de klaagster geen geldelijke tegemoetkoming toe te kennen niet kan dragen. Daarbij weegt mee dat de auto ten tijde van de inbeslagneming in het bezit was van de klaagster, op haar naam stond geregistreerd en zij in het strafrechtelijk onderzoek naar haar broer niet als verdachte is aangemerkt. De enkele vaststelling van het hof dat het voor risico van de klaagster is als zij via Marktplaats een auto koopt met gestolen onderdelen is naar mijn mening onvoldoende om de belangenafweging in het nadeel van de klaagster te laten uitvallen.
6.7.
Het eerste middel slaagt ook.

7.Conclusie

7.1.
Beide middelen slagen.
7.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar het hof Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2019:196, 17/02533B , NJ 2019/329 m.nt. T. Kooijmans. Vernietiging beslissing maar uitsluitend voor zover daarin niet is beslist op het verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming en terugwijzing.
2.Inclusief voetnoten, alleen de nummering luidt anders.
3.Zie PV terechtzitting 3 maart 2017.
4.Zie PV terechtzitting 3 maart 2017.
5.Zie de tenaamstelling die eveneens bij mijn klaagschrift van 20 oktober 2016 gevoegd is.
6.De enige andere bijlage die bij het klaagschrift is gevoegd (bijlage 1) betreft het arrest van de strafzaak tegen [betrokkene 1] , waarbij de onderhavige auto is onttrokken aan het verkeer. Overigens heb ik bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken de tenaamstelling (bijlage 2) niet aangetroffen. Waarschijnlijk is deze in het ongerede geraakt.
7.Zie onder 3.2: de auto is door de politie onder de klaagster in beslaggenomen op een moment dat zij in die auto reed.
8.Zie ook recentelijk: EHRM 24 juni 2021, 77668/14, Imeri tegen Kroatië, par. 53.
9.HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156, NJ 2019/328 m nt. T. Kooijmans, rov 3.4.1., HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:403, NJ 2020/239, m.nt. G.J.M.E. de Bont, HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1454.
10.EHRM 24 oktober 1986, nr. 9118/80, Agosi tegen het Verenigd Koninkrijk, par. 54.
11.EHRM 28 juni 2018, nr. 1828/06, G.I.E.M. S.R.L. e.a. tegen Italië.