Conclusie
1.De feiten
hof). [1]
[eiseressen]) [2] vormen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting; tezamen vormen zij de [Group] . De fiscale eenheid heeft omzetbelasting die zij over de tijdvakken augustus en september 2012 op aangifte had moeten voldoen niet betaald. De verschuldigde belasting is van haar nageheven door middel van twee naheffingsaanslagen.
2. Samenvatting van het verzoek
wijst u op de crises van 2008 en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor belanghebbende. Het onbetaald blijven van de, aan de beschikkingen aansprakelijkstelling, ten grondslag liggende belastingaanslagen is, in de opvatting van belanghebbende, niet aan hem toe te rekenen.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
Leidraad) niet hoger mogen zijn dan in totaal € 800,-- dan wel niet hoger dan € 11.393,-- dan wel niet hoger dan een in goede justitie vast te stellen bedrag.
rechtbank) een comparitie gelast, die heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018. Partijen hebben gepleit aan de hand van spreekaantekeningen en van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.
vonnis) heeft de rechtbank [eiseressen] niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat het verzoek van [eiseressen] om de betekeningskosten te verminderen ingevolge art. 75.4 Leidraad is aan te merken als een bezwaarschrift tegen de vaststelling van de betekeningskosten, hetgeen meebrengt dat de beslissing van de Ontvanger om dat verzoek af te wijzen (zie onder 1.5 hiervoor) een beslissing op bezwaar betreft en daarmee een voor beroep vatbare beslissing. Dit betekent dat een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan (bij de belastingrechter), zodat de burgerlijke rechter [eiseressen] in hun vordering niet kan ontvangen.
arrest) heeft het hof [eiseressen] alsnog ontvankelijk geacht in hun vordering en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarin anders was beslist. Naar ’s hofs oordeel staat tegen de beslissing van de Ontvanger tot afwijzing van het verzoek van [eiseressen] geen beroep bij de belastingrechter open, omdat die beslissing is gebaseerd op een ambtshalve beoordeling van de Ontvanger. Het hof heeft in dit verband overwogen:
3. Beoordeling
Beroepheeft hij aangegeven dat [eiseressen] hiertegen niet in beroep kan.
[vet gemaakt en gecursiveerd in origineel, A-G]
3.De bespreking van het cassatiemiddel
NJ-annotatie van M. Scheltema onder dat arrest: [7]
Ingevolge art. 1 Kostenwet Pro invordering rijksbelastingen (hierna: de
Kostenwet) worden voor de werkzaamheden van de Ontvanger en de belastingdeurwaarder kosten in rekening gebracht overeenkomstig het in die wet bepaalde, zulks in afwijking van de afdelingen 4.4.4 en 4.4.5 van de Algemene wet bestuursrecht. [9] De Kostenwet hanteert forfaitaire bedragen, die, kort gezegd, volgens de rechtspraak van (de belastingkamer van) de Hoge Raad ook in rekening gebracht mogen worden voor zover zij in het concrete geval meer bedragen dan de werkelijke kosten die aan het verrichten van de desbetreffende invorderingswerkzaamheden verbonden zijn en de rechter geen ruimte laten om de proportionaliteit ervan te toetsen. [10] In de onderhavige zaak gaat het om art. 3 Kostenwet Pro, dat in 2013 (het jaar waarin de dwangbevelen aan [eiseressen] werden betekend) [11] bepaalde dat voor het betekenen van een dwangbevel verschuldigd was € 38,--, te verhogen met € 3,-- van elk geheel bedrag van € 45,-- waarmee de gevorderde som een bedrag van € 45,-- te boven ging, met een maximum van € 11.393,--. [12] Dienovereenkomstig heeft de belastingdeurwaarder [13] aan elk van de acht vennootschappen, die tezamen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormden en deswege elk hoofdelijk aansprakelijk waren voor de omzetbelastingschuld, [14] het maximumbedrag in rekening gebracht. In enkele gevallen hanteert de Ontvanger - niettegenstaande het forfaitaire stelsel van de Kostenwet, [15] en daarmee invulling gevend aan de op hem ingevolge art. 3:4 Awb Pro rustende plicht om de betrokken belangen af te wegen en de nodige evenredigheid te betrachten [16] - het beleid om geen vervolgingskosten in rekening te brengen of deze kosten niet verschuldigd te achten (art. 75.5 en 75.6 Leidraad). Dit geldt ook voor de kosten verbonden aan de werkzaamheden van de belastingdeurwaarder (art. 75 aanhef Pro Leidraad). Het begunstigende beleid van de Ontvanger houdt voorts in dat hij ingevolge art. 75.11 Leidraad de betekeningskosten limiteert tot een bedrag van € 11.246,-- (in 2013), [17] indien op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige dwangbevelen worden betekend en de betekeningskosten dat bedrag in totaal zouden overstijgen. Ten slotte geeft art. 75.7 Leidraad een beleidsregeling voor het geval waarin, kort gezegd, de belastingschuldige in betalingsonmacht heeft verkeerd én invordering van de vervolgingskosten in het gegeven geval onredelijk en onbillijk is:
Art. 7 lid 1 Kostenwet Pro voorziet erin dat de belastingschuldige via een bestuursrechtelijke rechtsgang kan opkomen tegen de door de Ontvanger of de belastingdeurwaarder in rekening gebrachte vervolgingskosten. Indien - zoals in de onderhavige zaak [18] - de belastingdeurwaarder een (of meerdere) dwangbevel(en) heeft betekend en daarbij kosten heeft berekend, kan de belastingschuldige ter zake administratief beroep instellen bij de Ontvanger [19] en staat tegen de uitspraak van de Ontvanger beroep en hoger beroep open bij de belastingrechter en cassatie bij de belastingkamer van de Hoge Raad (art. 26, 27h en 28 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna:
AWR)). In de onderhavige zaak heeft, naar ’s hofs vaststelling in rov. 3.4 (in cassatie onbestreden), en kort gezegd, de Ontvanger in zijn brief aan [eiseressen] van 10 april 2017:
nietdat als achteraf bezien sprake is van een onmiskenbaar onjuiste aanslag, de inspecteur
zonder meerverplicht is tot ambtshalve vermindering. Een dergelijk automatisme zou ook niet te rijmen zijn met het onder (ii) vermelde uitgangspunt dat een onherroepelijke beschikking in beginsel voor juist moet worden gehouden [dat in rov. 5 onder (ii) vermelde uitgangspunt luidt: “Niet in geschil is dat de onderliggende in het geding zijnde aanslagen onherroepelijk zijn en dat het hof deze aanslagen dus in beginsel voor juist moet houden (formele rechtskracht). Het is mogelijk dat de aan de formele rechtskracht verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend zijn dat hierop, gegeven de bijzonderheden van de gegeven situatie, een uitzondering moet worden aanvaard. Uit vaste rechtspraak volgt dat dit niet snel het geval is”, A-G]. Het komt er in zo’n geval op aan of de inspecteur in redelijkheid tot de weigering heeft mogen komen, met inachtneming van de betrokken belangen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit is een marginale toets, waarbij terughoudendheid past.”
Wat het hof m.i. tot uitdrukking brengt in de door het onderdeel aangevallen overweging in rov. 3.7, eerste alinea, derde zin van het arrest, in het bijzonder met de verwijzing naar “onmiskenbaar onjuist was” (en dat Hoge Raad-arrest van 8 juli 1993), is dat het ter zake acht moet slaan op de feiten en omstandigheden van het geval, maar, als restrechter in civilibus, de Ontvanger eerst kan verplichten tot ambtshalve vermindering van de in rekening gebrachte vervolgingskosten als, kort gezegd, de beslissing de kosten niet te verminderen, mede in het licht van art. 75.7 Leidraad, [29] niet bestand is tegen de hier aan te leggen toets waaraan een zekere beperking/begrenzing inherent is en waarbij dan ook een dito terughoudende rechterlijke opstelling past, want neerkomend op de vraag of sprake is van een beslissing die
kennelijk- in de zin van duidelijk, ontegenzeggelijk, klaarblijkelijk, oftewel onmiskenbaar - onjuist is (welke vraag het hof dus gemotiveerd ontkennend beantwoordt). [30] , [31] Daarmee heeft het hof, gelet op het voorgaande, en anders dan het onderdeel aanvoert, [32] wat mij betreft in het onderhavige geval geen “onjuiste (en veel te strenge)” toets aangelegd (dus voor [eiseressen] te streng), wat insluit dat het hof, kort gezegd, de voorliggende “concrete beslissing” van de Ontvanger niet nog weer verdergaand (in de zin van strenger voor de Ontvanger) hoefde te toetsen dan het, in het bijzonder in rov. 3.6-3.7, concreet doet (mede) aan de hand van criteria, doel en strekking van art. 75.7 Leidraad, [33] zoals bedoeld in het onderdeel. [34] Hieraan doet niet af dat genoemd Hoge Raad-arrest van 8 juli 1993 een andere situatie betrof dan de onderhavige, nu de in dat arrest gevolgde benadering, zoals nadien toegepast in onder meer dat betrekkelijk recente arrest van het gerechtshof Den Haag, zich naar de aard niet beperkt tot zo’n specifieke situatie als in dat arrest uit 1993 aan de orde en ook laat doortrekken naar een geval als het onderhavige (daarop toegespitst), waarin [eiseressen] , naar het hof ook heeft onderkend in rov. 3.7, eerste alinea, eerste zin, niet binnen de daarvoor geldende termijnen op de voet van art. 7 lid Pro 1, eerste zin Kostenwet rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de (door de belastingdeurwaarder) in rekening gebrachte vervolgingskosten en in de kern bezwaren opwerpen tegen de gemotiveerde ambtshalve beslissing van de Ontvanger tot afwijzing van hun verzoek tot vermindering van die kosten naar een bedrag van maximaal € 11.393,--. Dat, naar het onderdeel nog aanvoert, de Ontvanger het aldus “(bijna) nooit fout” kan doen, gaat aan dit een en ander ten onrechte voorbij, met inbegrip van het gegeven, naar het hof niet heeft miskend in rov. 3.7, eerste alinea, tweede zin, dat als [eiseressen] wel binnen de daarvoor geldende termijnen op de voet van art. 7 lid Pro 1, eerste zin Kostenwet rechtsmiddelen hadden aangewend tegen de (door de belastingdeurwaarder) in rekening gebrachte vervolgingskosten, en zij vervolgens beroep bij de belastingrechter hadden ingesteld (de ter zake primair aangewezen rechter), zij in dat geval in dat kader, binnen de daar geldende mogelijkheden (wat het hof kortweg noemt: “ten volle”), de vraag hadden kunnen laten toetsen of de Ontvanger overeenkomstig de wet en art. 75.7 Leidraad of in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur tot vermindering van die kosten had moeten besluiten. [35] Het door het onderdeel - overigens zonder verdere toelichting [36] - verder nog gedane beroep op de
NJ-annotatie van Scheltema onder dat Hoge Raad-arrest [37] (“Zie ook”, etc.) resulteert evenmin in een andere uitkomst, reeds omdat nergens uit blijkt dat het hof bij die beoordeling van de voorliggende “concrete beslissing” van de Ontvanger geen acht heeft geslagen op de door Scheltema genoemde aspecten zoals geciteerd in het onderdeel, [38] waarbij zij aangetekend dat het onderdeel zelf alleen uitgaat van een toetsing “aan de hand van de criteria van art. 75, lid 7, LI en doel en strekking van art. 75, lid 7, LI”, en ook door Scheltema wordt gerekend met een passend terughoudende opstelling door de burgerlijke rechter als restrechter ter zake wanneer zijn annotatie als geheel wordt bezien, hetgeen het onderdeel niet doet. [39] Bij deze stand van zaken, waaruit volgt dat de door het onderdeel verdedigde opvatting, die door het hof niet is gehuldigd, geen steun vindt in het recht, valt niet in te zien dat ’s hofs door het onderdeel bestreden oordeel in rov. 3.7, eerste alinea, derde zin wel blijk zou geven van een ontoereikende motivering zoals bedoeld in het onderdeel (“danwel is een en ander onvoldoende gemotiveerd”), wat verder ook van iedere toelichting verstoken is gebleven. [40] Hierop stuit het onderdeel af.
Voor zover het onderdeel voortbouwt op onderdeel 1.1, dat faalt, deelt het in het lot daarvan. Zie onder 3.3 hiervoor. Dit betreft dan in het bijzonder de (rechts)klacht inzake “de onjuiste toets” die het hof aangelegd zou hebben (zoals bestreden door onderdeel 1.1) en het daaruit voortvloeiende oordeel van het hof in rov. 3.7 van het arrest zoals bedoeld in en bestreden door het onderdeel (eerste zin, volgend op het citaat uit rov. 3.7).
Voor zover het onderdeel wat betreft de daarin vervatte motiveringsklacht (“Mocht dit oordeel wel een concrete toetsing van de beslissing van de Ontvanger aan het beleid inhouden”, etc.) veronderstelt dat het hof in zijn door het onderdeel bestreden oordeel in rov. 3.7 is uitgegaan van de (juiste) toets zoals voorgestaan door onderdeel 1.1, gaat het onderdeel uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag: die door onderdeel 1.1 verdedigde opvatting is door het hof immers niet gehuldigd. Zie onder 3.3 hiervoor.
onder (ii)aanvoert, en blijkens rov. 3.6 ook door het hof in zijn beoordeling is betrokken: [48] nog daargelaten dat de daarin bedoelde melding van betalingsonmacht en wetenschap ter zake bij de Ontvanger primair betekenis heeft voor de bestuurdersaansprakelijkheid van art. 36 Invorderingswet Pro 1990 (dus niet zozeer in dit verband), het daarin aangevoerde staat naar de aard niet in de weg aan ’s hofs vaststelling in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin dat [eiseressen] “bewust ervoor hebben gekozen” die ontvangen omzetbelasting ad € 832.000,-- aan te wenden “voor de voldoening van andere schulden” dan die onderliggende omzetbelastingschuld ad € 1.010.215,--, wat meebrengt dat zij ter zake niet, althans niet in de vereiste mate, in omstandigheden verkeerden die het hen feitelijk onmogelijk maakten om tijdig hun verplichtingen na te komen, zoals bedoeld in art. 75.7 Leidraad (waarover ook hiervoor, alsmede onder 3.11 en 3.13 hierna). [49] Gelet hierop leidt ook hetgeen het onderdeel
onder (iii) en (iv)aanvoert, [50] en blijkens rov. 3.6 ook door het hof in zijn oordeel is betrokken, [51] niet tot een andere uitkomst, omdat dit naar de kern genomen (slechts) betrekking heeft op, wat art. 75.7 Leidraad noemt, de onredelijkheid en onbillijkheid van de invordering van de vervolgingskosten (“en bovendien de invordering van de vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke geval - onredelijk en onbillijk is”), terwijl het in art. 75.7 Leidraad gaat om cumulatieve criteria (“bovendien”, etc.), zodat steeds ook is vereist, [52] in de woorden van art. 75.5 Leidraad, dat “de belastingschuldige aantoont in omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen”, hetgeen, naar ook blijkt uit ’s hofs vaststelling in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin, [eiseressen] dus niet, althans niet in de vereiste mate, hebben kunnen aantonen. Daarmee valt ook het doek voor hetgeen het onderdeel
onder (i)aanvoert, [53] en blijkens rov. 3.6 ook door het hof in zijn oordeel is betrokken, [54] reeds nu daaruit niet kan volgen dat [eiseressen] wel (in de vereiste mate) in omstandigheden verkeerden die het hen feitelijk onmogelijk maakten om tijdig hun verplichtingen na te komen, zoals bedoeld in art. 75.7 Leidraad. Dat behoeft verder geen betoog. Ten aanzien van hetgeen het onderdeel
onder (v)nog aanvoert, geldt dat dit: ofwel enkele algemene stellingen betreft (geen concrete feiten en omstandigheden), [55] die blijkens rov. 3.6 ook door het hof in zijn beoordeling zijn betrokken, [56] waarvan (ook met inachtneming van het in het onderdeel onder (i) t/m (iv) aangevoerde) zonder toelichting, die (ook) in het onderdeel ontbreekt, niet valt in te zien waarom deze het door het onderdeel bestreden oordeel van het hof in rov. 3.7 ontoereikend gemotiveerd zouden doen zijn; ofwel betrekking heeft op art. 75.11 Leidraad, [57] welke - van art. 75.7 Leidraad te onderscheiden - bepaling ziet op een wezenlijk andere situatie dan zich in de onderhavige zaak voordoet (want het geval waarin op dezelfde dag aan een en dezelfde belastingschuldige meerdere dwangbevelen worden betekend, en alsdan slechts eenmaal het maximumtarief is verschuldigd) en waarop [eiseressen] zich, blijkens ’s hofs in cassatie onbestreden oordeel in rov. 3.3 en 3.6 (waarop rov. 3.7 voortbouwt), in feitelijke instantie niet (ook) hebben beroepen, waaruit volgt dat het onderdeel ook in zoverre spaak loopt.
Hierop stuit het onderdeel af.
NJ-annotatie van Scheltema onder het Hoge Raad-arrest van 8 juli 1993, opmerkt dat de toetsing door de rechter van de Leidraadbepalingen immers mogelijk is omdat het beleid is gebaseerd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, opmerkt dat ook de civiele rechter (en niet alleen de belastingrechter) de uitlegging van het beleid en de concrete beslissing van de Ontvanger moet toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en (“Zie ook”, etc.) een zin uit art. 1.1.5 Leidraad [58] citeert. “Dit klemt temeer”, zo vervolgt het onderdeel, nu [eiseressen] expliciet hebben aangegeven dat de gemaakte invorderingskosten door het betekenen van deze acht separate dwangbevelen volstrekt onnodig waren, gevolgd door een citaat uit “de spreekaantekeningen zijdens [eiseressen] bij de rechtbank” [59] waarin volgens het onderdeel “duidelijk een beroep [wordt] gedaan op het ‘beginsel van de minste pijn’ (ook een beginsel van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) die de Ontvanger moet toepassen bij de invordering van belastingschulden, aan welk beginsel ook kan worden getoetst in het kader van het beroep op art. 75.7 Leidraad, wat ook volgt uit art. 3:4 lid 2 Awb Pro. De Ontvanger heeft de plicht de voor betrokkenen minst belastende wijze van invorderen te bewandelen en dient ook rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de acht aansprakelijkgestelden (onder andere om niet een extra € 91.144,-- te moeten betalen). Ook daaraan is niet getoetst, aldus nog steeds het onderdeel.
Het onderdeel klaagt naar de kern genomen dat het hof, blijkens het bestreden oordeel in rov. 3.7, eerste alinea, tweede zin van het arrest, blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat de burgerlijke rechter die als restrechter de onderhavige ambtshalve beslissing van de Ontvanger beoordeelt in dat verband niet (ook) toetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, anders dan de belastingrechter. [60] Daarmee gaat het onderdeel, dat die lezing van dat oordeel van het hof in rov. 3.7 welbeschouwd enkel stelt zonder verdere onderbouwing daarvan, uit van een verkeerde lezing van het arrest, waardoor het feitelijke grondslag mist.
Hierop stuit het onderdeel af.
[eiseressen] hebben zich in feitelijke instanties (onder meer) beroepen op art. 75.7 Leidraad en aangevoerd dat “de [Group] ” door de gevolgen van de financiële crisis in zwaar weer was gekomen en met name in de jaren 2011 t/m 2013 door overmacht niet in staat was om aan haar belastingverplichtingen te voldoen. [66] In zijn conclusie van antwoord (dus in eerste aanleg) heeft de Ontvanger onder meer gesteld, kort gezegd, dat “het bestuur van de [Group] ” ervoor koos om de omzetbelastingcomponent van de ontvangen koopsom van de kranen (in het kader van de sale-and-lease-back-transactie) niet aan te wenden om de omzetbelasting te voldoen, maar om andere betalingen te verrichten, zodat van overmacht geen sprake was. [67] Uit de gedingstukken blijkt niet van enige (laat staan gemotiveerde) betwisting door [eiseressen] van deze stelling van de Ontvanger, en daarnaar verwijst het subonderdeel ook niet. Dit sluit in dat [eiseressen] zich er evenmin op hebben beroepen dat slechts één (of enkele) van de vennootschappen die samen [eiseressen] vormen deze gedragslijn heeft (hebben) gevolgd, meer in het bijzonder de bewuste betalingen heeft (hebben) gedaan, en de overige niet. Integendeel, [eiseressen] hebben in feitelijke instanties steeds gesproken van “de [eiseres 1] Group” (of een variant daarop, zoals “de betreffende [vennootschappen] ”), zonder kenbaar op enige betekenisvolle, relevante wijze te onderscheiden tussen de individuele vennootschappen die tezamen deze groep uitmaakten. [68] Zij hebben, zij het in een wat ander verband, juist ook benadrukt dat sprake was van “samenhang tussen de belastingschuldigen” en zelfs van “dezelfde belastingschuld ten name van één belastingschuldige, te weten de fiscale eenheid [Group] ”. [69] Tegen deze achtergrond moet worden bezien ’s hofs oordeel in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin van het arrest dat tussen partijen (als onvoldoende betwist) vaststaat dat, kort gezegd, de onderliggende omzetbelastingschuld grotendeels ziet op verschuldigde omzetbelasting in verband met de verkoop van een aantal kranen, waarbij de ontvangen omzetbelasting (de omzetbelastingcomponent van de ontvangen koopsom) door “ [eiseressen] ” (waarmee het hof doelt op de acht appellanten) bewust is gebruikt voor de voldoening van andere schulden. Bij het genoemde ontbreken van een relevante feitelijke betwisting zijdens [eiseressen] van genoemde stellingname van de Ontvanger, [70] welke uitleg van de gedingstukken door het hof blijkens het voorgaande geenszins onbegrijpelijk is, had het hof daarvan uit te gaan (vgl. art. 149 lid 1 Rv Pro) en is aldus ten aanzien van ieder van de acht betrokken vennootschappen (die tezamen de groep [eiseressen] vormen) deze gedragslijn, met inbegrip van de bewuste betalingen, komen vast te staan. Overigens maakt ook het subonderdeel niet duidelijk om welke specifieke, te onderscheiden vennootschap(pen) het dan wel of niet zou zijn gegaan. [71] Dit maakt dat hetgeen het subonderdeel aanvoert niet meebrengt dat ’s hofs oordeel in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin als rechtens onjuist of ontoereikend gemotiveerd valt aan te merken. ’s Hofs oordeel ter zake sluit dan immers naadloos aan op het partijdebat, zoals geenszins onbegrijpelijk verstaan door het hof. En van een in dat verband ‘over het hoofd zien’ dat de sale-and-lease-back-transactie plaatsvond bij slechts één van de acht vennootschappen is dan immers geen sprake, noch doet zich dan voor dat de “desbetreffende redenering” van het hof hooguit één van de acht aansprakelijkgestelden dekt, of een miskenning dat ieder van de aansprakelijkgestelden “een eigen (rechts)persoon” is, zoals geregeld in Boek 2 BW, die over en weer niet verantwoordelijk zijn voor wat de ander met de liquiditeiten doet, [72] laat staan dat aan “7 van de 8 aansprakelijkgestelden” ten onrechte het volstrekt onjuiste verwijt wordt gemaakt, zoals bedoeld in het subonderdeel. Reeds op dit een en ander loopt ook vast het (voorzichtige) beroep (“Deze redenering is voorts mogelijk in strijd met”, etc.) van het subonderdeel op Europese rechtspraak en het communautaire evenredigheidsbeginsel, welk beroep immers, naar de kern genomen, evenzo ervan uitgaat dat aan zeven van de acht vennootschappen zo’n volstrekt onjuist verwijt wordt gemaakt, [73] wat dus grond mist.
Hierop stuit het subonderdeel af.
In feitelijke instanties hebben [eiseressen] geen concrete stellingen ingenomen waaruit zou blijken dat zij, althans één of meer van hen, in de destijds gegeven omstandigheden geen mogelijkheid hadden de bewuste som van € 832.000,-- tijdig aan te wenden voor de omzetbelastingschuld aan de Belastingdienst (ad totaal € 1.010.215,--) in plaats van voor de voldoening van andere schulden, zoals bedoeld in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin van het arrest. Het subonderdeel wijst ook niet op dergelijke stellingen, laat staan met verwijzing naar vindplaatsen. In de inleidende dagvaarding, nrs. 8-9 [78] staat dit eenvoudigweg niet. [79] Dat het hof dit daarin niet heeft gelezen, is dan ook geenszins onbegrijpelijk.
