Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging ex artikel 1066 lid 2 Rv Pro’ ingediend. [6] Hieraan hebben [eisers] ten grondslag gelegd dat zij, gelet op de kans van slagen van de vernietigingsprocedure, ‘
recht, reden en een spoedeisend belang [hebben] bij toewijzing van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging’, omdat anders de kans aanzienlijk is dat de gelden waarop zij recht hebben zijn verdampt, terwijl er voor hen geen verhaalsmogelijkheden zijn. [7]
4.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
X/Ritzenhoff. [17] Daarin oordeelde de Hoge Raad dat vorderingen als bedoeld in art. 234 Rv Pro (incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring), art. 235 Rv Pro (incidentele vordering om alsnog zekerheid te stellen als voorwaarde voor uitvoerbaar bij voorraad verklaring) en art. 351 Rv Pro (incidentele vordering in hoger beroep tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis) geen voorlopige voorziening (of weigering om die te geven) zijn zoals bedoeld in de art. 223 en Pro 401a lid 1 Rv, omdat zij slechts een ‘modaliteit van de uitgesproken veroordeling’ betreffen. Het gevolg daarvan is dat tegen de beslissing op dergelijke vorderingen geen tussentijds cassatieberoep openstaat. De consequentie is dat tegen een uitspraak op een schorsingsverzoek op de voet van art. 351 Rv Pro géén tussentijds cassatieberoep openstaat en tegen de uitspraak op een schorsingsverzoek op de voet van art. 1066 lid 2 Rv Pro, zoals in de voorliggende zaak aan de orde is, wél tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld. Dit lijkt wellicht vreemd, maar het verschil laat zich verklaren doordat het in het tweede geval gaat om de schorsing van een arbitrale uitspraak, in het kader van een vernietigingsprocedure. Zo’n vernietigingsprocedure laat zich niet op één lijn stellen met een gewone appelprocedure tegen een door de overheidsrechter gewezen vonnis.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
voorkomenvoordat een onherroepelijk oordeel is gegeven over de vernietiging van de bestreden arbitrale beslissing. In het onderhavige geval heeft de tenuitvoerlegging reeds plaatsgevonden en valt dit niet meer te voorkomen. De in 5.2 genoemde stellingen van [eisers] kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
onderdelen 1 en 2van het middel behoeven daarom geen bespreking.
subonderdeel 1a, omdat hierin een kwestie aan de orde wordt gesteld die van belang kan zijn voor de rechtspraktijk.
Voorzover in deze titel niet anders is bepaald, zijn de artikelen 261 tot en met 291 van toepassing op zaken welke ingevolge het bij deze titel bepaalde met een verzoek worden ingediend”. Deze gevolgtrekking wordt in de literatuur verdedigd door Meijer, Sanders, Bitter en Biesheuvel. [22] In de feitenrechtspraak heeft het hof Arnhem-Leeuwarden in twee gepubliceerde uitspraken, waaronder het bestreden arrest, geoordeeld dat het schorsingsverzoek door middel van een verzoekschrift moet worden ingediend en niet bij wege van een incidentele vordering in de vernietigingsprocedure. [23]
Stb.2016/290). Daarin is ‘met een verzoekschrift worden ingeleid’ vervangen door ‘met een verzoek worden ingediend’. Deze wijziging van art. 1072a Rv was echter slechts een terminologische aanpassing in verband met de door KEI beoogde uniformering van de huidige dagvaardings- en verzoekschriftprocedure. [35] Uit deze wijziging volgt niet dat overal waar in titel 1 van Boek 4 Rv wordt gesproken van een ‘verzoek’ de algemene regels van de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn.