Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
1-2Focus; developed by Capgemini A Showcase of Bad Practices". Met deze brief stelde Equihold Capgemini aansprakelijk voor de geleden schade.
3.Procesverloop
Software Architecture Document(SAD), het
Vision Document(VD) en het
Software Development Plan(SDP)). Volgens [verweerder] zijn in deze stukken de verplichtingen tussen partijen nader uitgewerkt en vastgelegd. Capgemini heeft daarop niet gereageerd zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Uit de genoemde stukken is af te leiden dat de kwaliteit van de te ontwikkelen software de verantwoordelijkheid is van Capgemini (zie letterlijk de aanvullende overeenkomst). Voorts is daaruit af te leiden, kort gezegd, dat ‘
high quality software’ moet worden geleverd, dat de software uit verschillende lagen moet bestaan, dat deze gemakkelijk te onderhouden moet zijn en gemakkelijk aan te passen en uit te breiden naar andere sporten (rov. 3.11).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.1-
1.2zijn gericht tegen de feitenvaststelling in rov. 2.1, waarin is vermeld dat de door Equihold gestelde vorderingen bij aktes van cessie met instemming van de curator zijn overgedragen aan [verweerder] .
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof de (positieve zijde van de) devolutieve werking van het appel heeft miskend door na te laten het door Capgemini in eerste aanleg gevoerde verweer tegen de door [verweerder] gestelde cessie te behandelen.
Subonderdeel 1.2voert aan dat rov. 2.1, voor zover het hof daarmee heeft bedoeld het cessieverweer te verwerpen, onvoldoende (want niet) is gemotiveerd. Voor zover rov. 2-.2.1 aldus moeten worden begrepen dat het hof meent dat de rechtbank de cessie als feit heeft aanvaard, is dit volgens subonderdeel 1.2 onbegrijpelijk omdat een aanvaarding van de cessie in het rechtbankvonnis niet valt te lezen.
inhoud van de tekortkomingheeft gesteld dat Capgemini een gebrekkige broncode heeft geleverd.
moment van ontstaanvan de tekortkoming heeft gesteld dat, naar in 2010 bleek, reeds vanaf de eerste oplevering van de broncode (in juni 2006, zie rov. 2.7) sprake was van een gebrekkige broncode en van blijvende onmogelijkheid tot nakoming. Dat staat niet letterlijk in rov. 3.6, maar volgt uit de daarin opgenomen zin dat “[d]e herstelpogingen die Capgemini
in de jaren 2006 tot en met 2008naar aanleiding van klachten van Equihold ondernam (…) de problemen niet [konden] verhelpen omdat het voor deugdelijk herstel noodzakelijk was de broncode volledig opnieuw op te bouwen” (mijn cursivering). Klaarblijkelijk gaat het hof er in rov. 3.8 dus van uit dat, volgens de stellingen van [verweerder] , de tekortkoming is ontstaan in juni 2006. De juistheid van deze lezing van de stellingen van [verweerder] blijkt ook uit de processtukken van beide partijen in hoger beroep. [10] Het uitgangspunt dat de tekortkoming is ontstaan in juni 2006, in combinatie met hetgeen Capgemini in reactie op de grief I in principaal appel ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op schuldeisersverzuim, verklaart daarnaast waarom het hof ervan uitgaat dat Capgemini’s beroep op schuldeisersverzuim omstandigheden betreft die zich ‘nadien’ (na juni 2006) hebben voorgedaan. In de memorie van antwoord heeft Capgemini, in reactie op grief I, namelijk naar voren gebracht dat [verweerder] geen vordering toekomt vanwege schuldeisersverzuim, nu Equihold vanaf
juni 2007telkens betalingsachterstanden had en zij daarnaast geen functionele acceptatietests uitvoerde en testcapaciteit had geschrapt. [11]
Use Casesconsequent te laat beoordeelde en goedkeurde en (ii) Equihold eveneens naliet de software functioneel te testen. Met zijn verwerping van Capgemini’s beroep op deze stellingen op grond van de door hem gegeven motivering, zou het hof hebben miskend dat op grond van dit tekortschieten en dit verzuim van Equihold Capgemini zich op opschorting van haar verbintenissen kon beroepen, met als gevolg dat Equihold geen, althans niet zonder meer, rechten kan ontlenen aan eventuele niet-nakoming van die verbintenissen van Capgemini.
Use Caseste laat beoordeeld en goedkeurde.
nahet moment van de gestelde tekortkoming van Capgemini heeft voorgedaan, tussen partijen (in beginsel) niet ter zake doet.
3.1.a.klaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof dat [verweerder] ter gelegenheid van pleidooi onweersproken heeft verklaard dat Equihold de bevindingen van [de voormalige werknemer van Equihold] in januari 2008 met Equihold heeft gedeeld, onbegrijpelijk is, omdat Capgemini dit wel degelijk heeft weersproken, zowel ter gelegenheid van het pleidooi als voordien.
my first findings of the Code Review will follow a.s.a.p.” (productie B-95 bij de memorie van antwoord in incidenteel appel). In reactie hierop heeft Capgemini bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat in de e-mail slechts wordt aangekondigd dat de bevindingen van de code review zullen worden gedeeld, maar dat daaruit niet blijkt dat de code review
isgedeeld met Capgemini en dat dit ook niet is gebeurd (zie de pleitnota in hoger beroep zijdens Capgemini, onder § 2.11). Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat op de pleidooizitting bij het hof van de zijde van [verweerder] is verklaard dat de bevindingen van [de voormalige werknemer van Equihold] met Capgemini zijn gedeeld, maar dat [verweerder] niet beschikt over deze correspondentie en Capgemini wel. [12] Uit het proces-verbaal blijkt niet dat Capgemini op deze verklaring heeft gereageerd. Capgemini verwijst ook niet naar vindplaatsen in het proces-verbaal waaruit dit zou blijken.
in de jaren 2006 tot en met 2008heeft getracht de problemen te verhelpen (zie onder 4.12). Hiermee is onmiskenbaar gegeven dat Capgemini vanaf juni 2006 bekend was met de klachten van Equihold over de kwaliteit van de broncode.
onder 3.1.bmet een rechts- en motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof dat het te ver voert om van Equihold te verlangen dat zij reeds in 2008 nader onderzoek naar de kwaliteit van de broncode had verricht. Daarmee zou het hof hebben miskend dat Equihold het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van haar te verlangen onderzoek had dienen te verrichten, en dat wat ter zake van haar kan worden verlangd afhangt van de omstandigheden van het geval. Het hof kon niet volstaan met de algemene opmerkingen dat het volgens Capgemini vereiste nadere onderzoek ‘te ver voert’ en dat Capgemini ook onderzoek had kunnen verrichten en daartoe aanleiding had kunnen zien. Het subonderdeel klaagt dat het oordeel daarom onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, omdat niet valt na te gaan of het hof de juiste maatstaf voor ogen heeft en de relevante omstandigheden van het geval daadwerkelijk in ogenschouw neemt. Dit geldt volgens Capgemini temeer nu het hof niet ingaat op Capgemini’s stelling dat (i) indien de aanwijzingen dat de broncode niet aan de eisen voldeed zo sterk waren als [verweerder] stelt, nader onderzoek geïndiceerd was, (ii) Equihold een professionele partij was met voldoende expertise om de broncode zelf te onderzoeken, (iii) het niet begrijpelijk is dat de conclusies van [de voormalige werknemer van Equihold] uit 2008 geen aanleiding gaven tot nader onderzoek, maar soortgelijke conclusies uit 2010 wel, en (iv) Equihold contractuele testverplichtingen had.
3.1.cworden drie klachten aangevoerd die zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat het gelet op de gebeurtenissen in die periode (Capgemini heeft in oktober 2008 haar werkzaamheden opgeschort waarna Equihold in 2009 haar activiteiten heeft gestaakt) in de rede ligt dat Equihold tussen 2008 en 2010 niet opnieuw klachten heeft geuit.
