Conclusie
[verzoeker]respectievelijk
ABN AMRO.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
het sociaal plan).
de stimuleringspremie.
de aftoppingsregeling). De gedachte daarachter is dat de stimuleringspremie nooit hoger mag zijn dan de verwachte inkomensderving tussen de ontslagdatum en de pensioendatum.
3.Procesverloop
kantonrechterin de rechtbank Amsterdam verzocht om ABN AMRO te veroordelen tot betaling van een ontslagvergoeding van € 230.775,- bruto (75% van de stimuleringspremie) plus een transitievergoeding van € 87.588,- bruto op de grond dat de aftoppingsregeling een verboden onderscheid naar leeftijd maakt en zodoende nietig is op grond van art. 13 WGBLA Pro.
hoger beroepgekomen bij het Gerechtshof Amsterdam (hierna:
hof Amsterdam). Bij beschikking van 25 september 2018 heeft dat hof de beschikkingen van de kantonrechter bekrachtigd. [9] Hof Amsterdam was van oordeel dat het sociaal plan in het algemeen en de aftoppingsregeling in het bijzonder legitieme doelen hebben. De regeling vormt echter geen passend en noodzakelijk middel. In (met name) rechtsoverweging 3.10 van zijn beschikking van 25 september 2018 zet het hof Amsterdam uiteen, samengevat, dat de aftoppingsregeling voor oudere werknemers zonder aanwijsbare noodzaak onevenredig nadelig is, dat de regeling de beloning voor trouwe dienst illusoir maakt, en dat de omstandigheid dat ABN AMRO in het verleden extra geld heeft gestort in de ‘pensioenpot’ om haar werknemers te beschermen tegen de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd dit niet anders maakt.
cassatiegekomen. Zij heeft bestreden het oordeel dat de aftoppingsregeling direct onderscheid naar leeftijd maakt (middelonderdeel 1) en het daaropvolgende oordeel dat het leeftijdsonderscheid niet een passend en noodzakelijk middel is om het daarmee nagestreefde doel te bereiken (onderdeel 2). Mijn conclusie in die zaak strekte tot vernietiging en verwijzing omdat onderdeel 2 (grotendeels) terecht was voorgesteld.
de beschikking van de Hoge Raad) de beschikking van het hof Amsterdam vernietigd en het geding naar het Gerechtshof Den Haag verwezen ter verdere behandeling en beslissing. Over de klachten uit onderdelen 2.2, 2.3 en 2.5 oordeelt de Hoge Raad als volgt:
verwijzingshofDen Haag (hierna:
het hof) verzocht de beschikkingen uit eerste aanleg te vernietigen, de verzoeken van [verzoeker] (alsnog) af te wijzen, en [verzoeker] te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen ABN AMRO op grond van de beschikking in eerste aanleg aan hem heeft betaald (zie 3.2, de € 90.621,51). [verzoeker] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
de bestreden beschikking) de beschikkingen van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van [verzoeker] afgewezen. De vordering van ABN AMRO tot tergbetaling van hetgeen aan [verzoeker] is betaald op grond van het vonnis van de kantonrechter, is wegens strijd met de tweeconclusieregel ‘buiten beschouwing gelaten’. [11] [verzoeker] is veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep. Het hof oordeelt in de kern dat ABN AMRO en de sociale partners de in het sociaal plan gemaakte keuzes, in het licht van de met het sociaal plan nagestreefde doelen, in redelijkheid hebben kunnen maken.
cassatieberoepingesteld tegen de beschikking van het hof. ABN AMRO heeft verweer gevoerd en incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer van de klachten van subonderdeel 2.3-V van het principale cassatiemiddel (deels) slagen. [verzoeker] heeft daartegen verweer gevoerd.
4.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
niet kennelijk ongeschiktis voor het bereiken van de legitieme doelen die daarmee worden nagestreefd. Ten aanzien van de noodzakelijkheid van de regeling is bepalend of zij op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van de daardoor benadeelden, waarbij de regeling in zijn context moet worden geplaatst (vgl. ook rov. 3.28). Dat laatste betekent dat het noodzakelijk is acht te slaan op onder meer de door ABN AMRO opgerichte Mobiliteitsorganisatie en op de door ABN AMRO bekostigde pensioenmaatregelen (waaronder een extra storting van meer dan 500 miljoen euro in het pensioenfonds).
subonderdeel 2.1-IIheeft het hof het standpunt van [verzoeker] in rov. 3.18 onjuist en onbegrijpelijk uitgelegd. [verzoeker] heeft gesteld dat de passendheid en noodzakelijkheid van de aftoppingsregeling ter invulling van de legitieme doelen niet kan worden beoordeeld zonder deugdelijke onderbouwing van de doelstelling. Daarbij verwijst het middel naar de stellingen opgenomen in subonderdeel 2.1-0.
