Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
DAE) is op of omstreeks 7 september 2010 een geldleningsovereenkomst gesloten. In dezelfde periode is tussen DAE, [verzoeker] (als indirect houder van alle aandelen in DAE) en Bonaire Beleggings en Participatie Maatschappij N.V. (hierna:
BBPM) een achterstellingsovereenkomst (hierna: de
Achterstellingsovereenkomst) gesloten. Nadien is een Share Purchase Agreement (hierna: de
SPA) gesloten tussen Antilles Aero Holdings B.V. (hierna:
AAH), [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) en [verzoeker] . Korpodeko stelt in deze zaak dat [verzoeker] met de (uitvoering van) de SPA inbreuk heeft gemaakt op hetgeen in art. 4 en Pro 5 van de Achterstellingsovereenkomst is bepaald, zodat [verzoeker] op grond van art. 8 van Pro de Achterstellingsovereenkomst een boete is verschuldigd aan Korpodeko.
hof), waarbij het hof [verzoeker] had veroordeeld tot betaling van een bedrag van NAf 6.911.810,-- te vermeerderen met wettelijke rente omdat [verzoeker] naar het oordeel van het hof in strijd had gehandeld met art. 4 en Pro 5 van de Achterstellingsovereenkomst, vernietigd. Na terugverwijzing heeft het hof geoordeeld dat [verzoeker] met de SPA niet art. 4, maar wel art. 5 van Pro de Achterstellingsovereenkomst heeft geschonden. Het hof heeft de boete niet verder gematigd dan tot NAf 6.911.810,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, omdat [verzoeker] het geld dat Korpodeko aan DAE had geleend in eigen zak heeft gestoken. Het hof heeft tevens geoordeeld dat [verzoeker] als getuige op een bepaald punt in strijd met de waarheid heeft verklaard.
2.Feiten
de Kredietovereenkomst). [3] De Kredietovereenkomst bepaalt onder meer het volgende:
Overige van toepassing zijnde voorwaarden en bepalingen
de Achterstellingsovereenkomst). [4] De Achterstellingsovereenkomst (waarin [verzoeker] is aangeduid als ‘ [verzoeker] ’) bepaalt onder meer het volgende:
de SPA) [5] tot stand gekomen, waarbij [verzoeker] de aandelen in het kapitaal van BBPM verkoopt voor de koopprijs van één euro. BBPM houdt alle aandelen in het kapitaal van DAE. De SPA bepaalt voorts onder meer het navolgende:
7. Specific Guarantees and Indemnities
14. Miscellaneous I
Renovemagenoemd. De in art. 7.2 van de SPA genoemde stichting High Seas Private Foundation wordt hierna
High Seasgenoemd.
(grondslag a), dan wel in strijd met art. 5 van Pro de Achterstellingsovereenkomst
(grondslag b). Korpodeko had haar aanspraak op de boete voor cassatie en verwijzing gematigd tot het bedrag dat zij heeft geleend aan DAE.
grondslag a) is het hof, kort samengevat, tot het oordeel gekomen in r.o. 2.8 onder (a) van het tussenvonnis en in r.o. 2.1 onder (a) van het eindvonnis, dat de kwijtschelding van de vorderingen van [verzoeker] op DEA in art. 14.3 van de SPA verband houdt met de in art. 7.1 en 7.2 van de SPA opgenomen bedingen (tot betaling aan [verzoeker] ) in die zin dat laatstgenoemde bedingen verbintenissen in het leven roepen tot het verrichten van tegenprestaties en dat art. 7.1 en 7.2 SPA een zodanige strekking hebben dat de daarin bedoelde betalingen vallen onder de reikwijdte van art. 4 Achterstellingsovereenkomst, omdat zij (indirect, mede) strekken tot voldoening van de vorderingen van [verzoeker] op DAE. [10]
grondslag bvan de vordering van Korpodeko heeft het hof in zijn tussenvonnis als volgt overwogen:
grondslag bvan de vordering van Korpodeko onder meer als volgt overwogen:
grondslag a, dat de kwijtschelding van de vorderingen van [verzoeker] op DEA in art. 14.3 van de SPA verband houdt met de in art. 7.1 en 7.2 van de SPA opgenomen bedingen in die zin dat laatstgenoemde bedingen verbintenissen in het leven roepen tot het verrichten van tegenprestaties. Het hof was niet ingegaan op het betoog van [verzoeker] dat de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden verklaren waarom hij met de voor hem op zichzelf zeer nadelige voorwaarden van de aandelenoverdracht heeft ingestemd. Evenmin had het hof naar het oordeel van de Hoge Raad afdoende gerespondeerd op het betoog van [verzoeker] dat de art. 7.1 en 7.2 van de SPA louter strekten tot zekerheid van de nakoming van de betalingsverplichtingen van DAE en BBPM jegens Renovema respectievelijk High Seas, en dus niet tot (gedeeltelijke) voldoening van [verzoeker] vorderingen op DAE en dat [verzoeker] in dit opzicht slechts optrad als ‘betaalmeester’ van Renovema en High Seas. [12]