3.1.ddat ’s hofs kennelijke oordeel dat Capgemini onvoldoende heeft toegelicht dat Capgemini door het tijdsverloop is benadeeld uit gaat van te hoge eisen voor Capgemini’s stelplicht, blijk geeft van een miskenning van het begrip ‘benadeling’, dan wel onbegrijpelijk is in het licht van Capgemini’s betoog dat zij door het uitblijven van klachten is benadeeld in haar bewijspositie en haar de kans is ontnomen de volgens [verweerder] enorme schade te voorkomen waarvan vergoeding wordt gevorderd. De klachten slagen niet. Capgemini heeft, zo blijkt uit de door haar genoemde vindplaatsen uit de processtukken uit feitelijke instanties, [14] steeds betoogd dat zij is benadeeld door het feit dat Equihold niet vóór oktober 2010 enige klachten heeft geuit over de door haar geconstateerde gebreken in de broncode. Het hof heeft evenwel geoordeeld dat Equihold wel degelijk eerder heeft geklaagd, namelijk doordat zij in 2006 haar vermoedens heeft geuit met betrekking tot de slechte kwaliteit van de broncode en in januari 2008 de bevindingen van [de voormalige werknemer van Equihold] ten aanzien van de broncode met Capgemini heeft gedeeld. Daar waar het hof oordeelt dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat Capgemini door “dat tijdsverloop” is benadeeld, doelt het hof klaarblijkelijk op het tijdsverloop in de periode tussen januari 2008 en oktober 2010, waarin Equihold nie
t opnieuwklachten heeft geuit. Nu Capgemini niet heeft betoogd dat zij is benadeeld door het feit dat Equihold niet
opnieuwklachten heeft geuit, is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Capgemini niet (voldoende) heeft toegelicht door dit tijdsverloop te zijn benadeeld.
subonderdelen 3.2-3.4houden verband met Capgemini’s beroep op artikel 11.4 van haar algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat voorwaarde voor het ontstaan van enig recht op schadevergoeding steeds is dat de opdrachtgever het bestaan van de schade zo spoedig mogelijk na het ontstaan daarvan meldt bij Capgemini.
Subonderdeel 3.2klaagt dat het hof ten onrechte niet (kenbaar) op dit beroep is ingegaan. Voor zover het hof Capgemini’s beroep op artikel 11.4 van haar algemene voorwaarden zou hebben verworpen, dan is dit onvoldoende (kenbaar) gemotiveerd, aldus
subonderdeel 3.3.
Subonderdeel 3.4klaagt ten slotte dat ’s hofs kennelijke oordeel dat Capgemini onvoldoende heeft toegelicht dat Capgemini door het tijdsverloop is benadeeld, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de Capgemini’s stelling dat een belang bij tijdig klagen onder de algemene voorwaarden niet is vereist.
Software Architecture Document(SAD), het
Vision Document(VD) en het
Software Development Plan(SDP)). Uit deze genoemde stukken, en met name de aanvullende overeenkomst, leidt het hof af dat de kwaliteit van de te ontwikkelen software de verantwoordelijkheid van Capgemini was. Het hof leidt daaruit voorts af dat ‘high quality software’ moet worden geleverd, dat die software uit verschillende lagen moet bestaan, dat deze gemakkelijk onderhouden moet zijn en gemakkelijk aan te passen en uit te breiden naar andere sporten.
cgenoemde stelling voldoende duidelijk en uitgewerkt naar voren heeft gebracht om te kunnen gelden als essentiële stelling waarop het hof behoorde te responderen. Daarin heeft Capgemini een citaat opgenomen uit de aanvullende overeenkomst (waaronder het citaat “
Voor de helderheid conform de huidige overeenkomst: Capgemini heeft een inspanningsverplichting, waarbij afspraken gemaakt zijn rondom de door Capgemini op te leveren kwaliteit van de software”) en enkel gesteld dat de aanvullende overeenkomst ten aanzien van de werkverdeling niet meer bepaalt dan dat. Hierin ligt niet een voldoende kenbaar beroep op de inspanningsverplichting van Capgemini besloten. Subonderdeel 4.1 slaagt in zoverre dus niet. Hetzelfde geldt voor
subonderdeel 4.3, waarin Capgemini eveneens klaagt dat het hof niet (kenbaar) op deze stelling is ingegaan.
dgenoemde stelling dat partijen in de aanvullende overeenkomst zijn overeengekomen dat Equihold het projectmanagement zou overnemen en zelf Capgemini India ging aansturen. Dit laat immers onverlet dat óók in de aanvullende overeenkomst is opgenomen dat Capgemini verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de te leveren software.
egenoemde stelling van Capgemini. Het hof heeft niet geoordeeld dat partijen een concrete ontwikkelopdracht hadden afgesproken met een vooraf gedefinieerd eindresultaat. Het hof heeft enkel geoordeeld dat Capgemini verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de te ontwikkelen software en dat de software in dat opzicht aan een aantal kwaliteitseisen moest voldoen (high quality, gelaagdheid, onderhoudbaarheid en uitbreidbaarheid). Dat de software moest voldoen aan een aantal kwaliteitseisen, is niet hetzelfde als een “concrete ontwikkelopdracht met een vooraf gedefinieerd eindresultaat”.
