Voetnoten
1.Hof Den Bosch 21 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:498, PJ 2019/50 m.nt. W.M.A. Kalkman en Van Emden, JOR 2019/140 m.nt. mr. M.L.S. Kalff, rov. 9.7.2. 2.De feiten zijn ontleend aan rov. 9.1 van het bestreden arrest (vp. vt. 1).
4.Dit gebeurt vaker in faillissement, vgl. bijv. HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3521, NJ 2012/88 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2012/34 m.nt. Mr. B.A. Schuijling, rov. 3.9. Hier was teruggave van een schilderij ten laste van de boedel aan de orde. 5.Vp. vt. 1.
6.PJ 2019/50, onder 7.
7.Vgl. uitgebreid Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019, deel III, nrs. 635-786, waaruit voor onze zaak m.n. van belang zijn § 22.2 (afkoop), § 23.1 (wijziging begunstiging) en § 25.1 (overdracht). Vgl. specifiek voor onze zaak J.F.H.M. Bartels, Levensverzekering in faillissement; een onderzoek naar het wettelijk kader voor het uitwinnen van levensverzekeringen door de curator of de bewindvoerder, TvI 2017/17.
8.Bartels, a.w. vt. 7, nr. 2.1.
9.Vgl. Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/773 e.v., meer in het bijzonder 779-780 en Bartels, a.w. vt. 7, nr. 3.1 met verdere verwijzingen in vt. 18.
10.Art. 479l-479q Rv bevat een regeling voor afkoop en wijziging van begunstiging van levensverzekeringen bij
11.Zie bijv. HR 22 november 2003,ECLI:NL:HR:2002:AE8474, NJ 2003/21, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2003/27, m.nt. B. Wessels, TvI 2003, p. 17, m.nt. G.J.P. Molkenboer ( 12.Zie ook Kamerstukken I 1997-1998, 22 969 en 23 429, nr. 297, p. 3 (nadere memorie van antwoord) en HR 5 december 1913, ECLI:NL:HR:1913:156, NJ 1914, p. 257 ( 13.Wet van 25 juni 1998 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen, Stb. 1998, 445. Zie hierover Bartels, a.w. vt. 7, nr. 3.4.
14.Wet van 22 december 2005, Stb. 2005, 700.
15.Deze bevoegdheid zal overigens alleen worden uitgeoefend als de verwachting bestaat dat de levensverzekering tijdens het faillissement tot uitkering komt, vgl. W.M.A. Kalkman, Levensverzekering (R&P nr. VR3) 2013/12.2.4, Wessels, Insolventierecht II 2019/2157a, Bartels, a.w. vt. 7, nr. 4.1.2, die aangeeft dat begunstigingswijziging door de curator in de praktijk nauwelijks voorkomt.
16.Kamerstukken I 1997-1998, 22 969 en 23 429, nr. 297, p. 2 (nadere memorie van antwoord).
17.Kamerstukken II 1994-1995, 22 969, nr. 20, p. 5 (Vierde Nota van Wijziging), Wessels Insolventierecht II 2019/2156. Zie over deze strekking nader W.M.A. Kalkman, Levensverzekering (R&P nr. VR3) 2013/12.2.1, het gaat om zogenoemde bestemmingsgerichte levensverzekeringen, vgl. ook GS Faillissementswet (A.J. Verdaas), art. 22a, aant. A.2.
