De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en verbeurdverklaring van voorwerpen.
In cassatie werden twee middelen aangevoerd: (1) een verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard vanwege de vernietiging van een inbeslaggenomen telefoon die ontlastende informatie zou bevatten, en (2) een bewijsklacht over het ontbreken van opzet op medeplegen van het voorhanden hebben van 53 gram hennep.
De Hoge Raad oordeelde dat het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring faalt omdat de vernietiging van de telefoon niet in het voorbereidend onderzoek plaatsvond en geen zodanig ernstige inbreuk op het recht op een eerlijk proces opleverde dat het OM niet-ontvankelijk verklaard moest worden. Het hof had bovendien compensatie geboden door het horen van een wijkagent.
Ten aanzien van het tweede middel bevestigde de Hoge Raad dat het hof voldoende bewijs had voor het voorwaardelijk opzet van de verdachte op het voorhanden hebben van hennep door zijn nauwe samenwerking met een koerier die de hennep vervoerde en aanvulde. De precieze hoeveelheid was niet doorslaggevend voor het oordeel over opzet.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het hofarrest in stand blijft.