ECLI:NL:PHR:2022:1097

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
22 november 2022
Zaaknummer
22/01818
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 117 SvArt. 94 SvArt. 552a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beklag tegen beslag en voornemen tot vervreemding van hond wegens dierenmishandeling

De klager verzocht om teruggave van zijn Amerikaanse Staffordshire terriër die in beslag was genomen wegens verdenking van dierenmishandeling. De officier van justitie maakte het voornemen kenbaar de hond te vervreemden op grond van artikel 117 Sv Pro. De rechtbank behandelde het beklag en concludeerde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de hond verbeurd zal verklaren, mede op basis van getuigenverklaringen en een dierenartsrapport dat aanwijzingen van mishandeling bevatte.

De klager voerde aan dat het dossier onvoldoende bewijs bevat en dat het voornemen tot vervreemding onrechtmatig is, omdat een hond een onvervangbaar goed betreft. De rechtbank oordeelde echter dat het onderzoek in de beklagprocedure summier is en dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigt. Tevens stelde de rechtbank dat tegen het voornemen tot vervreemding geen beklag openstaat.

De klager stelde in cassatie drie middelen aan de orde, waaronder dat het voornemen tot vervreemding een voldongen feit zou zijn en dat de rechtbank onvoldoende op het bewijs en de getuigenverklaringen was ingegaan. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de rechtbank haar beoordelingsvrijheid heeft en dat de beklagprocedure niet bedoeld is om inhoudelijk in te gaan op de hoofdzaak. Het cassatieberoep werd verworpen met de motivering bedoeld in artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het beklag tegen het beslag op de hond wordt ongegrond verklaard en het cassatieberoep verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01818 B
Zitting29 november 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de klager
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 5 april 2022 het beklag van klager strekkende tot teruggave van een hond - Amerikaanse Staffordshire terriër genaamd [hond] - ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en J. Biemond, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Inleiding
Het beklag strekt tot teruggave van een hond, Amerikaanse Staffordshire terriër, genaamd [hond]. De officier van justitie heeft op 21 februari 2022 het voornemen kenbaar gemaakt de hond te vervreemden ex. artikel 117 Sv Pro. Namens klager is verzocht dat de rechtbank zich tevens uitlaat over dit voornemen van de officier van justitie.
Tegen de klager is de verdenking gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan dierenmishandeling.
De procedure in raadkamer
De rechtbank heeft dit beklag op 22 maart 2022 in openbare raadkamer behandeld en heeft
kennisgenomen van het proces-verbaal van de politie Eenheid Den Haag, met nummer PL1500-2021265840.
De klager, bijgestaan door mr. J. Biemond, is gehoord.
Tevens is de officier van justitie mr. R.R. Knobbout gehoord.
Het standpunt van klager
De klager heeft verzocht om teruggave van de hond. Namens klager is aangevoerd dat het belang van strafvordering zich niet (langer) verzet tegen teruggave. Er is geen enkel redelijk (onderzoeks)belang (meer) waarom het beslag gehandhaafd moet blijven. De hond is inmiddels onderzocht door een dierenarts en deze heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat hem de nodige zorg wordt onthouden, laat staan dat hij wordt mishandeld. Voorts biedt het dossier onvoldoende ondersteuning voor de verdenking. De verklaring van [getuige] moet als onbetrouwbaar worden aangemerkt en de overige verklaringen die zich in het dossier bevinden zijn veelal van horen zeggen. Tot slot is namens klager aangevoerd dat het openbaar ministerie tot op heden niet kenbaar heeft gemaakt of zij klager gaat vervolgen. Daardoor is op de korte termijn geen zicht op een rechterlijke beslissing omtrent de hond. Dit alles noopt tot gegrondverklaring van het beslag en tot teruggave van de hond aan klager. Met betrekking tot het voornemen van de officier van justitie de hond te vervreemden, is namens klager opgemerkt dat het vervreemden van een hond in strijd is met de wet en de eigen richtlijnen van het openbaar ministerie nu een hond een onvervangbaar “goed” betreft.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet. Het is - gelet op al hetgeen zich in het dossier bevindt - niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechtbank de hond verbeurd zal verklaren nu de verdachte verdacht wordt van dierenmishandeling gepleegd tegen deze hond. Met betrekking tot het voornemen tot vervreemding van de hond heeft de officier van justitie opgemerkt dat financiële belangen hierbij een rol hebben gespeeld.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
In geval van een beklag tegen een op de voet van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag moet de rechtbank a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het inbeslaggenomen voorwerp de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer zal uitspreken.
Uit het proces-verbaal volgt dat meerdere buurtbewoners - nadat hen door de politie was gevraagd naar opvallend uitlaatgedrag door hondeneigenaren in de straat- hebben verklaard dat een jongen, woonachtig op [a-straat 1] (het woonadres van klager), vaak schreeuwt naar zijn hond (type: Pitbull/Stafford) en daarbij aan zijn riem trekt. Daarnaast is door een van deze buurtbewoners ook verklaard dat de jongen de hond tegen de grond drukt of smijt, hem slaat en duwt. Daarnaast is door [getuige] een uitgebreide getuigenverklaring afgelegd waarin eenzelfde beeld wordt geschetst als door de andere buurtbewoners. Bovendien is de hond door een dierenarts onderzocht en heeft deze geconcludeerd dat de hond wat angstig is, dat de huid op grote delen kaal is, en sprake is van een ontsteking. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de hond verbeurd zal verklaren. Het belang van strafvordering verzet zich derhalve tegen opheffing van het beslag, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.
Met betrekking tot het voornemen van de officier van justitie de hond te vervreemden overweegt de rechtbank dat tegen dit voornemen geen beklag openstaat. De rechtbank zal in deze strafprocedure hier dan ook geen beslissing op kunnen nemen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
4. Ter inleiding op de cassatiemiddelen wordt door de steller van het middel betoogd dat in het onderhavige geval, gelet op het geringe tijdsverloop tussen de inbeslagneming en het door de officier van justitie kenbaar gemaakte voornemen tot vervreemding, dit voornemen een pure beheerbeslissing is. Zodanige beslissing zou de zittingsrechter voor een voldongen feit stellen daar waar het de beslissing op het beslag betreft. Een dergelijk “beleid” van het Openbaar Ministerie is volgens de steller van het middel, zoals ook in de aanvulling op het klaagschrift is betoogd, in strijd met de wet, de OM Richtlijn 2014A006 en vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Gelet daarop had de rechtbank het voortduren van het beslag als onrechtmatig moeten aanmerken en het beslag moeten opheffen, althans niet kunnen volstaan met de holle overweging dat tegen voornemens als bedoeld in art. 117 lid 2 Sv Pro geen beklag openstaat. Het in deze toepasselijke criterium dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de zittingsrechter zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer wordt door een dergelijk voornemen buiten spel gezet. Een marginale toetsing door de beklagrechter zou nimmer een (impliciete) sanctionering mogen zijn voor een voornemen van de officier van justitie tot vervreemding.