18.Kamerstukken II 1994-1995, 22 969, nr. 20, p. 5 (Vierde Nota van Wijziging). In haar conclusie voor HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1835, vgl. ECLI:NL:PHR:2019:811, punt 2.10 noemt A-G De Bock nog als verdere in dit verband van belang zijnde omstandigheden voor invulling van het criterium van onredelijke benadeling: (i) met welk doel de verzekering destijds is aangegaan (met verwijzing naar rechtspraak in vt. 22 waarin sprake was van levensverzekeringen niet met een verzorgingskarakter, maar om de hypotheek af te lossen: Rb. Arnhem 6 december 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BC1186, PJ 2011/11, m.nt. W.M.A. Kalkman en verder Hof Amsterdam 17 maart 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:BM2847, PJ 2007/36), (ii) wanneer de verzekering tot uitkering zou komen, (iii) of betrokkene gelet op zijn gezondheidstoestand nog een nieuwe verzekering kan afsluiten en (iv) of betrokkene gezien diens leeftijd in de toekomst nog mogelijkheden heeft om pensioen op te bouwen. Bartels, a.w. vt. 7, nr. 4.3.1 noemt daarnaast nog als omstandigheden: (v) heeft de verzekering geheel of slechts gedeeltelijk het karakter van een oudedags- of nabestaandenvoorziening, (vi) keert de verzekering een bedrag ineens uit (kapitaalverzekering) of in termijnen (lijfrente), (vii) wanneer komt de verzekering tot uitkering en ligt die datum in de buurt van de pensioengerechtigde leeftijd, (viii) de naar maatschappelijke opvatting normale kosten van levensonderhoud voor de begunstigde, (ix) de huidige en verwachte vermogenspositie van de begunstigde en (x) de fiscale gevolgen voor afkoop van de verzekering (onder verwijzing naar Kamerstukken en lagere rechtspraak in voetnoten 51-53). 19.Wessels Insolventierecht II 2019/2158, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1994/95, 22 969, nr. 20, p. 6.
20.Kamerstukken II 1994-1995, 22 969, nr. 20, p. 5 (Vierde Nota van Wijziging), Wessels Insolventierecht II 2019/2156, W.J.M. van Veen, Levensverzekering, Faillissement en beslag in: A. Baardman, K.W. Brevet e.a. (red.), Verzekering en faillissement, preadvies 1996, p. 92, Bartels, a.w. vt. 7, nr. 4.1.
21.Vgl. Kalkman en Van den Emden in hun noot bij het bestreden arrest (PJ 2019/50), Kalkman, Levensverzekering (R&P nr. VR3) 2013/12.2.3, Wessels, Insolventierecht II 2019/2158a, Bartels, a.w. vt. 7, nr. 2.2
22.HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2564, NJ 2018/42 m.nt. Heemskerk, JOR 2018/26 m.nt. J.F.H.M. Bartels, rov. 5.3.3-5.3.4. Zie ook Bartels, a.w. vt. 7, nr. 4.2. 23.Vgl. ook Kalkman en van Emden in hun annotatie bij het bestreden arrest (PJ 2019/50), onder 5 en 6.
24.Kamerstukken II 1994-1995, 22 969, nr. 20, p. 7 (Vierde Nota van Wijziging). Ook Wessels, Insolventierecht II 2019/2157c (vgl. eveneens Bartels, a.w. vt. 7, nr. 4.1.3) noemt deze vorm en dat is een ander type dan in onze zaak speelt: overdracht aan echtgenote die geen begunstigde derde was met het oog op instandhouding van het pensioenkarakter voor [eiser] zelf.
25.W.M.A. Kalkman, Levensverzekering (R&P nr. VR3) 2013/12.2.6.
26.Bartels, a.w. vt. 7, nr. 4.1.3: “nu de curator hierover niet buiten de gefailleerde om kan beschikken.”
28.Vp. vt. 11.
29.Bij repliek (p. 2) betoogt [eiser] dat
30.Kalkman zal bedoelen: althans, niet zonder toestemming van de gefailleerde, zie het vervolg van het citaat.
31.Wessels Insolventierecht IV 2020/4217-4218 onder verwijzing naar Verstijlen, De faillissementscurator: een rechtsvergelijkend onderzoek naar de taak, bevoegdheden en persoonlijke aansprakelijkheid van de faillissementscurator, diss. 1998, p. 140 e.v.
33.Wessels Insolentierecht IV 2020/4220.
34.De Recofa-richtlijnen (te raadplegen via www.rechtspraak.nl) helpen ons op dit punt ook niet verder. Alleen uit de volgende bepalingen volgt dat de curator enige informatie aan de gefailleerde moet verschaffen:
35.R. Mulder, a.w. vt. 32, p. 19.
36.R. Mulder, a.w. vt. 32, p. 27.
37.Aldus het voorwoord ervan:
38.De curator betracht zorgvuldigheid en terughoudendheid bij het doen van uitspraken in het openbaar over de vraag of er al dan niet sprake is van aansprakelijkheid van (ex-) bestuurders, (ex-) commissarissen en derden (5.1).