2.1-IIIaheeft het hof nagelaten (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken dat bij een richtlijnconforme uitleg van de Nederlandse gelijkebehandelingswetgeving de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat geen sprake is van wettelijk verboden leeftijdsdiscriminatie, op ABN AMRO rusten.
2.1-IIIbvoert het middel aan dat op ABN AMRO in ieder geval een verzwaarde stelplicht rust ter zake van tot haar domein behorende rechtsfeiten en bescheiden. Onder
2.1-IIIcbetoogt het middel dat ABN AMRO verplicht is feiten en omstandigheden in het geding te brengen (i) op basis waarvan de rechter in redelijkheid kan beoordelen of de aftoppingsregeling passend en noodzakelijk is in het licht van de nagestreefde doelen en (2) die in voldoende mate tegemoet komen aan Richtlijn 2000/78/EG en de op basis daarvan geldende stelplicht en bewijslast (art. 12 WGBLA Pro).
2.1-IIIdvoert het middel aan dat voor richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse gelijkebehandelingsrecht niet volstaat een verwijzing naar het feit dat het sociaal plan met de vakbonden is overeengekomen.
2.1-IIIebetoogt het middel dat een terughoudende toetsing er niet toe mag leiden dat het een individuele werknemer die zich op leeftijdsdiscriminatie beroept, de facto en in strijd met art. 6 EVRM Pro en Richtlijn 2000/78/EG onmogelijk wordt gemaakt om zich daartegen adequaat te verweren.
2.1-IIIfvoert het middel aan dat de terughoudende toets onverlet laat dat wanneer een individuele werknemer stelt dat er sprake is van (ongeoorloofde) leeftijdsdiscriminatie, de werkgever zoveel aan rechtsfeiten moet stellen en bij betwisting bewijzen dat door de rechter adequaat kan worden vastgesteld of de getroffen maatregel passend en noodzakelijk is. Van ABN AMRO kan en mag worden verlangd dat zij inzage geeft in (1) welk bedrag beschikbaar was, (2) hoe dat is verdeeld en (3) hoe de belangen van de kleine groep waartoe [verzoeker] behoorde in dat verband zijn gewogen en (4) hoe dat heeft uitgepakt, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 2.1-Vdat het hof in rov. 3.16-3.19 (en tevens in rov. 3.21-3.29) onbesproken heeft gelaten de essentiële stelling van [verzoeker] dat de
vakbondenten aanzien van de groep waartoe hij behoort een fout hebben gemaakt, zodat aan de regeling geen verantwoorde afweging of verdeling ten grondslag ligt en de legitieme doelstellingen derhalve zijn bedacht. [21]
subonderdeel 2.1-VIheeft het hof in rov. 3.18-3.19 miskend dat een terughoudende toets onverlet laat dat een individuele werknemer zich tot de rechter moet kunnen wenden om te kunnen toetsen of de door de werkgever gestelde redenen voor leeftijdsdiscriminatie ook daadwerkelijk bestaan en valide zijn. Het subonderdeel concludeert dat het gebrek aan inzage in informatie waaruit blijkt
daten
waarommet de aftoppingsregeling een eerlijker verdeling van de beschikbare middelen wordt bereikt, het verbod op discriminatie zinloos maakt.
subonderdeel 2.1-VIIIis het oordeel in rov. 3.19 dat ABN AMRO niet kenbaar heeft gemaakt dat er specifieke beperkingen zijn gesteld aan de beschikbare middelen (1) onjuist in het licht van de subonderdelen 2.1-I tot en met 2.1-VI dan wel (2) onbegrijpelijk omdat het hof feitelijk overweegt dat ABN AMRO geen inzage hoeft te geven in de beschikbare middelen omdat zij niet kenbaar heeft gemaakt dat er specifieke beperkingen zijn gesteld aan de beschikbare middelen. Volgens [verzoeker] is dat een cirkelredenering.
subonderdeel 2.2-IIheeft het hof miskend dat de prejudiciële beslissing in de zaak
Stichting Diakonessenhuisover een AOW-ontslag gaat en niet van toepassing is op de onderhavige zaak. Anders dan het hof overweegt, kan en mag een werknemer zich beroepen op persoonlijke omstandigheden, ondanks de terughoudende toetsing.
de leeftijd [is] waarop door werknemers van ABN AMRO een, naar Nederlandse maatstaven, volledig pensioen is opgebouwd.” Tegen dit oordeel is geen klacht gericht.
2.3-IV-iwordt, onder verwijzing naar subonderdelen 2.1-IIIa tot en met 2.1-IIIc, betoogd dat het hof met zijn oordeel heeft miskend dat ABN AMRO voldoende moet stellen en bij betwisting bewijzen dat [verzoeker] als gevolg van de ongelijke behandeling op basis van leeftijd niet excessief wordt benadeeld.
2.3-IV-iiis een herhaling van onderdeel 2.1 en 2.2 en kan vanwege zijn voortbouwende karakter evenmin slagen.
