In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag waarin een betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd opgelegd aan de betrokkene. De betrokkene werd geconfronteerd met een ontnemingsvordering die op 4 april 2015 aan hem werd betekend, terwijl het vonnis in eerste aanleg pas op 17 juli 2017 werd gewezen. Hierdoor werd aangevoerd dat de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden.
De advocaat-generaal betoogde dat het hof onvoldoende had onderzocht of de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden en welk rechtsgevolg daaraan verbonden moest worden. Het hof had zich slechts gericht op de redelijke termijn in hoger beroep en had de betalingsverplichting vastgesteld zonder de vereiste korting wegens overschrijding in eerste aanleg toe te passen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit had moeten onderzoeken en motiveren, en vernietigde het arrest voor zover het de betalingsverplichting betreft. De zaak wordt terugverwezen om de betalingsverplichting te heroverwegen met inachtneming van de redelijke termijn. De rest van het beroep werd verworpen. De zaak betreft tevens de toepassing van vaste jurisprudentie omtrent de redelijke termijn en compensatie bij overschrijding daarvan.
De betrokkene ondervond aanzienlijke gevolgen van de langdurige procedure, waaronder de afwijzing van zijn naturalisatieverzoek. De Hoge Raad bevestigt het belang van een zorgvuldige motivering bij overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken.