ECLI:NL:PHR:2021:996
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist dat uitvaartverzekering buiten faillissementsboedel valt wegens hoogstpersoonlijk recht
De zaak betreft een geschil over de vraag of een uitvaartverzekering valt binnen de faillissementsboedel van een gefailleerde. De curator wilde de begrafenispolis afkopen, maar de gefailleerde verzette zich hiertegen. Zowel de rechter-commissaris als de rechtbank wezen het verzoek van de gefailleerde af om de afkoop te verbieden. De Hoge Raad kreeg de zaak in cassatie voorgelegd.
De Hoge Raad overwoog uitgebreid over de toepasselijkheid van art. 22a Faillissementswet (Fw) en art. 7:976 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) op uitvaartverzekeringen. Hoewel de rechtbank oordeelde dat de polis geen levensverzekering is en art. 22a Fw niet van toepassing is, nuanceerde de Hoge Raad dit en stelde dat de uitvaartverzekering wel degelijk onder de regeling van levensverzekeringen valt, maar dat art. 22a Fw niet bedoeld is voor uitvaartverzekeringen met een ander karakter dan pensioenen of nabestaandenvoorzieningen.
De Hoge Raad concludeerde dat de rechten uit de uitvaartverzekering een hoogstpersoonlijk karakter dragen en op grond van art. 7:976 derde Pro volzin BW niet vatbaar zijn voor beslag en buiten het faillissement blijven. Dit betekent dat de curator niet bevoegd is tot afkoop van de polis. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest en wees de zaak af door het verzoek van de gefailleerde toe te wijzen om de curator te verbieden tot afkoop over te gaan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verbiedt de curator tot afkoop van de begrafenispolis over te gaan omdat deze buiten de faillissementsboedel valt.