2.3-IV-iiiheeft het hof in rov. 3.23-3.27, in het bijzonder in rov. 3.23, miskend dan wel onbesproken gelaten dat [verzoeker] heeft gesteld dat alle werknemers de mogelijkheid krijgen om te worden geplaatst in de Mobiliteitsorganisatie, maar jonge(re) werknemers daarbovenop nog een stimuleringspremie krijgen. [25] Voor de vraag of er verboden onderscheid is gemaakt, zou niet van belang zijn dat de werknemer die de individuele pensioenleeftijd heeft bereikt, net als de andere werknemers, heeft kunnen kiezen voor een plaatsing in de Mobiliteitsorganisatie met doorbetaling van salaris. Het feit dat [verzoeker] niet heeft hoeven doorwerken tijdens het mobiliteitstraject maar wel het salaris en emolumenten (€ 94.000,-) heeft doorbetaald maakt niet dat [verzoeker] niet excessief benadeeld is.
2.3-IV-iv (1)en
2.3-IV-iv (2)voert het middel klachten aan die in wezen een herhaling zijn van de zojuist verworpen klacht.
onvoldoende concreet uitgewerkt” en het hof houdt daarbij geen rekening met hetgeen in [verzoeker]’ verweerschrift na verwijzing onder 32 is aangevoerd, nu het oordeelt dat dit te laat is.
2.3-V-ibetoogt het middel, onder verwijzing naar onderdeel 2.1-III, dat het hof de juiste bewijslastverdeling in gelijkebehandelingszaken heeft miskend. ABN AMRO zal moeten stellen en bewijzen dat de genomen maatregel om het legitieme doel te bereiken niet verder strekt dan strikt noodzakelijk is.
2.3-V-iiis het hof van een onjuiste uitleg van de beschikking van de Hoge Raad uitgegaan, omdat het overweegt dat in die beschikking niet is vermeld dat moet worden beoordeeld of de aftoppingsregeling verder gaat dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelen. In rov. 3.1.7 en 3.2.2 van de beschikking van de Hoge Raad ligt besloten dat de maatregel tevens daarop moet worden getoetst.
2.3-VI-ilaat het hof onbesproken de stelling van [verzoeker] dat een kleine groep kwetsbare werknemers is opgeofferd voor het collectief of dat de sociale partners simpelweg niet hebben stilgestaan bij deze groep werknemers, welke stelling niet anders kan worden begrepen dan als (ook) een betwisting van de aanwezigheid van een legitiem doel. [27]
2.3-VI-iiklaagt het middel dat het oordeel van het hof omtrent de vraag of sprake is van excessieve benadeling onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat voor het antwoord op die vraag alle omstandigheden van het geval bepalend zijn, waaronder hoe de regeling eerst luidde, hoe die is veranderd en of de groep die het betreft onder de meest ongunstige categorie valt.
alleomstandigheden van het geval van belang zijn, geen steun vindt in de rechtspraak, ook niet in rov. 3.1.7 van de beschikking van de Hoge Raad. De motiveringsklacht faalt, nu het hof in rov. 3.26-3.27 uiteenzet hoe het sociaal plan eerst luidde, hoe dat plan is veranderd door afschaffing van de herplaatsingsregeling voor werknemers ouder dan 57,5 jaar maar handhaving van de aftoppingsregeling, en hoe die regelingscontext onder het huidig sociaal plan als noodzakelijk kan worden gezien (rov. 3.23-3.24). Het hof gaat bovendien in op de overgangsregeling en komt uit op het niet onbegrijpelijke oordeel dat afbakening en categorisering van groepen werknemers in het sociaal plan of het overgangsrecht noodzakelijkerwijs leidt tot verschillende behandeling en grensgevallen.
subonderdeel 2.4-IIis het oordeel van het hof rechtens onjuist dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk omdat, zo lees ik de klacht, de door [verzoeker] aangevoerde feiten wel ‘schrijnend’ zijn: (i) hij is net te oud voor een ontslagvergoeding van € 300.000, (ii) hij is anderhalve maand te jong om tot aan de pensioendatum te mogen doorwerken; (iii) terwijl hij een schade heeft van zo’n € 90.621,15 [31] en (iv) er slechts in zeer uitzonderlijke gevallen (ernstige verwijtbaarheid) aan een werknemer die niet op de AOW-datum wordt ontslagen een transitievergoeding kan worden onthouden. Dit alles klemt temeer nu het een keuze van ABN AMRO is om (1) zijn arbeidsovereenkomst te laten vervallen en (2) dat ook al te doen voor dat hij in het mobiliteitscentrum terecht komt zodat ABN AMRO van zijn arbeidsprestatie geen gebruik meer maakt en (3) hem vervolgens dwingt om vervroegd (met 64 jaar en zes maanden in plaats van met 65 jaar en 9 maanden) met pensioen te gaan. Het subonderdeel concludeert dat het ‘afpakken’ van de transitievergoeding gelet op de schade die [verzoeker] lijdt volstrekt onredelijk is.