Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
2.1-I).
2.1-IIa, 2.1-XIb). Dat oordeel in rov. 5.6 dat partijen zich niet hebben gedragen alsof de tussen hen bestaande goederengemeenschap reeds geheel was afgewikkeld, is ook ontoereikend, althans in het licht van de onder meer in subonderdeel 2.1.4 [9] aangehaalde citaten uit het proces-verbaal van de rechtbank en van het Hof rechtens onjuist en onbegrijpelijk. De overweging in rov. 5.8 dat de vrouw eigen woonlasten had die zij zelf voldeed, staat niet aan dat oordeel in de weg (
2.1XIc). Het hof zou bovendien in de onderhavige procedure miskennen dat het alleen om de vraag gaat of de echtelijke woning al feitelijk was verdeeld en niet of de gehele huwelijksgemeenschap was afgewikkeld (
2.1-IIa). Het zou blijkens vaste rechtspraak [10] ook niet van belang zijn of de financiële afwikkeling daadwerkelijk (reeds) heeft plaatsgevonden voor de vraag of de echtelijke woning in 1991 feitelijk was verdeeld zodat de vraag of de betalingen aan de vader van de vrouw ook daadwerkelijk bij de vrouw terecht zijn gekomen (rov. 5.13 en 5.14), in dat kader niet van belang zijn voor de vraag of de woning in 1991 feitelijk is verdeeld (
2.1-IIa, 2.1-IIb, 2.1-XIc).
2.1-I t/m 2.1-X) en/of;
2.1-XI t/m 2.1-XII).
2.1-III, 2.1-Va, 2.1-XIb, 2.1-VIII, 2.1-XIc, 2.1-XId) [12] ;
2.1-III, 2.1-IV, 2.1-VIII, 2.1-XIa, 2.1-XIb, 2.1-XIc, 2.1-XId);
2.1-XIb, 2.1-XIc, 2.1-XId), waarbij in het kader van rechtsverwerking op grond van de (geschonden) afspraak en gedragingen tussen partijen blijkt dat er sprake is van toedoen van de vrouw en het inmiddels overlijden van de vader waardoor de man ernstig bemoeilijkt wordt in zijn bewijsvoering
(2.1-XId);
2.1-XIb);
2.1-Va, 2.1-XIb), althans als hypothetisch feitelijke grondslag vaststaat dat er NLG 24.000,- aan de vader van de vrouw is betaald (
2.1-VI, 2.1-XIc) en ook uit hetgeen de vrouw heeft aangevoerd blijkt dat de man een bedrag van NLG 10.000,- met betrekking tot de toedeling van de woning aan de vrouw via de vader heeft betaald (
2.1-VIII [14] , 2.1-XIc), althans het zou niet van belang zijn of de overeengekomen NLG 10.000,- daadwerkelijk is betaald, maar of partijen het destijds eens waren over de toescheiding en over de financiële consequenties daarvan (
2.1-XIa, 2.1-XIc);
2.1-Va);
2.1-Vb);
2.1-X, 2.1-XIc);
2.1-IX, 2.1-X, 2.1-XIb, 2.1-XIc, 2.1-XII);
2.1-X, 2.1-XIb, 2.1-XIc 2.1-XII).
2.1-VI). Dat verweer is door de man gemotiveerd betwist, omdat aangegeven is dat het rentevoordeel te verwaarlozen (‘bijna niets’) was [15] (randnummer 2.10: nummer 6,
2.1-Va, 2.1-VI), althans is dat verweer ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd vanwege door de vrouw tegenstrijdige, onderling onverenigbare en wisselende verklaringen over de ontvangst van de gelden van haar vader (
2.1-VI, 2.1-VII, 2.1-VIII 2.1-XIc). [16]
2.2, 2.2-I, 2.2-II, 2.2.-IIaverwijzen naar de verklaringen in subonderdeel 2.1.4 en herhalen daarmee in feite de omstandigheden opgesomd in randnummer 2.10 hierboven. Subonderdeel
2.2-IIaverwijst daarbij specifiek naar de omstandigheden in randnummer 2.10, nummers 1 en 2.
2.2-IIbverwijst naar de onder 1.2 sub vi in het cassatieverzoekschrift genoemde, in eerste aanleg, in het kader van die redelijkheid en billijkheid aangevoerde feiten en omstandigheden sub (a) t/m (g). Die genoemde feiten en omstandigheden liggen in de sfeer van de door de man genoemde kwetsbare gesteldheid, en zijn een herhaling van de omstandigheden onder randnummer 2.10, nummers 8 en 10. Het middel betoogt dat het hof die persoonlijke feiten en omstandigheden in het kader van de primaire grondslag (er is al verdeeld in 1991) in rov 5.15 heeft benoemd, maar niet kenbaar heeft afgewogen of betrokken bij de secundaire grondslag van redelijkheid en billijkheid.
2.2-IIcherhaalt hetgeen in randnummer 2.8 en 2.11 in het eerste onderdeel naar voren is gebracht, waarbij - met toevoeging dat dit geen toereikende onderbouwing kan zijn voor het oordeel in rov. 5.16 omtrent de redelijkheid en billijkheid - ook de omstandigheden in randnummer 2.10 (nrs. 1, 2, 3, 5, 8, 9, 10) worden herhaald.
2.2-IIIherhaalt hetgeen bij subonderdeel 2.1-XIc is weergegeven, de uitlatingen die de man en de vrouw ter zitting in eerste aanleg en hoger beroep hebben gedaan zoals geciteerd in subonderdeel 2.14 en 2.15 en hetgeen reeds in de subonderdelen 2.1-I t/m 2.1-XII voor de totstandkoming van de overeenkomst en de Haviltexmaatstaf is gesteld (zie voor de inhoud daarvan wederom randnummer 2.10).
2.3bevat een voortbouwklacht ten aanzien van rov. 5.18 t/m 6.5, in het bijzonder rov. 5.21 waarin wordt geoordeeld dat de man niet in staat zou zijn de woning over te nemen, zodat de woning moet worden verkocht en rov. 5.22 waarin wordt geoordeeld dat de opbrengst bij helfte moet worden verdeeld onder verrekening van hetgeen de man heeft afgelost, alsmede dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd (rov 5.23 en het dictum).
totstandkomingvan een meerzijdige rechtshandeling en het Haviltex-arrest de uitleg en dus de
inhoudvan de overeenkomst betreft. Ik zie hier echter geen wezenlijk verschil in, want bij beide maatstaven gaat het om een (feitelijke) waardering van alle (gestelde) feiten en omstandigheden van het gegeven geval. [32]
overeengekomen. Als vaststaat dat op grond van de gestelde feiten en omstandigheden partijen niet anders zijn overeengekomen, dan kan een uitleg van diezelfde constellatie van feiten en omstandigheden ertoe leiden dat op grond van de
redelijkheid en billijkheidtoch een andere datum moet worden aanvaard. Die uitlegfunctie van de redelijkheid en billijkheidsmaatstaf vloeit ook voort uit de wilsvertrouwensleer en is als het ware een ‘vangnet’ voor die gevallen waar partijen niet anders zijn overeengekomen, maar waarvoor op grond van de feiten en omstandigheden wel een andere peildatum gerechtvaardigd is. [33]
rechtsverwerkingspeelt zich ook af binnen deze kaders, omdat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn indien de betrokkene zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. [34] Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking, daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt [35] dat een aanspraak niet (meer) geldend zou worden gemaakt, hetzij de positie van een partij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval die aanspraak alsnog geldend zou worden gemaakt. [36]
NJ2013/201, op juiste wijze toegepast (zie randnummer 2.22). Een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming (rov. 5.10) impliceert niet zonder meer dat partijen het over de financiële consequenties van de verdeling eens zijn geworden. Het is (bij gemotiveerde betwisting van de vrouw) niet duidelijk geworden dat er een afspraak is gemaakt tussen partijen, ook omdat door de man niet aannemelijk is gemaakt dat in het kader van die afspraak de helft van de overwaarde aan de vrouw is betaald. Het hof acht doorslaggevend het aspect dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de overwaarde daadwerkelijk is betaald (rov. 5.9) en in het licht van de vaste rechtspraak op dit gebied, dat er overeenstemming moet zijn over de financiële consequenties, vind ik dat niet onbegrijpelijk dan wel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdelen(Haviltexmaatstaf)
2.1-I, 2.1-IIa, 2.1-IIb, 2.1-III, 2.1-IV, 2.1-Va, 2.1-Vb, 2.1-VI, 2.1-VII, 2.1-VIII, 2.1-IX, 2.1-X,(art. 3:35 BW Pro)
2.1-XI, 2.1-XIa, 2.1-XIb, 2.1-XIc,(rechtsverwerking)
2.1-XId [50] , 2.1-XII, dat ziet op de afwijzing van het verweer dat er al is verdeeld in 1991 op verschillende grondslagen. Op het voorgaande stuiten ook alle klachten in het tweede onderdeel af, meer specifiek de
subonderdelen 2.2-I, 2.2-II, 2.2-IIa, 2.2-IIb, 2.2-IIb, 2.2-IIc, 2.2-III,dat ziet op de afwijzing van het beroep op de redelijkheid en billijkheid.