5.Het eerste middel

5.1
Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de hond verbeurd zal verklaren.
5.2
In de toelichting op het middel wordt, in vervolg op hetgeen onder 4 is weergegeven, betoogd dat een uitvoering van het voornemen tot vervreemden betekent dat een zittingsrechter in alle redelijkheid aan een echt inhoudelijke en afgewogen beantwoording van de vraag of de hond verbeurd wordt verklaard niet toekomt, althans de klager na een afwijzing van verbeurdverklaring door de zittingsrechter alsnog met lege handen staat. Volgens de steller van het middel was de enige beslissing die de rechtbank, gelet op genoemd voornemen, had kunnen en moeten nemen gegrondverklaring van het beklag met last tot teruggave. Alleen met een dergelijke beslissing behoudt de klager zijn rechten (eigendom van zijn hond en berechting in 2 c.q. 3 instanties). Ook zou de rechtbank in het geheel niet hebben gereageerd op hetgeen daarover in het nadere klaagschrift (ingediend naar aanleiding van genoemd voornemen tot vervreemding) is gesteld.
5.3
Namens de klager is verzocht dat de rechtbank zich ook uitlaat over het voornemen van de officier van justitie de hond te vervreemden. De rechtbank heeft geoordeeld dat in deze strafprocedure er geen beslissing over dit voornemen kan worden genomen, omdat tegen een dergelijk voornemen geen beklag openstaat. Dit oordeel is in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Hoge Raad. [1] Voor de klager resteert in een geval als het onderhavige alleen de civiele weg. [2]
5.4
In genoemd oordeel ligt voldoende besloten waarom wordt afgeweken van het namens de klager in de aanvulling op het klaagschrift aangevoerde, zoals hiervoor onder 4 samengevat is weergegeven.
5.5
Het middel faalt.

