6. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsmotivering:
“De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is aangevoerd dat het dossier onvoldoende overtuigend bewijs biedt dat de verdachte betrokken is geweest bij de hennepkwekerij.
Het hof overweegt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting als volgt.
Op 28 december 2016 werd in een flatwoning aan de [a-straat 1] te Delft door de politie een hennepkwekerij aangetroffen. In de kweekruimte stonden 195 hennepplanten en 54 potten gevuld met aarde waarin zich hennepplanten bevonden die waren geknipt. Er lagen ook henneptoppen te drogen.
Uit onderzoek van de politie is gebleken dat in de woning, die de verdachte huurde van [A] , persoonlijke spullen van hem aanwezig waren, zoals twee televisies, een computer en een laptop. Er werd ook post op naam van de verdachte aangetroffen. Bovendien is er op een aantal goederen DNA van de verdachte aangetroffen, te weten op een blikje Fanta in de asbak in de keuken, op een sigarettenpeuk in een vuilniszak in de keuken en op een sigarettenpeuk in de kweekruimte.
Het bovenstaande rechtvaardigt zonder meer het uitgangspunt dat de verdachte met enige regelmaat in de woning verbleef; en zodoende betrokken moet zijn geweest bij al hetgeen hem wordt verweten. Met name de sigarettenpeuk die is aangetroffen in de kweekruimte toont aan dat hij ook feitelijk de hennepplanten heeft geteeld.
De verdachte heeft echter het hem tenlastegelegde bestreden met een alternatieve lezing. Hij heeft verklaard dat hij de woning vanwege financiële problemen met ingang van 1 augustus 2016 heeft onderverhuurd aan [betrokkene 1] , die hij kende van het uitgaansleven en die tijdelijk onderdak zocht.
De verdachte had geen weet van de hennepkwekerij. Hij denkt dat hij sinds 1 augustus 2016 niet meer in de woning is geweest. Hij is wel bij de woning en in het portiek geweest. De huur werd dan contant door [betrokkene 1] aan de verdachte overhandigd. Na een paar maanden kreeg de verdachte geen contact meer met [betrokkene 1] en ging hij vaak naar woning toe omdat hij [betrokkene 1] wilde spreken. Daar stond de verdachte dan van de stress te roken. De verdachte haalde zelf zijn post uit het postvakje. Namens de verdachte is ook aangevoerd dat de aangetroffen DNA-sporen in deze zaak geen bewijswaarde kunnen hebben. De voorwerpen met daarop het DNA van de verdachte, zijn immers verplaatsbare objecten, geen dadersporen. Het is goed mogelijk, aldus de advocaat, dat genoemde [betrokkene 1] het blikje Fanta en de peuken heeft neergelegd in de woning om zo de verdachte er bij te kunnen “lappen”.
Het hof overweegt als volgt.
Ter onderbouwing van zijn gestelde rechtsverhouding met [betrokkene 1] heeft de verdachte aan de politie een “Huurcontract voor het tijdelijk verhuren van een kamer of woning” overgelegd (pagina’s 128 en 129 van het strafdossier).
Anders dan de verdachte voorstaat, kan het hof aan dit document geen enkele bewijswaarde ontlenen. Allereerst oogt dit document bijzonder incompleet. Een aantal cruciale en bij dit soort overeenkomsten volstrekt gebruikelijke- gegevens ontbreken volledig: een huurprijs en huurperiode zijn niet opgenomen, evenmin (algemene) gebruiksvoorwaarden. Ook zijn er geen identificerende gegevens van “ [betrokkene 1] ” opgenomen, zoals bijvoorbeeld diens adres, telefoonnummer en bankrekeningnummer; een kopie van een legitimatiebewijs ontbreekt eveneens, een datum van ondertekening ook.
Het komt er op neer dat op basis van dit document niet kan worden vastgesteld dat de verdachte, zoals hij heeft gesteld, zijn woning daadwerkelijk aan ene “ [betrokkene 1] ” heeft verhuurd. Tot slot heeft de politie nader onderzoek verricht naar de identiteit van “ [betrokkene 1] ”, mede ook op basis van het door de verdachte opgegeven signalement. Dat onderzoek heeft niets opgeleverd.
Dit alles maakt dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte aan een persoon zich noemende “ [betrokkene 1] ” of aan wie dan ook zijn woning heeft onderverhuurd.
Op grond hiervan en hetgeen is overwogen met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte is het hof van oordeel dat de alternatieve lezing van de verdachte onvoldoende aannemelijk is geworden en gaat hier dan ook aan voorbij.
Dat maakt ook dat aan de aangetroffen goederen in de woning -met daarop het DNA van de verdachte- wel degelijk bewijswaarde kan worden ontleend. Deze moeten als zogenaamde dadersporen worden aangemerkt. Dat een ander, te weten de niet te traceren “ [betrokkene 1] ”, deze zou hebben neergelegd in de woning is volstrekt onaannemelijk.
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich aan het hem tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt. Gelet op het professionele karakter van de kwekerij ligt het voor de hand dat de verdachte daarbij hulp van derden moet hebben gehad. Dat kan echter niet worden vastgesteld. De verdachte ontkent immers en er zijn hiervoor ook geen concrete aanwijzingen.”