Conclusie
Zaak met parketnummer 09-767408-18 (dagvaarding I)
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1]:
Een proces-verbaal van aangifted.d. 17 april 2018 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018099815-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - ( blz. 355 e.v.) :
[betrokkene 4]:
Feiten 1 (verduistering auto) en 6 (oplichting Alfam)
Openbaarmaking gerechtelijke uitspraak
Bijlage I bij arrest Gerechtshof Den Haag 23 juni 2020 (tekst publicatie rechtspraak.nl)
Openbaarmaking van de regterlijke uitspraak(art. 46)
manierwaarop de uitspraak openbaar gemaakt kan worden” en “niet op
water openbaar gemaakt kan worden.”
bijde uitspraak, maakt geen onderdeel uit van die uitspraak en valt daarom niet onder het toepassingsbereik van art. 36 Sr Pro. De rechter is in de bedoelde gevallen weliswaar vrij om te bepalen
op welke wijzede uitspraak wordt geopenbaard, [9] maar dat betekent niet dat op grond van art. 36, eerste lid, Sr bij wijze van bijkomende straf aan de openbaarmaking ervan op gezag van de rechter een foto van (het aangezicht van) de verdachte kan worden bijgevoegd.
EHRC2005/25 in de zaak van Sciacca tegen Italië is voor het onderhavige geval van betekenis. De Italiaanse Sciacca, lerares op en eigenares van een privéschool, werd – met anderen – verdacht van, en later veroordeeld voor, fraude en oplichting. De officier van justitie en de fiscale recherche gaven over het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak een persconferentie, waarna door twee kranten hierover werd bericht. In die kranten werden ook foto’s geplaatst van de betrokkenen. Die foto’s waren genomen door opsporingsambtenaren en tijdens de persconferentie aan de pers ter hand gesteld. Bij het Straatsburgse Hof werd vervolgens geklaagd dat de publicatie van de foto van Sciacca in de kranten een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het recht op eerbiediging van haar privacy opleverde. De vraag was (§ 28, tweede alinea) “whether that interference satisfied the conditions laid down in the second paragraph of Article 8: was it “in accordance with the law” […]?”. Het Hof herhaalde (§ 29) dat “the concept of private life includes elements relating to a person's right to their image and that the publication of a photograph falls within the scope of private life”. [12] Het Hof stelde vast dat de inbreuk niet bij wet was voorzien – er was slechts sprake van staande praktijk – en concludeerde dat derhalve met het door de Italiaanse autoriteiten ter hand stellen van de foto’s van de verdachte aan de pers een inbreuk was gemaakt op eerbiediging van het privéleven van Sciacca, zodat (§ 31) “there has been a violation of Article 8 of the Convention”.