Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring vermelde Iraakse identiteitskaart een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht oplevert, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.
1. Een aangifteformulier gemeente Alkmaar, opgemaakt door [betrokkene 1]. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Uit het aangifteformulier en de (door de raadsman overgelegde) brief van de gemeente Alkmaar van 9 oktober 2019 volgt dat de verdachte op 19 december 2017 aan de balie van de gemeente Alkmaar is geweest en aldaar een identiteitskaart en een nationaliteitsverklaring heeft overgelegd. Deze documenten zijn voor onderzoek op echtheid verzonden naar het Bureau Documenten van de IND. Een documentendeskundige van de IND heeft geconstateerd dat op de identiteitskaart als geboortedatum […] 1969 in plaats van [geboortedatum] 1980 is vermeld. De verdachte heeft verklaard dat de geboortedatum op het document inderdaad onjuist was.
NJ2020/130 deed zich de vraag voor of een identiteitskaart van de Republiek Slovenië kon worden aangemerkt als een reisdocument in de zin van art. 231 Sr Pro. [8] Uw Raad overwoog in dat verband:
NJ1939/821. [10] Uw Raad overwoog in dat arrest dat ‘het hier geldt een ambtelijk stuk, uitgegeven met de bestemming om dengene, op wien het betrekking heeft, tot buitenlandsch paspoort te dienen, en dat als zoodanig ook door de buitenlandsche overheid wordt aanvaard; dat nu een stuk, dat in het internationale verkeer vooromschreven functie vervult, zeker als een reispas in den zin van art. 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht is aan te merken’. Ook ‘toeristenkaarten of identiteitskaarten’ zouden er volgens Remmelink evenwel onder vallen. Over het begrip ‘veiligheidskaart’ merkte hij op dat uit de Notulen van de Commissie De Wal kan worden afgeleid dat het ‘een functie kan vervullen tijdens de Staat van Beleg’ en ‘dus wel een soort vrijgeleide’ zal zijn. Een ‘reisorder’ zou een ‘schriftelijke opdracht van een overheidsinstantie zijn om een reis te maken’.
tweedemiddel behelst de klacht dat bij het uitspreken van het arrest ter zitting van het Gerechtshof Amsterdam op 11 november 2019 geen griffier aanwezig was. Daarvan zou in het proces-verbaal melding zijn gemaakt door het doorkrassen van een naam. Daardoor zou het proces-verbaal van die zitting geen weergave bevatten van de door de griffier aangetekende inachtneming van vormen en niet mede door de griffier zijn vastgesteld en ondertekend.
NJ1977/93 m.nt. Van Veen stelde Uw Raad ambtshalve vast dat bij de stukken van het geding onder meer niet aanwezig was een proces-verbaal ‘van een terechtzitting alwaar het bestreden arrest is uitgesproken’. Uw Raad overwoog dat dientengevolge niet kon worden nagegaan of in acht was genomen ‘al hetgeen in art. 362, eerste lid, i.v.m. art. 415 Sv Pro. op straffe van nietigheid is voorgeschreven, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet het geval is geweest’, en vernietigde het bestreden arrest. Daaruit kan worden afgeleid dat het ontbreken van een proces-verbaal van de terechtzitting waar het arrest is uitgesproken grond geeft tot cassatie.
NJ1987/686 was in het proces-verbaal van de terechtzitting waar uitspraak was gedaan bij vergissing een verkeerde datum vermeld. In HR 24 november 1987, DD 88.127 ten slotte was de officier van justitie niet bij de uitspraak aanwezig geweest; dat leidde niet tot cassatie. Uw Raad heeft ook in 2011 nog geoordeeld over een zaak waarin de advocaat-generaal niet bij de uitspraak aanwezig was. Uw Raad overwoog dat de wet op dat verzuim geen nietigheid stelt. En dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft ‘bij zijn klacht over de niet-nakoming van voormeld voorschrift, dat uitsluitend strekt ter behartiging van de belangen van het openbaar ministerie’. [21]