Conclusie
Nummer18/05078
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Het eerste middel
eerstemiddel behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat de verdachte en de medeverdachte destijds niet over (vast) werk en een inkomen beschikten en dat de verdachte opzet heeft gehad op het tenlastegelegde gebruik maken van valse geschriften en witwassen. De verwerping van een gevoerd verweer en/of de bewezenverklaringen zou(den) daardoor onvoldoende met redenen zijn omkleed.
onder 1bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander in de periode van 31 oktober 2000 tot en met 9 april 2001 telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste geschriften, te weten arbeidsovereenkomsten op naam van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gedateerd 31 oktober 2000 en werkgeversverklaringen op beider naam gedateerd 15 februari 2001. De valsheid bestond erin dat op de arbeidsovereenkomsten vermeld stond dat [I] uitzendbureau de werkgever was van de verdachte en de medeverdachte en dat de arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. De valsheid bestond er voorts in dat op de werkgeversverklaringen vermeld stond dat er geen voornemens waren het dienstverband binnenkort te beëindigen, dat 6 november 2000 de datum van indiensttreding was, alsmede dat het bruto jaarsalaris fl. 34.517,21 en de vakantietoeslag fl. 2.761,38 was.
onder 2bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander in de periode van 1 maart 2003 tot 16 april 2003 telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste geschriften, te weten werkgeversverklaringen op naam van de verdachte en de medeverdachte gedateerd 15 april 2003, intentieverklaringen op beider naam die op dezelfde datum gedateerd zijn en salarisspecificaties op beider naam. De valsheid bestond erin dat op de werkgeversverklaringen vermeld stond dat de werkgever [K] niet voornemens was het dienstverband binnenkort te beëindigen en dat [K] de werkgever was, dat op de intentieverklaringen vermeld stond dat de verdachte en/of de medeverdachte bij [K] in dienst waren vanaf 2 maart 2001 (
BFK: dat moet zijn 2 januari 2003) [4] op basis van een dienstverband voor bepaalde tijd en dat dit contract eindigde op 2 januari 2004, en dat op de salarisspecificaties was vermeld dat de verdachte van [K] een netto loon ontving van € 1350,-, uitbetaald op rekening [006] .
tweedemiddel behelst de klacht dat uit het arrest en de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen op welk bedrag of welke bedragen het onder 3 bewezenverklaarde ziet.
derdemiddel klaagt dat het hof heeft nagelaten de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg bij de strafoplegging te betrekken.
Primair: Niet ontvankelijkheid, enorme overschrijding van de redelijke termijn, feiten uit 2000, vonnis/beslissing uit juli 2012, inhoudelijke behandeling in november 2018.
Niet ontvankelijk verklaring van het OM.’
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte
vierdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in cassatie, in het bijzonder de inzendingstermijn.