39.R. Mulder, a.w. vt. 32, p. 27.
40.Verwezen wordt naar het in 2.13-2.14 besproken arrest van het Amsterdamse hof van 17 maart 2016, de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg in onze zaak (vp. vt. 3 ) en Bartels, vp. vt.7.
41.Verwezen wordt naar Kamerstukken II 1994-1995, 22 969, nr. 20, p. 5.
42.Verwezen wordt naar Kamerstukken II 1994-1995, 22 969, nr. 20, p. 7.
43.Verwezen wordt naar Bartels, nr. 4.1.3, hiervoor besproken in 2.12.
44.P. 1 onderaan.
46.In korte recapitulatie: [eiser] was vanaf 1997 werkzaam als assurantieadviseur, hij heeft op het voornemen tot afkoop van de curator gereageerd met een tegenvoorstel tot overdracht om daarmee zijn oudedagsvoorziening veilig te stellen, zodat hij bekend was met het onderscheid tussen afkoop/begunstigingswijziging tegenover overdracht en dat die figuren verschillende rechtsgevolgen hebben, door de overdracht zou ook na opheffing van het faillissement zijn pensioenvoorziening veilig zijn voor crediteurenverhaal, terwijl onbetwist is gesteld door de curator dat hij [eiser] heeft verwezen naar de advocaat van zijn vrouw, die mede zijn belangen heeft behartigd en ook zelf regelmatig curator is.
47.Verwezen wordt naar T.T. van Zanten, De overeenkomst in het insolventierecht (R&P nr. insR3) diss. 2012/2.2.1.6, met verwijzing naar Van der Feltz I, blz. 372.
48.Verwezen wordt naar Kamerstukken I 1997-1998, 22969 en 23429, nr. 297, blz. 1.
49.Niet v.z.v. bij wege van herhaling van zetten wordt geklaagd dat bij overdracht ook het vereiste van onredelijke benadeling moet worden getoetst. Dat zagen we bij de bespreking van onderdeel 1 al sneuvelen.
50.Uitsluitend het voorstel tot overdracht van de levensverzekeringen is uiteindelijk aan de r-c voorgelegd. Het voorstel van de curator om de verzekeringen af te kopen is nooit doorgezet en daarom niet voorgelegd aan de r-c, vgl. de verklaringen van de curator bij pleidooi in appel, zittingsp-v p. 2, onderaan.
51.Vgl. comparitieaantekeningen [eiser] van 22 december 2015, onder 1 en 9 en p-v comparitie van 22 december 2015, p. 2 onderaan. [eiser] heeft op dit punt overigens ook bewijs aangeboden, vgl. de MvA onder 146.
52.Vgl. hierover ook hierna subonderdeel 2.3.1.
53.Vgl. de comparitieaantekeningen van [eiser] van 22 december 2015, onder 2.
54.P-v van comparitie van 22 december 2015, blz. 2-3.
55.Vgl. hierover ook hierna subonderdeel 2.3.3.
56.Art. 479p lid 1 Rv: “Indien de geëxecuteerde of een begunstigde door een afkoop van de levensverzekering of een wijziging van de begunstiging onredelijk zou worden benadeeld, verbiedt de voorzieningenrechter op diens vordering geheel of ten dele die afkoop of wijziging. De in de vorige volzin bedoelde vordering kan slechts worden ingesteld tot twee weken na de dag waarop het exploot bedoeld in artikel 479n, eerste lid, is uitgebracht. De in de eerste volzin bedoelde vordering kan in de gevallen, bedoeld in artikel 479r, tweede lid, eerste volzin, en derde lid, worden ingesteld tot twee weken na de dag waarop het exploot, bedoeld in artikel 479r, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, is uitgebracht.” Vgl. Kamerstukken II 1994-1995, 22 969, nr. 20, p. 5-6 (Vierde Nota van Wijziging). Zie ook Bartels, a.w. vt. 7, in 3.2 en W.M.A. Kalkman, Levensverzekering (R&P nr. VR3) 2013/4.4.6.