Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
(…)
3.Het geding in cassatie
ii. Zoals belanghebbende reeds heeft betoogd, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, gaat het er bij beantwoording van de vraag of, en zo ja, in hoeverre het vermogen van [A] 'discretionair' of 'fixed' is om of het vermogen van [A] reeds op basis van de reguliere wetssystematiek aan de kleinkinderen [...] als begunstigden van [A] moet worden toegerekend. Indien dit laatste het geval is, kan namelijk niet worden toegekomen aan de bijzondere toerekeningsregel van art. 2.14a Wet IB 2001. Belanghebbende verwijst in dit kader naar r.o. 2.4.4 van het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015, 13/04999, BNB 2015/152 waarin is geoordeeld dat:
ii. Het Hof meent dat, gelet op de feiten en omstandigheden, in onderhavige casus, anders dan in het hierboven vermelde arrest [A-G: Hoge Raad 20 januari 2012, nr. 10/04493], erflaatster wel partij was bij de inbreng van het vermogen van de stichting (…).
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
partnerworden in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken. Bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene tot wiens bezit die bestanddelen behoren.
Ten aanzien van het schrappen van de zinsnede «met uitsluiting van de andere echtgenoot» geldt dat uit deze zinsnede volgt dat het bestuur een exclusieve bevoegdheid is. Dit is het geval in een stelsel van privatief bestuur over tot de wettelijke gemeenschap behorende goederen en sloot dus aan bij het wettelijke stelsel van vóór de inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen. Bij de inwerkintreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen, die is voorzien op 1 januari 2012, zal het stelsel van bestuur over de tot de gemeenschap behorende goederen echter worden gewijzigd van een privatief stelsel in een stelsel van gemengd cumulatief-privatief bestuur. Zulks volgt uit artikel 1:90 lid 1 BW Pro in verbinding met artikel 1:97 BW Pro.
BNB1971/158). Ook de echtgenoot die niet over de aandelen kan beschikken wordt derhalve geacht - voor de helft - aanmerkelijkbelanghouder te zijn en voor de helft gerechtigd te zijn in de verkoopopbrengst van de aandelen.
Er is overigens wel een verschil tussen de niet-schenkende echtgenoot en de niet-inbrengende echtgenoot in termen van bescherming tegen de schenking respectievelijk inbreng: in geval van schenking dient de echtgenoot toestemming te verlenen voor de schenking als bedoeld in artikel 1:88 BW Pro. Indien de toestemming niet verleend is, is de schenking op grond van artikel 1:89 BW Pro vernietigbaar. De inbrenghandeling is echter, ook indien het APV geen andere tegenprestatie verricht dan het op zich nemen van de verplichting tot het doen van uitkeringen, naar mijn mening geen gift, [59] hetgeen met zich brengt dat artikel 1:88 BW Pro in beginsel niet van toepassing is op de inbreng. Dit verschil in bescherming is overigens mijns inziens geen reden om de andere echtgenoot dan mede als inbrenger te beschouwen, ook niet als de echtgenoot wel (zinledige) toestemming voor de inbreng verleent. Dit doet er niet aan af dat slechts één echtgenoot de inbrenghandeling verricht. Kortom, in civielrechtelijke context kan slechts de inbrengende echtgenoot als inbrenger aangemerkt worden en niet tevens de andere echtgenoot.