Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging
het hof begrijpt: de verdachte) de kinderen komen halen bij me. Ze hadden allebei gedoucht voordat ze werden opgehaald. Dat doen we standaard zo. De kinderen douchen altijd na het eten, voordat ze naar bed gaan. Ze krijgen altijd een schone onderbroek aan na het douchen.
het hof begrijpt: [betrokkene 4] , de vader van het slachtoffer) gedoucht en hebben daar een schone onderbroek aangetrokken. Dinsdag heeft [slachtoffer] geen schone onderbroek gekregen, omdat ze na het douchen al schoon ondergoed en schone bovenkleding aan had. U vraagt mij of [verdachte] weleens in de kledingkast van de kinderen kwam. Nee, nooit. De slaapkamer van [slachtoffer] is op de eerste etage. Hij kwam daar nooit. U vraagt mij of mijn kinderen met hun onderbroek onder hun pyjamaslapen. Ja.”
geenspeeksel bevat. Dit terwijl ter terechtzitting in hoger beroep door de NFl-deskundige L.H.J. Aarts is verklaard dat uit onderzoek blijkt dat een dergelijke aanwijzing voor speeksel meestal niet in de onderbroek van een vrouw wordt aangetroffen. Over de mogelijkheid van een vals-positief resultaat, dat voornamelijk verkregen kan worden als er ontlasting in de onderbroek aanwezig is, wordt in het NFI rapport van 6 september 2019 (p. 3) door de deskundige verklaard dat in de onderbroek geen visuele aanwijzing voor de aanwezigheid van ontlasting is waargenomen.
3.Bespreking van het eerste middel
NJ2004/165, m.nt. J.M. Reijntjes bepaald dat de feitenrechter zijn bewijsoverweging (mede) mag baseren op feiten of omstandigheden die niet uit de inhoud van de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen blijken, mits de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduidt, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeeft waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Een letterlijke weergave van de inhoud van dat bewijsmiddel wordt niet verlangd, een parafrasering van de inhoud is voldoende. Ingeval het feiten of omstandigheden betreffen die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of moet daarvan aldaar de korte inhoud zijn medegedeeld. [1]
4.Bespreking van het tweede middel
externe factorenmogelijk is, maar dat ook overdracht van sporen op de ene plaats van de onderbroek naar een andere plaats van de onderbroek mogelijk is (t.w. het vastgrijpen, verkreukelen of op een of andere wijze oprollen/vouwen en in een krant stoppen, waardoor plek A van de onderbroek contact maakt met plek B van de onderbroek). Dit is ook bevestigd ter terechtzitting door de deskundige Dr. Aarts. Dit dient ertoe te leiden dat de bevindingen naar aanleiding van bemonstering van de onderbroek met grote behoedzaamheid behoren te worden beschouwd.
aanwijzingen voormaar niet de
aanwezigheid vanspeeksel op de onderbroek is aangetoond. Bovendien wijst de beantwoording van nadere vragen door het NFI zowel als de analyse door het IFS uit dat de indicatieve test op alfa-amylase ook kan duiden op de aanwezigheid van andersoortige lichaamsvloeistoffen, zoals – bijvoorbeeld – urine of ontlasting.
aardis van dit celmateriaal en wat de
wijze van donerenis kan [AG: hieruit] niet volgen. In het bijzonder kan niet blijken dat cliënt zulks delict-gerelateerd zou hebben gedoneerd. Gelet op de hiervoor genoteerde bevindingen is het bovendien mogelijk dat het aan de binnenzijde van de onderbroek aangetroffen celmateriaal van cliënt daar is terechtgekomen vanwege overdracht van sporen van plek A naar plek B, bijvoorbeeld tijdens het (onbeschermd) hanteren, achterlaten en "veiligstellen" van de onderbroek. (Anders dan de advocaat-generaal aanvoert is het niet zo dat de "amylase-vlekken" behoeven te zijn overgedragen. Dat cliënt de donor van dat materiaal is, volgt immers geenszins uit de stukken. De vraag en het antwoord van de deskundige handelde om
celmateriaaldat kan zijn overgedragen, bijvoorbeeld vanaf de tailleband naar de binnenzijde van de onderbroek. En dat is
mogelijk, geeft de deskundige ter zitting aan.)