6.Het tweede middel

6.1
Het middel klaagt dat de rechtbank niet, althans niet begrijpelijk, heeft gerespondeerd op het namens de klager gevoerde verweer dat objectief niets blijkt van mishandeling van zijn hond c.q. het onthouden van zorg.
6.2
In de toelichting op het middel wordt herhaald dat de dierenarts op 18 februari 2022 bij onderzoek van de hond vaststelt dat er geen aanwijzingen zijn voor mishandeling van de hond dan wel voor het onthouden van zorg. Volgens de steller van het middel weerlegt de rechtbank dit oordeel niet, ook niet impliciet. De rechtbank zou, nu zij niet als veterinair deskundig kan worden beschouwd, absoluut niet gerechtigd zijn om te overwegen dat de huid van de hond kaal was en dat de hond wat angstig was. De rechtbank heeft zich volgens de steller van het middel onbevoegd een oordeel over de gezondheidstoestand van de hond aangemeten, terwijl de dierenarts uitdrukkelijk geen deskundig oordeel geeft over (de oorzaak van) angstigheid c.q. de kale huid, laat staan dat daarover iets in het kader van (geschonden) dierenwelzijn is gezegd. Het oordeel van de rechtbank zou het vermoeden van mishandeling of het onthouden van zorg niet kunnen dragen.
6.3
Blijkens de bestreden beschikking is tegen klager de verdenking gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan dierenmishandeling. Bij haar oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de hond verbeurd zal verklaren, heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de dierenarts die de hond heeft onderzocht heeft geconcludeerd dat de hond wat angstig is, dat de huid op grote delen kaal is en dat sprake is van een ontsteking. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat de rechtbank deze vaststellingen van de dierenarts - in samenhang bezien met de overige in aanmerking genomen omstandigheden (zie hierover het derde middel) - bij haar oordeel heeft kunnen betrekken. Dat het verslag van de dierenarts inhoudt dat op dat moment niets kon worden gezegd over het onthouden van zorg doet hier niet aan af.
6.4
Het middel faalt.

7.Het derde middel

7.1
Het middel klaagt dat de rechtbank niet, althans niet begrijpelijk, heeft gerespondeerd op het namens de klager gevoerde verweer dat (ook) “subjectief” niets blijkt van mishandeling van zijn hond c.q. het onthouden van zorg.
7.2
In de toelichting op het middel wordt herhaald dat de beschuldigingen aan het adres van de klager voor nagenoeg 100% gebaseerd zijn op anonieme en dus niet verifieerbare bronnen, terwijl vele buurtbewoners met wél bekende adressen hebben verklaard nimmer te hebben gezien dat klager zijn hond heeft mishandeld. De verklaring van getuige [getuige] zou volkomen ongeloofwaardig en in strijd met de waarheid moeten worden aangemerkt, nu zij verklaart iets in de woning van de klager te hebben gezien, terwijl naar binnen kijken fysiek onmogelijk is, hetgeen ook wordt gestaafd door fotomateriaal in het dossier. Volgens de steller van het middel had de rechtbank in moeten gaan op dit verweer en zich uitdrukkelijk een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuigen moeten vormen. Het doorslaggevend laten meewegen van het subjectieve bewijs in de beslissing zou onjuist zijn.
7.3
Dit middel stuit af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de rechter die, tegen de achtergrond van het summiere karakter van de beklagprocedure, over de feiten en omstandigheden van het geval oordeelt. In cassatie kunnen dergelijke feitelijke vaststellingen niet worden (over)gedaan. Daar voeg ik nog wel aan toe dat de rechtbank de getuigenverklaring van [getuige] enkel heeft gebezigd voor zover daarin een beeld wordt geschetst dat overeenkomt met hetgeen door de andere getuigen was geschetst en de beslissing van de rechtbank naast de getuigenverklaringen mede steunt op voornoemde bevindingen van de dierenarts. [3]
7.4
Het middel faalt.
8. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 2 maart 1999, NJ 1999/416, HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8503 en HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2013:BZ5406.
2.Zie in dit verband “M.J. Borgers, “Rechtsbescherming bij vervreemding van in beslag genomen voorwerpen” in: DD 2000 (afl. 5), p. 474 e.v. en de Aanwijzing inbeslagneming (2014A006) onder het hoofdje “V.2.3. Gronden”.
3.De dierenmishandeling zou hebben plaatsgevonden op 12/13 februari 2022. Het verslag van de dierenarts dateert van 18 februari 2022.