Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
22 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake een klaagschrift over beslaglegging door de douane op een auto van de klager waarin een verboden ruimte was aangetroffen. De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard, maar had nagelaten te beslissen op het subsidiaire verzoek om een geldelijke tegemoetkoming op grond van artikel 33c lid 2 Sr.
De Hoge Raad herhaalt de relevante wettelijke bepalingen uit de Algemene Douanewet en het Wetboek van Strafrecht en Strafvordering, waaronder dat inbeslaggenomen vervoermiddelen zonder rechtsvervolging aan de Staat vervallen tenzij de rechter anders beslist, en dat de rechter een geldelijke tegemoetkoming kan toekennen om onevenredige benadeling te voorkomen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank had moeten motiveren waarom zij het verzoek om geldelijke tegemoetkoming niet toekende, gelet op de omstandigheden van het geval en de belangen van de klager. Door dit verzuim is de beschikking onvoldoende gemotiveerd en vernietigt de Hoge Raad het bestreden besluit voor zover het niet op het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming beslist.
De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam voor een nieuwe behandeling en beslissing op dat punt. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank wegens het niet beslissen op het verzoek om geldelijke tegemoetkoming en wijst de zaak terug voor herbehandeling.