Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Betaling in RC’. De twee in het geding zijnde betalingen van in totaal € 95.000,- zijn op de ING-rekening bijgeboekt na de periode waarover [verweerder] bij de FIOD verklaarde.
nietdoor Haeresteijn Holding B.V. (...). Jij bent dus helemaal niets verschuldigd aan Haeresteijn Holding B.V.”
Meest subsidiair hebben de curatoren aan hun vordering ten grondslag gelegd dat het ter beschikking stellen van een bankrekening onrechtmatig is tegenover (a) Haeresteijn en (b) de gezamenlijke schuldeisers van Haeresteijn. Er is € 95.000,- verdwenen uit het vermogen van Haeresteijn, zonder dat Haeresteijn dit bedrag op [de schoonzus] kan verhalen. Uit niets blijkt dat dit bedrag terug in het vermogen van Haeresteijn is gevloeid. [3]
De grieven III en IV: Zijn de twee door Haeresteijn op 3 juli 2014 gedane betalingen onverschuldigd?
Met grief IV richt [verweerder] zich tegen rov. 4.4. van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank het standpunt van [verweerder] dat de betalingen van Haeresteijn betrekking hadden op een schuld van Haeresteijn aan [de schoonzus] en dat de betaling van in totaal € 95.000,00 in zoverre verschuldigd was, van de hand wijst.
Betaling in RC”. Daarmee is het [de schoonzus] die dat bedrag aan Haeresteijn verschuldigd was, en niet [verweerder]. Wat [de schoonzus] uit hoofde van die betaling aan Haeresteijn verschuldigd was, is vervolgens in augustus 2014 door [de schoonzus] aan Haeresteijn voldaan door verrekening met de dividend-uitkering die [de schoonzus] toen van Haeresteijn kreeg. Haeresteijn had toen geen vordering meer met betrekking tot de op de ING-rekening betaalde € 95.000,00, aldus [verweerder].
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 6.8.4-6.8.15 dat de twee betalingen door Haeresteijn van in totaal € 95.000,- op de ING-rekening van [verweerder] niet onverschuldigd waren. De curatoren voeren daartoe allereerst aan dat de door het hof in rov. 6.8.6-6.8.14 genoemde omstandigheden niet afdoen aan het feit dat Haeresteijn zonder rechtsgrond genoemd bedrag aan [verweerder] heeft betaald en dus een vordering uit onverschuldigde betaling op [verweerder] heeft. Deze klacht wordt uitgewerkt of aangevuld in de toelichting op het onderdeel, welke toelichting genummerd is van 4 tot 11. Die uitwerking draait in hoofdzaak rond de stelling van curatoren dat sprake was van een betaling van Haeresteijn aan [verweerder].
anderdan de schuldeiser
of degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is de betaling te ontvangen’ (cursivering toegevoegd). ‘Degene die met de schuldeiser of in zijn plaats bevoegd is de betaling te ontvangen’ wordt in deze bepaling dus gelijkgesteld met de schuldeiser (die in beginsel steeds bevoegd is tot ontvangst van de betaling, maar niet altijd, bijvoorbeeld niet bij een beslag; vgl. art. 6:33 BW Pro). Art. 6:32 BW Pro regelt wanneer de schuldenaar, ondanks betaling aan een iemand
die niet bevoegd is tot ontvangst, toch is gekweten (bevrijdend heeft betaald). De bepaling luidde in het Ontwerp Meijers nog:
aan de schuldeiser. In dit verband valt erop te wijzen dat de feitelijke betaling aan de derde die bij deze betaling aan de schuldeiser plaatsvindt, slechts een feitelijke handeling is waardoor de betaling aan de schuldeiser plaatsvindt, dat wil zeggen: waardoor jegens de schuldeiser wordt voldaan aan de jegens hem bestaande verbintenis. De feitelijke betaling aan de derde is dus als zodanig niet de voldoening van de verbintenis waar het bij een betaling om gaat, maar slechts een feitelijke handeling door middel waarvan die voldoening plaatsvindt. [9] In feite vinden er dus twee betalingen bij de betaling aan een derde plaats: de feitelijke aan de derde en de juridische – waardoor aan de verbintenis wordt voldaan, dus wordt nagekomen – aan de schuldeiser. Ik denk dat dit bij de centrale stelling van de curatoren – die erop neerkomt dat een betaling aan een derde (in dit geval [verweerder]) slechts kan worden gezien als een betaling aan die derde (in dit geval [verweerder]) en dus niet aan een ander (in dit geval [de schoonzus]) – uit het oog is verloren.
rechtstreeksebetaling. Voor een betaling via een tot ontvangst van de betaling bevoegde derde (dus niet via een bank) geldt hetzelfde, op grond van het hiervoor in 3.7 opgemerkte. [12]
namens[de schoonzus] optrad (zonder dat overigens zelf te weten, want de ING-rekening van [verweerder] werd naar de vaststelling van het hof in rov. 6.8.9 uitsluitend gebruikt en beheerd door [de schoonzus]). Dat volgt immers uit de herhaalde vaststelling van het hof (en de stelling van [verweerder]) dat de rekening uitsluitend was bestemd en werd gebruikt ‘voor en ten behoeve van’ [de schoonzus]. Het was dus voor alle betrokkenen (Haeresteijn, handelende door middel van haar directeur-grootaandeelhouder [de schoonzus], [de schoonzus] en [verweerder], die in feite ook handelde door middel van [de schoonzus]) duidelijk dat de betalingen op de rekening voor [de schoonzus] werden ontvangen en naar haar zouden worden doorgeleid en dat [verweerder] – anders dan bij middellijke vertegenwoordigers het geval pleegt te zijn – geen enkel eigen belang had bij de betaling. Daarmee was ook duidelijk dat het op geen enkele wijze de bedoeling was dat daadwerkelijk aan [verweerder] zelf werd betaald, in de zin dat hij
voor zichzelfontving. Ook als wordt meegegaan in de gedachte van de curatoren dat art. 6:203 BW Pro in deze zaak van belang zou zijn – wat dus niet het geval is (zie hiervoor in 3.10) – gaat hun redenering derhalve niet op. [23]
van[de schoonzus] heeft te gelden. Het is niet duidelijk wat de curatoren met of bij deze verwijzing willen betogen. Op zichzelf is juist dat [verweerder] deze stellingen heeft aangevoerd, maar deze spelen bij het oordeel van het hof geen rol. Zoals hiervoor in 3.3 al opgemerkt, heeft [verweerder], naar de – in cassatie niet bestreden (en overigens volgens mij ook gewoon correcte) – vaststelling van het hof in rov. 6.8.2 derde alinea en 6.8.11, ook aangevoerd wat het hof in met name rov. 6.8.11 en 6.8.12 vaststelt, namelijk dat de overmaking een lening van Haeresteijn aan [de schoonzus] betrof, die geboekt is in de tussen hen bestaande rekening-courant. Voor het overige lijkt onder 4 van de toelichting opnieuw te worden uitgegaan van wat hiervoor is aangeduid als de centrale stelling van curatoren. Als gezegd gaat die stelling niet op om de hiervoor in 3.4-3.12 genoemde redenen. Ook het betoog onder 4 kan dus niet tot cassatie leiden.