subonderdeel 4.2wordt geklaagd dat het hof zijn oordeel dat ‘high quality software’ moet worden geleverd, dat de software uit verschillende lagen moet bestaan, dat deze gemakkelijk te onderhouden moet zijn en uit te breiden naar andere sporten, onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Het subonderdeel wijst erop dat het hof dit oordeel kennelijk heeft gebaseerd op [verweerder] beroep op de SAD, het VD en het SDP, waarop Capgemini volgens het hof niet zou hebben gereageerd. Het hof miskent daarmee dat Capgemini heeft gesteld dat (i) het SAD en het SDP niets zeggen over de verdeling van verantwoordelijkheden tussen partijen en (ii) bovendien niet tussen partijen zijn overeengekomen, aldus subonderdeel 4.2.
absoluteonmogelijkheid en
relatieveonmogelijkheid. [36] Van absolute onmogelijkheid is sprake indien het objectief gesproken ondenkbaar is dat de prestatie zal worden verricht, bijvoorbeeld het geval dat de te leveren (species)zaak is tenietgegaan. [37] Voor het aannemen van blijvende onmogelijkheid tot nakoming is geen absolute onmogelijkheid vereist; de onmogelijkheid kan ook relatief zijn. Onder relatieve onmogelijkheid valt onder meer de situatie dat nakoming praktisch onmogelijk is. Dan is het theoretisch nog wel mogelijk dat de prestatie (ooit) zal worden verricht, maar is het gezien de omstandigheden redelijkerwijs ondenkbaar dat de schuldenaar zal kunnen presteren. [38] In de literatuur is opgemerkt dat praktische onmogelijkheid ook kan worden benaderd vanuit het perspectief van de schuldeiser, in die zin dat onder bepaalde omstandigheden niet hoeft te worden verwacht van de schuldeiser dat hij nog langer wacht op een deugdelijke prestatie van de schuldenaar. [39] Er is in dat geval sprake van een onherstelbaar ondeugdelijke prestatie. [40] In dit verband wordt veelal verwezen naar het onder het oude recht gewezen arrest
Van der Gun/Farmex. [41] Deze zaak ging over een aannemingsovereenkomst met betrekking tot de bouw van een mestsilo. Die mestsilo was verkeerd gebouwd en kon volgens de stellingen van de schuldeiser slechts nog worden hersteld door het gehele werk ongedaan te maken en te vervangen door een nieuwe mestsilo. De schuldeiser zou dan moeten wachten totdat de mestsilo is afgebroken en opnieuw is neergezet. Volgens de Hoge Raad behoefde in dit geval geen ingebrekestelling te worden verstuurd, waarin de aannemer nog een termijn voor nakoming wordt gegeven. De Hoge Raad overwoog dat de verschuldigde prestatie bij een ‘zodanige overeenkomst’, behoudens het herstel van eventuele gebreken, met de oplevering ‘definitief’ is verricht. Brunner schreef in zijn
NJ-annotatie bij dit arrest dat hij geneigd was aan te nemen dat ook onder het NBW in een geval als dit een ingebrekestelling niet noodzakelijk is voor het verzuim van de debiteur, onder meer omdat herstel van het geleverde blijvend onmogelijk is.
Van der Gun/Farmex, ter onderbouwing van zijn betoog dat nakoming in dit geval blijvend onmogelijk was (zie de memorie van grieven § 52-55). In zijn annotatie bij het bestreden tussenarrest in het tijdschrift
Computerrechtheeft Rinzama gesteld dat de in dat arrest beschreven situatie goed aansluit bij de onderhavige kwestie, omdat [verweerder] óók heeft gesteld dat het voor deugdelijk herstel van de broncode noodzakelijk was om deze volledig opnieuw op te bouwen. [42]
subonderdeel 5.3klaagt Capgemini dat het oordeel van het hof dat [verweerder] kan worden gevolgd in zijn stelling dat na verloop van jaren de software technisch en functioneel verouderd is en dat na een dergelijk tijdsverloop de bestaande en potentiële klanten van Equihold zouden zijn afgehaakt en dat nakoming daarom in wezen onmogelijk is, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd omdat nog moet worden vastgesteld hoeveel tijd er gemoeid zou zijn met alsnog deugdelijke nakoming en hoe die nakoming zou zijn vormgegeven. Daarvan hangt af of en in hoeverre sprake zou zijn van veroudering van het product en het afhaken van klanten, aldus het subonderdeel.