Conclusie
Nummer21/00022
Het cassatieberoep
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 23 december 2020 dit vonnis met aanvulling van gronden bevestigd, behalve voor zover het betreft de schadevergoedingsmaatregel.
Het procesverloop
op 25 december 2016 te Almere openlijk, te weten in een voor het publiek toegankelijke ruimte, snackbar [A] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen snackbar [A] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , welk geweld bestond uit het gooien van een bord in het gezicht van die [betrokkene 2] en het stompen tegen het gezicht van die [betrokkene 3] en het op de grond gooien van een kassa en het afbreken van tegels”.
1. Een ambtsedig proces-verbaal nr. PL0900-2016398303-1 d.d. 25 december 2016, met bijlage, opgemaakt door [verbalisant 1] , surveillant van politie Eenheid Midden-Nederland (pagina 12 tot en met 15 van het ongenummerde proces-verbaal nr. PL0900-2016397848), voor zover - zakelijk weergegeven – inhoudendede tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 3] :
Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] niet betrouwbaar en geloofwaardig zouden zijn. De politierechter oordeelt daarover als volgt. In het dossier zitten meerdere verklaringen van verschillende personen. De twee aangevers hebben in grote lijnen een en dezelfde verklaring over wat er gebeurd is. Dat zij op details in hun verklaring verschillen, maakt niet dat hun verklaring onbetrouwbaar of ongeloofwaardig is. De politierechter heeft ook geen enkele reden om aan te nemen dat deze verklaringen onbetrouwbaar of ongeloofwaardig zijn.
1. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer: PL0900- 2016397848-12, d.d. 25 december 2016, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 6] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Fotobijlage:
Foto 2: op de foto staat een man afgebeeld met een kaal hoofd, een witte trui en een donkere jas.
De voorzitter deelt mede dat de raadsman bij appelschriftuur d.d. 21 juli 2017 heeft verzocht tot het horen van getuige [betrokkene 1] , teneinde deze getuige nadere vragen te stellen over zijn belastende verklaring welke door de rechter als bewijsmiddel is gebruikt voor de bewezenverklaring van de openlijke geweldpleging. De verdediging wil deze getuige onder andere vragen welke medewerker hij heeft gesproken, waar het gezicht bebloed was, of de politie ook aanwezig was en vanaf welk moment en of de getuige in de snackbar is geweest.
Een nadere omschrijving van het middel
Het juridisch kader
2.9.2. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.
De bespreking van het middel
kunnenhebben bij het horen van deze getuige indien de verdediging bijvoorbeeld een alternatief scenario naar voren had gebracht. In het onderhavige geval is volgens het hof echter sprake van een ‘kaal’ ontkennende verdachte die niets heeft verklaard over wat er dan wél gebeurd zou zijn.