grondslag b. De Hoge Raad heeft de klachten van onderdeel II.A, gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 2.11 van het tussenvonnis en r.o. 2.6 van het eindvonnis, dat de handelwijze van [verzoeker] in strijd is met art. 5 Achterstellingsovereenkomst, indien die bepaling wordt uitgelegd naar de strikt taalkundige betekenis ervan, verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro. [15] Naar het oordeel van de Hoge Raad slagen de klachten van onderdeel II.B voor zover zij voortbouwen op die van onderdeel II.A. Voor het overige heeft de Hoge Raad de klachten van onderdeel II.B niet behandeld. [16]
het vonnis van 27 februari 2018) overwogen dat het geen reden ziet terug te komen van zijn e-mailbericht van 1 december 2016, waarin het in reactie op de door [verzoeker] bij brief van 30 november 2016 kenbaar gemaakte bezwaren, heeft medegedeeld dat de nadere producties 17, 18 en 19 (van de zijde van Korpodeko) zullen worden toegelaten.
grondslag a(r.o. 2.4.1-2.4.12) komt het hof in het vonnis van 27 februari 2018 tot het oordeel dat schending van art. 4 van Pro de Achterstellingsovereenkomst niet kan worden aangenomen en dat de hierop gerichte grieven falen. (r.o. 2.4.12) Kort gezegd legt het hof aan dit oordeel ten grondslag, onder verwijzing naar met name r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2016, dat voor schending van art. 4 van Pro de Achterstellingsovereenkomst niet volstaat dat [verzoeker] direct of indirect voordeel zou kunnen hebben of heeft gehad van het beding van de art. 7.1 en 7.2 SPA, maar dat ook dient te worden vastgesteld dat de in art. 7.1 en 7.2 SPA voorziene betalingen, in het bijzonder de eventuele voldoening van de vorderingen van Renovema en High Seas op DAE en BBPM, ertoe zouden leiden dat de in de Achterstellingsovereenkomst genoemde vorderingen van [verzoeker] en BBPM op DAE zouden worden voldaan. Voor die conclusie ontbreekt het naar het oordeel van het hof aan toereikende aanknopingspunten. (r.o. 2.4.8-2.4.9)
grondslag b(r.o. 2.5.1-2.5.25, 2.5.29, 2.5.30) gaat het er naar het oordeel van het hof (r.o. 2.5.1) om
tussenvonnis van 24 juli 2018 [20] heeft het hof het verzoek van [verzoeker] om de door hem opgegeven vier getuigen te horen door een rogatoire commissie van de rechtbank Amsterdam afgewezen en de zaak verwezen naar de rol voor opgave van verhinderdata door beide partijen.
tussenvonnis 25 juni 2019overwogen dat het vasthoudt aan zijn beslissingen in het vonnis van 27 februari 2018. Naar het oordeel van het hof geeft wat [verzoeker] in hoofdstuk 1 van zijn memorie na enquête naar voren heeft gebracht geen aanleiding dit vonnis, in het bijzonder de voorshands gegeven uitleg van art. 5 van Pro de Achterstellingsovereenkomst, ‘radicaal’ of gedeeltelijk te heroverwegen. (r.o. 2.1) Tevens overwoog het hof dat er op dat moment onvoldoende reden was om de door Korpodeko bij akte van 5 maart 2019 overgelegde producties al op voorhand wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten, maar dat [verzoeker] wel nog gelegenheid dient te krijgen om te reageren op de toelichting die Korpodeko bij de stukken heeft gegeven en de conclusies die zij op basis van die stukken heeft getrokken en om te antwoorden op de vermeerdering van eis van Korpodeko. Het hof overweegt dat na die reactie zal worden beoordeeld hoe met de stukken en eiswijziging moet worden omgegaan. (r.o. 2.2) Het hof heeft de zaak verwezen naar de rol voor akte uitlating zijdens [verzoeker] .
eindvonnis) heeft het hof het vonnis van het gerecht van 24 mei 2013 vernietigd en opnieuw rechtdoende [verzoeker] veroordeeld tot betaling aan Korpodeko van een bedrag van NAf 6.911.820,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 3 maart 2011, [verzoeker] veroordeeld in de kosten van het geding, deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
4.Bespreking van het principale cassatieberoep
subonderdeel 1.1 en 1.2stelt [verzoeker] dat het oordeel van het hof dat hij als getuige op het in r.o. 2.4 genoemde punt niet in overeenstemming met de waarheid heeft verklaard en dat zijn verklaring daarom ook voor het overige kritisch moet worden bezien onjuist, en/of onbegrijpelijk dan wel ontoereikend (bevooroordeeld [31] ) is gemotiveerd, om de hierna onder a t/m c weergegeven redenen.
SVB) aangekochte vastgoed was belast met hypotheken van Bouwfonds. [33]
vastgoedaankopenmeer
externhad
gefinancierden (ii) dat deze ‘portefeuille’ – mede blijkens het beheer ervan door [de zoon van verzoeker] (direct na zijn VWO-examen) tussen 2001 en 2010 – niet de door Korpodeko aan [verzoeker] toegedichte financieel-juridische en bancaire kennis vereiste. Omdat het hof [verzoeker] in r.o. 2.12 van het eindvonnis volgt op het punt van het ontbreken van deze kennis, is het eens te meer onbegrijpelijk dat het hof [verzoeker] niettemin verwijt dat hij over zijn hypothecaire aankoopfinanciering gelogen zou hebben.
2. Op welke wijze financierden SVB en [verzoeker] hun vastgoed-aankopen in de jaren 2000-2011?
3. Was u vóór 7 september 2010 bekend met de begrippen ‘achterstellingsovereenkomst’ en ‘senior’ of ‘junior’ schuldeiser?
4. Hoeveel keren heeft SVB, u of een door u gecontroleerde beleggingsinstelling danwel onderneming tussen 2000 en 2010 een Kredietovereenkomst gesloten met een financiële instelling in Nederland of de Nederlandse Antillen?
5. Hoeveel keren heeft SVB, u en/of een door u gecontroleerde beleggingsinstelling danwel onderneming tussen 2000 en 2010 en/of nadien een Achterstellingsovereenkomst gesloten met een financiële instelling in Nederland of in de Nederlandse Antillen?’
toenafgesloten. Daarvoor, voor 2000, had ik nog een aantal lopende hypotheken bij een hypotheekinstelling,’ [onderstreping A-G]
Subonderdeel 1.2 onder afaalt derhalve.
subonderdeel 1.2 onder b, onder (i) is de nadruk op de financiering van vastgoed
aankopengelegd. Vraag 2 is naar de letter inderdaad toegespitst op vastgoedaankopen. Het antwoord van [verzoeker] op die vraag is ook zo te begrijpen dat [verzoeker] en SVB voor vastgoedaankopen in de jaren 2000-2010 geen hypotheken hebben afgesloten. Zijn antwoord, zoals dat op de geluidsopname is vastgelegd, is evenwel ook goed zo te begrijpen dat [verzoeker] en SVB in die periode (‘toen’) in het geheel geen hypotheken hebben afgesloten. Nadat [verzoeker] vraag 2 heeft beantwoord, heeft mr. Meijer bovendien opgemerkt, zonder toespitsing op aankoopfinanciering, dat hij begrijpt dat er vanaf 2000 in ieder geval geen kredietovereenkomsten en hypotheken meer zijn geweest. [verzoeker] heeft daarop ongenuanceerd bevestigend geantwoord. Niet onbegrijpelijk is dat het hof daaruit heeft afgeleid dat er in het geheel geen hypotheken en kredietovereenkomsten meer waren (ook geen opnieuw afgesloten overeenkomsten en/of herfinancieringen). De vragen 1, 3, 4 en 5 zijn naar de letter niet beperkt tot de financiering van vastgoedaankopen en gelet op de omschrijving die mr. Meijer tijdens het getuigenverhoor, zoals hiervoor weergegeven, van de eerste rubriek vragen gaf, hadden zij ook een bredere strekking, namelijk (inzicht verkrijgen in) ‘de zakelijke ervaring en activiteit van [verzoeker] ’. Die strekking sluit ook aan op de naar het voorlopig oordeel van het hof in het vonnis van 27 februari 2018 aan [verzoeker] toegedichte kennis en ervaring en de gelegenheid die het hof hem bood tegenbewijs te leveren van deze omstandigheden. [40] [verzoeker] heeft met zijn antwoord op de door mr. Meijer ter toelichting bij vraag 3 gestelde vraag en met zijn antwoord op vraag 4 verklaard dat hij, behalve dus voor 2001 een paar keer bij Bouwfonds, geen kredieten had en die niet nodig had om zijn handel te drijven en dat hij tussen 2000 en 2010 geen kredietovereenkomst heeft gesloten. Deze antwoorden zijn niet woordelijk toegespitst op de financiering van aankopen gedaan in de periode 2000-2010. Gelet daarop en op hetgeen hiervoor is gezegd over de strekking van de vragen 1, 3, 4 en 5, is het niet onbegrijpelijk dat het hof [verzoeker] antwoorden op vragen 1 tot en met 5, kennelijk zo heeft begrepen dat zij betrekking hebben op kredieten, kredietovereenkomsten en hypotheken ten behoeve van het beheer van [verzoeker] portefeuille in brede zin in de periode 2000-2010, dus niet beperkt tot vastgoedaankopen in die periode.
subonderdeel 1.2, onder b, onder (ii)vermelde strekking van het niveau van de voor het beheer van de portefeuille vereiste kennis, merk ik op dat daarbij juist een bredere uitleg past van [verzoeker] verklaring dan beperkt tot vastgoedaankopen in de periode 2000-2010. Dat het hof [verzoeker] in r.o. 2.12 van het eindvonnis volgt op het punt van het ontbreken van deze kennis, maakt hetgeen het hof in r.o. 2.4 overweegt niet onbegrijpelijk. Het feit dat er kennelijk wel hypotheken en kredietovereenkomsten waren in de periode 2000-2010 vormt een aanwijzing voor de aanwezigheid bij [verzoeker] van bepaalde juridische en bancaire kennis. Het hof stelt in r.o. 2.12 niet vast dat [verzoeker] die kennis niet had, maar neemt aan dat dat zo was en oordeelt dat [verzoeker] moet hebben gezien dat de overeenkomst een bepaalde strekking had, ook onder de omstandigheid dat [verzoeker] geen bijzondere juridische en bancaire kennis had. Verder mocht het hof aan zijn oordeel dat [verzoeker] verklaring in strijd met de waarheid was, de gevolgen verbinden die het gerade achtte.
subonderdeel 1.2 onder c.
to make the money from Korpodeko available to the company as promised during the September 23 conference call. The request for an injection of $450K which was promised last week (for which loan agreements were made up by DAE), was not executed Tuesday, which all brings DAE in a difficult position. (...) [betrokkene 5][ [betrokkene 5] ; Hof]
will make based on the additional assumptions a new cash flow outlook for discussions (coming) Sunday with [verzoeker] , to explain the need of a usage of the funds provided by Korpodeko.”
“opdat DAE de lening kan terugbetalen”(
productie 36).
ik weet ook niet wat er met die 4 miljoen[van Korpodeko; ANG 6,9 miljoen is ruwweg USD 4 miljoen – toevoeging advocaat]
is gebeurd. Hoe moet ik dat weten?”(p. 23 [van productie 41, A-G])
productie 32). Hierin wordt besproken dat [verzoeker] het geld van Korpodeko niet ter beschikking wil stellen aan DAE. [betrokkene 5] zal, aan de hand van een nieuwe liquiditeitsprognose, weer met [verzoeker] gaan praten:
“to explain the need of a usage of the funds provided by Korpodeko.”
“the rejection of [verzoeker] to make the money from Korpodeko available to the company as promised during the September 23 conference call.”Verder wordt gerefereerd aan
“discussions (…) with [verzoeker] , to explain the need of a usage of the funds provided by Korpodeko.”[verzoeker] heeft nagelaten enige andere verklaring voor deze passages aan te dragen, terwijl hij de authenticiteit van het stuk niet in twijfel trekt. Daarmee staat vast dat gelden van Korpodeko bij [verzoeker] zijn beland. Als getuige heeft [verzoeker] verklaard dat hij niet heeft voldaan aan het verzoek van DAE om die gelden weer in DAE te steken (zoals kennelijk was afgesproken). Hij heeft die dus zelf gehouden. (…)
subonderdeel 2.2.3. Daarbij merk ik nog op dat op zich opmerkelijk genoemd kan worden dat [verzoeker] niet op productie 32 heeft gereageerd en niet heeft uitgelegd hoe de passage in die productie moet worden gelezen, maar dat hij wel heeft gesteld en met stukken onderbouwd dat het overbruggingskrediet dat DAE aan SVB verstrekt had, door SVB was terugbetaald.
Ook subonderdeel 2.2.4slaagt derhalve.
rejection … to make the money from Korpodeko available to the company’ in ieder geval te volgen dat [verzoeker] een bepaalde invloed over het geld had. Die invloed zou erin kunnen bestaan dat hij de beschikking over het geld had en DAE niet (meer), maar ook andere verklaringen zijn goed denkbaar. Deze andere verklaringen kan [verzoeker] niet voor het eerst in cassatie aanvoeren. Uitgaande van vernietiging op dit punt, dient hij daarvoor na terugverwijzing wel de gelegenheid te krijgen. Het subonderdeel faalt in zoverre dat het oordeel van het hof, dat het citaat impliceert dat het volledige bedrag van de lening door [verzoeker] is achtergehouden, op zichzelf niet onbegrijpelijk is.
subonderdelen 3.1.3 t/m 3.1.8bevatten een weergave van het procesverloop.
familievan [verzoeker] was gerelateerd, zonder eigen financiële belangen van [verzoeker] en dat ten aanzien van High Seas geen andere verwantschap met [verzoeker] is gebleken dan dat ze soms dezelfde advocaat gebruik maken. [56] Ook wijst het onderdeel op de verklaring die [verzoeker] voor art. 7.1 en 7.2 van de SPA heeft gegeven, namelijk dat hij zich moreel verplicht voelde om Renovema en High Seas tegemoet te komen voor hun eerdere hulp aan DAE. In de schriftelijke toelichting voegt [verzoeker] hieraan toe dat het hof niet gemotiveerd is ingegaan op [verzoeker] ’s betwisting (met getuigenbewijsaanbod) van een dergelijk voordeel voor [verzoeker] en verband met art. 5 Achterstellingsovereenkomst. [57]
nietdirect of indirect voordeel zou kunnen hebben of heeft gehad van het beding van de art. 7.1 en 7.2 SPA. Dat heeft het hof opengelaten met de overweging in r.o. 2.4.5 van het vonnis van 27 februari 2018 dat [verzoeker] niet afdoende heeft toegelicht waarom Renovema en High Seas de betalingen niet zelf in ontvangst konden nemen en [verzoeker] als betaalmeester moest optreden. Ook heeft het niet vastgesteld dat Renovema en High Seas
nietgelieerd zijn aan [verzoeker] .
subonderdeel 3.2.2is daarom ongegrond.
nietsnaar voren is gekomen dat erop wijst dat de bepaling
nietmet het doel was opgenomen van het houden van greep op de achtergestelde vorderingen. Het hof heeft niet overwogen dat hetgeen uit de getuigenverhoren naar voren is gekomen erop wijst dat art. 5 Achterstellingsovereenkomst (wèl) met dat doel was opgenomen. Dat uit de getuigenverklaringen van [verzoeker] , [betrokkene 2] en [betrokkene 6] op geen enkele wijze zou blijken van het positieve feit dat het voor [verzoeker] indertijd duidelijk is geweest of had moeten zijn dat art. 5 Achterstellingsovereenkomst was opgenomen met het doel Korpodeko ‘greep op de achtergestelde vorderingen’ te laten houden, maakt het oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de bepaling
nietmet dat doel was opgenomen niet onbegrijpelijk. Dat oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk, omdat uit de getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 6] niet zou blijken waarom Korpdeko’s bedoeling om [verzoeker] als aandeelhouder en schuldeiser/financier aan DAE te blijven verbinden via art. 5 Achterstellingsovereenkomst verankerd zou zijn. Daarmee is niet uitgesloten dat art. 5 Achterstellingsovereenkomst er (ook) toe strekte greep te houden op de achtergestelde vorderingen.
de laatste alinea van subonderdeel 3.2.3dat het hof in het vervolg van r.o. 2.11 van het eindvonnis ten onrechte althans zonder begrijpelijke dan wel toereikende motivering een verband legt tussen art. 5 Achterstellingsovereenkomst en art. 5 Kredietovereenkomst Pro, aangezien die laatste bepaling aan [verzoeker] nog niet bekend was bij zijn accordering van de Achterstellingsovereenkomst, zodat hij daaraan bij de beoordeling van de strekking van en zijn akkoord met art. 5 Achterstellingsovereenkomst geen gewicht kon, laat staan moest, toekennen.
