ECLI:NL:PHR:2022:1080

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2022
Publicatiedatum
21 november 2022
Zaaknummer
21/02340
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 116 lid 3 SvArt. 3:86 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt teruggave gestolen camper aan eigenaar ondanks goed vertrouwen koper

In deze zaak ging het om een klaagschrift van een koper die te goeder trouw een camper had gekocht die echter gestolen bleek te zijn. De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard en geoordeeld dat de teruggave van de camper aan de oorspronkelijke eigenaar, van wie de camper was gestolen, gerechtvaardigd was.

De koper had de camper via een Franse internetsite gekocht, had alle relevante documenten ingezien en een deel van de koopprijs via bankoverschrijving betaald. Na keuring bleek dat de camper als gestolen stond geregistreerd en dat het chassisnummer vervalst was. De rechtbank oordeelde dat hoewel de koper te goeder trouw was, dit niet betekent dat hij als rechthebbende kon worden beschouwd, omdat de oorspronkelijke eigenaar op grond van het Franse recht een sterker recht had op teruggave.

De Hoge Raad bevestigt dat in een beslagprocedure de rechter terughoudend moet zijn in het beoordelen van eigendomsrechten, maar wel civielrechtelijke aspecten mag betrekken. De Hoge Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank dat het belang van de strafvordering niet meer vordert dat het beslag wordt gehandhaafd en dat de teruggave aan de rechthebbende, hier de oorspronkelijke eigenaar, moet plaatsvinden. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de koper wordt verworpen en de teruggave van de camper aan de oorspronkelijke eigenaar bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02340 B
Zitting22 november 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de klager.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 11 februari 2021 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag gelegd op een camper en teruggave van de camper aan de klager, ongegrond verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1.
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank het klaagschrift ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Daartoe houdt de toelichting in dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de klager dient te worden aangemerkt als verkrijger te goeder trouw en dat gelet daarop het oordeel van de rechtbank dat niet de klager als redelijkerwijs rechthebbende is te beschouwen maar [betrokkene] , omdat de betreffende camper van deze [betrokkene] is gestolen, zonder nadere motivering onjuist, onterecht, althans ondeugdelijk en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd.
2.2.
Het klaagschrift is gericht tegen het voornemen van de officier van justitie om de onder de klager inbeslaggenomen camper op de voet van art. 116 lid 3 Sv Pro aan een derde-belanghebbende terug te geven en houdt tevens een verzoek in tot teruggave aan de klager van de camper.
2.3.
De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Vervolgens rijst de vraag aan wie de camper dient te worden teruggeven. Hoofdregel is dat een voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd, dan zal de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Bij de beoordeling van de vraag of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt zal de rechter niet hoeven te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal daarbij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl, HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003, 459). Dat uitgangspunt van terughoudendheid geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer indien voor de beoordeling van die kwesties het recht van een ander land van belang kan zijn. De opvatting van de raadsman dat naar Frans recht had moeten worden vastgesteld of klager redelijkerwijs als rechthebbende van de inbeslaggenomen personenauto kan worden aangemerkt, vindt derhalve geen steun in het recht.