geenszinsvolgen wat de aard van het mogelijk door cliënt gedoneerde celmateriaal betreft,
laat staandat kan worden vastgesteld
datdit speeksel zou betreffen. (Sterker, uit het gegeven dat uit het onderzoek blijkt dat de gemeenschappelijke factor in de identificatie van DNA-profielen op sporen AAIS5448NL#05 - #08 het profiel van onbekende vrouw A, vermoedelijk [slachtoffer] zelf, betreft, is het zeer wel mogelijk dat
zijde donor is van het materiaal bevattende het enzym amylase.) Hier ter terechtzitting heeft de deskundige ook benadrukt: al zijn rapportages tonen
nietaan dat cliënt speeksel heeft gedoneerd.
anderemogelijkheid.
niet redengevendkan worden geacht voor bewezenverklaring.”
voor zoverin bemonsterd lichaamsmateriaal aanwijzingen voor de aanwezigheid van speeksel zijn aangetroffen, de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen – minst genomen – de mogelijkheid openlaten dat dit door (het slachtoffer) is gedoneerd en niet door (de verdachte)”.
aanwijzingen[cursivering door mij, AG] gevonden voor de aanwezigheid van speeksel. In bemonstering AAIS5448NL#08 is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal twee personen. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn ten minste 10 miljoen keer waarschijnlijker als de bemonstering binnenzijde kruis AAIS5448NL#08 celmateriaal bevat van het slachtoffer
en[cursivering door mij, AG] de verdachte dan wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van het slachtoffer en een willekeurige onbekende persoon. Voorts heeft het hof in zijn bewijsoverweging verwezen naar het NFI-rapport en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de deskundige Aarts waaruit onder meer blijkt (i) dat de onderzoeksresultaten veel beter passen bij de aanwezigheid van speeksel dan bij een andere vloeistof, (ii) dat als een onderbroek of een ander item wordt gelikt, men een dergelijk sporenbeeld ziet, (iii) dat een dergelijke aanwijzing voor speeksel meestal niet in de onderbroek van een vrouw wordt aangetroffen als daar geen seksuele handelingen aan ten grondslag hebben gelegen en (iv) dat de aanwijzingen voor speeksel moeten worden beoordeeld in het licht van het totaal van de bevindingen, waaronder de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte aan haar kruis heeft gelikt en het aangetroffen DNA in de onderbroek van het slachtoffer dat matchte met het DNA-profiel van de verdachte.
vastgestelddat de verdachte de donor van het speeksel is geweest – gaat het uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Immers, anders dan de steller betoogt, heeft het hof niet vastgesteld dat er speeksel van de verdachte is aangetroffen aan de binnenzijde van de onderbroek van het slachtoffer. Het hof heeft, onder verwijzing naar de forensische bevindingen, slechts overwogen dat er
aanwijzingenvoor speeksel zijn aangetroffen in de onderbroek van het slachtoffer. Vervolgens heeft het hof onderbouwd waarom het hof het scenario dat de verdachte de donor van het speeksel is geweest waarschijnlijker acht dan het scenario dat de verdachte niet de donor is geweest. Gelet op de forensische bevindingen en de overige vastgestelde feiten en omstandigheden, waaronder de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte aan haar kruis heeft gelikt, in onderlinge samenhang bezien, heeft het hof het verweer dat het speeksel mogelijk (enkel) door het slachtoffer is gedoneerd en niet door de verdachte naar mijn oordeel toereikend gemotiveerd verworpen. Dat niet in elk van de bemonsteringen celmateriaal van zowel het slachtoffer als een andere persoon is aangetroffen, doet daaraan niet af.