[verzoeker]art. 5 Achterstellingsovereenkomst redelijkerwijs heeft moeten begrijpen. Ik lees in r.o. 2.11, vanaf ‘Korpodeko wilde (…)’ de overweging dat, kort gezegd, uit art. 5 Kredietovereenkomst Pro (mede) blijkt dat
Korpodekoook de blijvende betrokkenheid van Korpodeko als aandeelhouder wenste, maar dat Korpodeko die wens niet afdoende heeft vastgelegd, nu is nagelaten [verzoeker] te laten tekenen bij de kredietovereenkomst. Het hof noemt art. 5 Kredietovereenkomst Pro in r.o. 2.11 van het eindvonnis dus alleen om de (verdergaande) bedoelingen van Korpodeko te duiden. Vanaf r.o. 2.12 van het eindvonnis gaat het hof nader in op wat van [verzoeker] verwacht mocht worden ten aanzien van zijn begrip van de inhoud van art. 5 Achterstellingsovereenkomst.
5.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
Tevens stelt het subonderdeel dat van de cessie van de vorderingen waarop Korpodeko zich in haar memorie na verwijzing, par. 3.15, onder verwijzing naar productie 19, heeft beroepen niet kan worden gezegd dat Korpodeko zich daarop al eerder had beroepen ‘in een geheel ander verband’, zodat ook in zoverre r.o. 2.4.11 van het vonnis van 27 februari 2018 onbegrijpelijk is. Het middel stelt dat Korpodeko ook bij pleidooi in eerste aanleg juist al wees op deze cessie om te onderbouwen dat [verzoeker] , bij het aangaan van de SPA voordeel voor zichzelf bedong en aldus bewust zijn afspraken met Korpodeko schond. [64] Hierop voortbouwend stelt het onderdeel dat ook onbegrijpelijk en/of onjuist is dat het hof oordeelt, voor wat betreft het beroep op productie 19, dat sprake zou zijn van strijd met de regels aangaande de omvang van de rechtsstrijd na verwijzing en met een goede procesorde. [65]
productie 8overgelegde “akte houdende overeenkomst van cessie” d.d. 9 december 2010, waarbij vlak vóór de aandelenoverdracht nog een drietal vorderingen – één ten bedrage van ANG 1.424.000,=, één strekkende tot levering van alle aandelen in vliegtuigmaatschappij WINAIR en één ten bedragen van ANG 206.237,= – worden gecedeerd van BBPM naar [verzoeker] . Voorafgaande aan het sluiten van SPA was [verzoeker] dus al doende met het veiligstellen van diverse voordelen voor zichzelf uit de DAE-vennootschappen.
Conclusie: [verzoeker] heeft met het aangaan van de SPA met AAH en [betrokkene 1] wel degelijk voordeel voor zichzelf bedongen. De schending van de afspraken met Korpodeko was daarbij een bewuste keuze van [verzoeker] . [verzoeker] heeft Korpodeko bewust opgescheept met een partij die DAE niets te bieden had en het bedrijf juist verder heeft uitgehold.’
“Agreement in relation to the Share Purchase Agreement of December 9, 2010”(
productie 18). Die overeenkomst dateert van dezelfde dag als de SPA en verwijst specifiek naar het verlies van [verzoeker] investering in DAE als reden voor de cessie. DAE droeg derhalve, op de dag dat de SPA werd gesloten, activa over aan [verzoeker] als tegenprestatie voor het kwijten van de Vorderingen.
BHM”) van in totaal ruim ANG 1,6 miljoen aan [verzoeker] (productie 21 Korpodeko ten behoeve van pleidooi in eerste aanleg; toegelicht in nr. 5.3 pleitnota). Dat gebeurde weer onder uitdrukkelijke verwijzing naar het verlies van [verzoeker] investering in DAE. Ter compensatie daarvan cedeerde BBPM deze omvangrijke vorderingen voor EUR 1,-. Dat in ieder geval de vordering op BHM ook echt geïnd is, volgt uit het als
productie 19overgelegde vonnis van Uw hof.