Anders dan het subonderdeel suggereert, heeft de Ontvanger dergelijke stellingen evenmin ingenomen, ook niet in de conclusie van antwoord, nr. 2.14 en productie 4 bij de conclusie van antwoord [80] (waarop [eiseressen] zich in feitelijke instanties ook niet hebben beroepen; het subonderdeel wijst ook niet op dergelijke stellingen, laat staan met verwijzing naar vindplaatsen). Dat het hof dit daarin niet heeft gelezen, is geenszins onbegrijpelijk, temeer niet indien daarbij wordt betrokken wat door de Ontvanger is aangevoerd in de conclusie van antwoord nrs. 2.7 en 6.1-6.6 en geresumeerd in de antwoord-akte d.d. 7 mei 2019 zijdens de Ontvanger, nr. 7 (waaronder: “Het bestuur van de [Group] heeft ervoor gekozen de omzetbelastingcomponent van de koopsom van de kranen niet aan te wenden om de omzetbelasting op aangifte te betalen, maar om andere betalingen te verrichten”), waaruit blijkt (“Het bestuur van de [Group] heeft ervoor gekozen”, etc.) dat de Ontvanger ervan is uitgegaan, zoals overgenomen door het hof in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin (“Hierbij is van belang dat tussen partijen (als onvoldoende betwist) vaststaat dat”, etc.), dat [eiseressen] destijds keuzevrijheid toekwam wat betreft de aanwending van de bewuste som van € 832.000,--, en het dus feitelijk (niet on)mogelijk was dat geld aan te wenden voor genoemde omzetbelastingschuld aan de Belastingdienst (ad totaal € 1.010.215,--), maar niettemin door hen dit bedrag aan ontvangen omzetbelasting bewust is gebruikt voor de voldoening van andere schulden dan die omzetbelastingschuld. [81] Zoals ook uiteengezet onder 3.11 hiervoor, bij de behandeling van subonderdeel 1.4.1, is dit een en ander door [eiseressen] in feitelijke instanties ook niet (gemotiveerd) bestreden. De stelling dat er sprake zou zijn geweest van een situatie waarin “één vennootschap in het kader van de reorganisatie onder dwang van de Rabobank de € 832.000 niet heeft aangewend voor de betaling van de omzetbelastingschuld maar voor andere schulden”, zoals het subonderdeel nog als “feit” poneert, heb ik in de gedingstukken niet aangetroffen; het subonderdeel noemt hier evenmin een vindplaats. Ook hier wijs ik op de uiteenzetting onder 3.11 hiervoor. Overigens wordt in het in noot 74 hiervoor opgenomen citaat uit “het verslag van de besprekingen” ervan uitgegaan dat die som (“het ontvangen geld inzake de verschuldigde omzetbelasting”) “onder meer” is aangewend om de door de Rabobank aangestelde bestuurders/adviseurs te betalen, [82] wat afwijkt van hetgeen het subonderdeel daarvan maakt (onder meer “dat € 832.000 is aangewend om”, etc.), en valt in de conclusie van antwoord, nr. 2.14 en productie 4 bij de conclusie van antwoord (waarover ook noot 74 hiervoor) niet te lezen dat de Ontvanger rept van door de Rabobank “verplicht” aangestelde bestuurders/adviseurs, anders dan het subonderdeel het doet voorkomen.
Het moge zo zijn dat (in de woorden van het subonderdeel) “[h]et geld maar één keer [kan] worden uitgegeven”, aan het voorgaande doet dat logischerwijs niet af, net zo min als de verwijzing in het subonderdeel naar de inleidende dagvaarding, nrs. 8-9 (“Daarom is ook aangegeven dat”, etc.), waarover ook hiervoor, en de verwijzing naar (dat citaat uit) dat Hoge Raad-arrest van 12 april 2019 in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid. [83] Het is daarmee genoegzaam duidelijk dat wat het subonderdeel aanvoert, voor zover dit al uitgaat van een juiste lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag heeft, [84] niet meebrengt dat het hof aldus oordelend in rov. 3.7 is uitgegaan van een onjuiste uitlegging van “feitelijk onmogelijk zijn verplichtingen” te voldoen in de zin van art. 75.7 Leidraad of blijk heeft gegeven van een ontoereikende motivering. Dit behoeft geen verdere toelichting. [85] Hierop stuit het subonderdeel af.