Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
Bij beschikking van 30 januari 2020 heeft de rechtbank Gelderland de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze echtscheidingsbeschikking is op 19 oktober 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De vrouw heeft in reconventie onder meer gevorderd dat de woning aan haar wordt toegescheiden. De vorderingen in reconventie heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding ingetrokken.
- 5.1 de vrouw veroordeeld om binnen twee weken na betekening van dit vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in de woning, onder de voorwaarde dat de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening geheel voor zijn rekening neemt en als eigen schuld voldoet en de vrouw doet ontslaan uit [haar] hoofdelijke aansprakelijkheid van voormelde hypothecaire geldlening;
- 5.2 bepaald dat indien de vrouw haar medewerking niet verleent, het vonnis op de voet van art. 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw aan de levering van de woning aan de man;
- 5.3 bepaald dat door verrekening van de vorderingen over en weer uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap de man heeft voldaan aan zijn verplichting een bedrag van € 36.189,50 aan de vrouw uit te keren, zijnde haar aandeel in het verschil tussen de waarde van het registergoed en de openstaande hypotheekschuld per zestien mei tweeduizend negentien;
- 5.4 bepaald dat de vrouw, in aanvulling op het recht tot verrekening, wordt bevolen tot betaling aan de man van een bedrag van € 44.615,02 alsmede de helft van de kosten van de overname van de hypothecaire geldlening door de man (€ 2.850,-- in totaal, ofwel
€ 1.425,-- per persoon) en de helft van de kosten van de notaris; en
- 5.7 het meer of anders gevorderde afgewezen.
De vrouw heeft zich tegen inwilliging van dat verzoek verzet. [3]
In incidenteel appel heeft de man bekrachtiging van het vonnis van 13 juli 2021, zoals hersteld bij vonnis van 22 juli 2021, gevorderd, met – verkort weergegeven – veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 4.027,95 ter zake van de notariskosten en kosten van de slotenmaker en daarnaast primair een bedrag van € 2.757,84 en subsidiair een bedrag conform het liquidatietarief in verband met de proceskosten die de man heeft gemaakt in de procedure tussen de man en de notaris, die heeft geresulteerd in het kortgedingvonnis van 11 augustus 2021 [5] .
(i) het kortgedingvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht [bedoeld zal zijn: rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem] van 13 juli 2021, zoals hersteld bij vonnis van 22 juli 2021, vernietigd voor zover de vrouw daarin is bevolen tot betaling aan de man van € 44.615,02 zoals opgenomen in onderdeel 5.4 van het dictum van dat vonnis;
(ii) het kortgedingvonnis voor het overige bekrachtigd, en
(iii) het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Voor het geval de vordering van de man wel onderdeel zou hebben uitgemaakt van de rechtsstrijd in hoger beroep, wordt aangevoerd dat de vrouw “niet erover heeft gegriefd dat de rechtbank de vordering ten onrechte zou hebben toegewezen omdat het een declaratoir zou zijn en toewijzing hiervan in kort geding niet zou zijn toegestaan.” Om die reden kan, aldus de man, in het midden blijven of de desbetreffende beslissing declaratoir is en zo ja, of een dergelijke beslissing in kort geding is toegestaan.
De vraag of een voorzieningenrechter een bepaalde voorziening
maggeven, heeft betrekking op zijn bevoegdheid, dus op de absolute competentie. Als de voorzieningenrechter een beslissing heeft gegeven waartoe hij niet bevoegd is, is m.i. de openbare orde in het geding.
Dit is ook de opvatting van Snijders/Wendels [8] :
Dit illustreert m.i. dat de aanhef van de vordering om ‘te bepalen dat’ niet doorslaggevend is en dat de aard van de gevraagde voorziening soms moet worden uitgelegd.
VERDELING EN LEVERING
- gelegen te (…),
voor de volgens [de makelaar] daaraan toegekende waarde van driehonderdduizend euro (€ 300.000,00), onder de verplichting voor [de man] om voormelde hypothecaire schuld ten behoeve van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AEGON Hypotheken B.V. geheel voor zijn rekening te nemen,
onder volledige vrijwaring van [de vrouw] van elke aan- en/of namaning terzake van die schulden om wegens overbedeling een bedrag van zesendertigduizend honderd negenentachtig euro aan [de vrouw] uit te keren, zijnde haar aandeel in het verschil tussen de voormelde waarde van het registergoed en de openstaande hypotheekschuld per zestien mei tweeduizend negentien (16-05-2019) (conform voormelde beschikking van het Gerechtshof).
Aan de comparante sub 2 wordt toebedeeld:een vordering ten laste van de comparant sub 1 ter grootte van voormeld bedrag van zesendertigduizend honderd negenentachtig euro en vijftig cent (€ 36.189,50), welke vordering door de comparant sub 1 is voldaan, waarvoor kwijting zonder enig voorbehoud.”
Perbo/Ontvangerde toenmalige literatuur en de daarin ingenomen standpunten. Daaruit blijkt dat de opvatting van Meijers dat “vorderingen die tot een declaratoir van rechten strekken ten enenmale het karakter van een voorziening bij voorraad missen”, door veel schrijvers wordt aangehangen, onder wie Zonderland, Schenk en Van Rossem-Cleveringa, en dat deze opvatting wordt bestreden door o.a. Okma. Heemskerk sluit zich vervolgens aan bij de strekking van het betoog van Okma met de volgende stelling:
De Hoge Raad kan de zaak m.i. zelf afdoen door het kortgedingarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 december 2021 te vernietigen voor zover daarin de toewijzing van de vordering, als bedoeld in rov. 5.3 van het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 13 juli 2021, is bekrachtigd en vervolgens genoemd kortgedingvonnis te vernietigen en de man niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering als bedoeld in rov. 5.3 van dat vonnis.