ECLI:NL:PHR:2000:AA6124
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt wettelijke grondslag voor invordering kosten gemeentelijke belastingen
De zaak betreft een geschil over de invordering van kosten van betekening van een dwangbevel door de gemeente Maassluis bij een restantschuld aan rioolrecht van ƒ 10,-. De belanghebbende betwistte de redelijkheid van het in rekening brengen van ƒ 50,- kosten, met name omdat hij de aanmaning niet zou hebben ontvangen en het dwangbevel werd bezorgd toen hij niet thuis was.
Het Hof had de beschikking van de gemeente vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging, met name omdat het bedrag aan invorderingskosten vijfmaal hoger was dan de openstaande schuld. De Hoge Raad stelt echter dat de wetgeving, waaronder de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de gemeente geen beleidsruimte laat om kosteninvordering achterwege te laten, behalve bij betalingsmoeilijkheden.
De Hoge Raad benadrukt dat de gemeente wel een algemeen beleid mag voeren om betalingsdiscipline te handhaven en dat het Hof ten onrechte van de gemeente verlangde dat zij voorafgaand onderzoek zou doen naar het individuele betalingsgedrag van haar inwoners. Ook het bezwaar dat de aanmaning niet ontvangen zou zijn, wordt door de wet uitgesloten als grond voor het niet verschuldigd zijn van de kosten.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het beroep van de gemeente wordt verworpen, waarmee de uitspraak van het Hof in stand blijft. De Hoge Raad bevestigt daarmee de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van invorderingskosten door gemeenten en de beperkte ruimte voor individuele belangenafweging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de gemeente kosten van betekening van een dwangbevel mag invorderen volgens de geldende wetgeving.