Het gaat in de beslagprocedure om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp (HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6983). Hierbij zijn alle omstandigheden van belang.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken is gebleken dat de camper op 24 maart 2019 in Frankrijk is gestolen en dat daarvan aangifte is gedaan. Klager heeft de camper via een Franse internetsite (Marktplaats) gezien en heeft vervolgens informatie over de camper opgevraagd, waaronder foto’s van het kentekenbewijs en Certificat de Situation administrative detaille. Nadat klager is gebleken dat de status van de camper op dat moment in orde was, zijn klager en de verkoper overgegaan tot een onderhandeling. Vervolgens is klager op 22 september 2020 naar Frankrijk afgereisd en heeft hij de betreffende camper bekeken. Hij heeft naar eigen zeggen alle belangrijke documenten ingezien zoals het paspoort van de verkoper, het Certificat de Situation administrative detaille, het kentekenbewijs en de bankgegevens van de verkoper waarin onder andere staat wie de verkoper is, waar hij woont en wat zijn bankrekening is. Hiervan heeft hij ook een afschrift ontvangen. Klager heeft de camper uiteindelijk gekocht voor een bedrag van 40.000,00 euro. Vervolgens zijn alle papieren in orde gemaakt en heeft klager samen met de verkoper het Certificat de Cession D'un véhiculé d'occasion ingevuld, hetgeen een Frans staatsdocument is voor de overschrijving van het voertuig van de verkoper naar de koper. Klager heeft via de bank 30.000,00 euro naar de rekening van de verkoper overgemaakt en heeft 10.000,00 euro contant betaald. Hij heeft de camper direct overgedragen gekregen en meegenomen naar Nederland.
Vervolgens heeft klager op 7 oktober 2020 de camper ter keuring aangeboden bij de RDW. Uit onderzoek door de RDW is gebleken dat de camper in Frankrijk als gestolen stond gesignaleerd en dat het chassisnummer vervalst was.
De rechtbank is van oordeel dat klager onder de geschetste omstandigheden voldoende onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de in Frankrijk aangeboden camper en daarmee kan worden aangemerkt als een verkrijger te goeder trouw. Dit betekent evenwel niet dat klager ook als redelijkerwijs rechthebbende is te beschouwen, omdat duidelijk is geworden dat de betreffende camper in Frankrijk is gestolen van [betrokkene] die daarmee een groter recht lijkt te hebben op teruggave van de camper aan hem. De rechtbank merkt [betrokkene] om die reden - bij deze stand van zaken - aan als redelijkerwijs rechthebbende van de camper.”
2.4.
De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat in een geval als het onderhavige – waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de officier van justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene – de rechtbank zal moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. [1] Dat uitgangspunt van terughoudendheid geldt te meer indien voor de beoordeling van die kwesties het recht van een ander land van belang kan zijn. [2]
2.5.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de camper op 24 maart 2019 is gestolen in Frankrijk en dat de camper in Frankrijk als gestolen stond gesignaleerd. Ook heeft zij vastgesteld dat de klager de camper via een Franse internetsite (Marktplaats) heeft gezien en gekocht en dat hij via de bank € 30.000,00 euro naar de rekening van de verkoper heeft overgemaakt en dat hij € 10.000,00 euro contant heeft betaald aan de verkoper. De rechtbank is er dus klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk van uitgegaan dat de klager de camper niet heeft verkregen van een vervreemder die in de uitoefening van zijn bedrijf handelde, maar van een particulier. [3] De rechtbank is er klaarblijkelijk tevens van uitgegaan dat in een dergelijk geval op grond van art. 3:86 lid 3 aanhef Pro BW [4] aan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren – in dit geval [betrokkene] – het recht toekomt de camper als haar eigendom op te eisen gedurende drie jaren na de diefstal. [5] Anders dan de steller van het middel veronderstelt, is in een dergelijk geval niet relevant of de klager de camper te goeder trouw heeft verkregen. [6] De overweging van de rechtbank:
“Dit betekent evenwel niet dat klager ook als redelijkerwijs rechthebbende is te beschouwen, omdat duidelijk is geworden dat de betreffende camper in Frankrijk is gestolen van [betrokkene] die daarmee een groter recht lijkt te hebben op teruggave van de camper aan hem”,is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk en berust evenmin op een onjuiste rechtsopvatting.
2.6.
Het middel faalt.

3.Slotsom

3.1.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
2.Vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2151,
3.Vgl. mijn conclusie van 2 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1044 onder 5.
4.Art. 3:86 BW Pro luidt, voor zover van belang: “1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. 3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij: a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of b. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft.”
5.Vgl. HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0634,
6.Vgl. HR 24 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0530,