Conclusie
[eiser 1]
[eiser 2]
[eiseres 3]
adv.: mr. C.S.G. Janssens
[verweerder 1]
[verweerster 2]
adv.: mr. J. van der Beek
1.Inleiding en samenvatting
[eisers]) is toegestaan (deels) doorzichtige en te openen ramen te hebben in de muur van een voormalige aula/gymzaal die grenst aan de tuin van verweerders (hierna:
[verweerders] .). Volgens [verweerders] . wordt daarmee inbreuk gemaakt op art. 5:50 lid 1 BW Pro. [eisers] stellen zich op het standpunt dat de ramen zijn toegestaan op grond van een 1993 gevestigde erfdienstbaarheid. Het hof heeft geoordeeld dat de erfdienstbaarheid een recht van in- en uitzicht geeft maar niet zo moet worden uitgelegd dat daarmee bedoeld is de eigenaren de mogelijkheid te bieden zich méér in- en uitzicht te verschaffen dan zij ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid al hadden. Nu de ramen ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid geen in- of uitzicht gaven, gelet op hun hoogte ten opzichte van de vloer (3 meter), maar na het aanbrengen van een verdiepingsvloer inmiddels wel, heeft het hof voor recht verklaard dat de ramen permanent ondoorzichtig en vast moeten zijn en heeft het [eisers] veroordeeld om ervoor te zorgen dat de ramen aan die verklaring voldoen. In cassatie worden diverse rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel gericht.
2.Feiten
VESTIGING ERFDIENSTBAARHEDEN
de hiervoor onder N. omschreven appartementsrechten’.
voormelde percelen kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [001] , nummers [002] ’in de onder (iii) weergegeven akte.
3.Procesverloop
de huidige bouwkundige toestand waarin de desbetreffende percelen zich bevinden wordt gehandhaafd, speciaal voor wat betreft gemeenschappelijke muren, recht van in- en uitzicht, enzovoorts”. Het is dus van belang om de bouwkundige toestand voor wat betreft het in- en uitzicht ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid vast te stellen. [eiser 1] heeft verklaringen en beeldmateriaal overgelegd waaruit is af te leiden dat een deel van de ramen doorzichtig was, hetgeen [verweerders] . onvoldoende hebben betwist (rov. 4.5).
deelvan de raampjes bestaat. Nu de gevestigde erfdienstbaarheid een uitzondering vormt op het verbod zoals dat is neergelegd in art. 5:50 lid 1 BW Pro kan het standpunt van [verweerders] . dat
alleramen en de deur permanent vaststaand en ondoorzichtig moeten zijn niet worden gevolgd. De vorderingen a) en b) worden dan ook afgewezen (rov. 4.6).
grief 1van belang, die is gericht tegen de afwijzing van vorderingen a) en b) (vonnis, rov. 4.5 en 4.6). [verweerders] . hebben in de toelichting onder meer aangevoerd dat door het aanbrengen van de verdiepingsvloer ten aanzien van de reeds aanwezige ramen een geheel nieuwe situatie is ontstaan, omdat daardoor vanuit het pand voor het eerst uitzicht op de tuin van [verweerders] . mogelijk is geworden. Dit zicht was er, gelet op de hoogte waarop de ramen zich bevinden (3 meter), ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid in 1993 niet. Daardoor is volgens [verweerders] . zonder meer in strijd met de erfdienstbaarheid gehandeld, die ziet op het respecteren van de bestaande situatie van in- en uitzicht. [7] Voorts zijn [eisers] niet geslaagd in het bewijs dat in 1993 de ramen konden worden geopend en deels doorzichtig waren. [8]
de huidige bouwkundige toestand waarin de desbetreffende percelen zich bevinden wordt gehandhaafd, speciaal voor wat betreft gemeenschappelijke muren, recht van in- en uitzicht, enzovoorts’. Deze erfdienstbaarheid legaliseert de op het moment van vestiging bestaande bouwkundige toestand door de eigenaren van de in de akte bedoelde percelen over en weer een recht van in- en uitzicht te geven, in afwijking van het bepaalde in art. 5:50 lid 1 jo Pro. 5:51 BW. Uitleg van de gebezigde woorden op de wijze als in rov. 3.11 uiteengezet, biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de betrokken partijen in 1993 hebben beoogd aan de eigenaren de mogelijkheid te bieden zich meer in- en uitzicht te verschaffen dan op zij op het moment van het vestigen van de erfdienstbaarheid al hadden (rov. 3.14).
de huidige bouwkundige toestand (…) wordt gehandhaafd’wijst eerder op het tegendeel. Het argument van [eisers] dat het plaatselijke gewoonte is dat iedereen bij elkaar naar binnen mag kijken, acht het hof onvoldoende gemotiveerd (rov. 3.16).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
uitzichtop het naburig erf en (ii) indien de eigenaar van het naburige erf
toestemmingheeft gegeven.
Alles hangt hier immers af van de grenzen van het recht, zoals die krachtens het in artikel 4 [thans 5:73 lid 1, A-G]
(…) bepaalde gelden; binnen die grenzen zal het dienende erf een verzwaring moeten dulden. Indien aan de voorwaarden, in artikel 8 gesteld Pro, is voldaan, zal de eigenaar echter wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid kunnen vorderen. [24]
de huidige bouwkundige toestand waarin de desbetreffende percelen zich bevinden wordt gehandhaafd, speciaal voor wat betreft gemeenschappelijke muren, recht van in- en uitzicht, enzovoorts’. Deze erfdienstbaarheid legaliseert de op het moment van vestiging bestaande bouwkundige toestand door de eigenaren van de in de akte bedoelde percelen over en weer een recht van in- en uitzicht te geven, in afwijking van de hiervoor weergegeven bepalingen van het burenrecht. De gebezigde woorden, uitgelegd op de wijze als hiervoor onder 3.11. uiteen gezet, bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de betrokken partijen in 1993 hebben beoogd aan de eigenaren de mogelijkheid te bieden zich meer in- en uitzicht te verschaffen dan dat zij op het moment van het vestigen van de erfdienstbaarheid al hadden.
primairdat het hof met het oordeel in rov. 3.14 heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen wat de erfdienstbaarheid
nietis en niet te beoordelen wat de erfdienstbaarheid
welinhoudt, dus welke rechten de erfdienstbaarheid de partijen wél verschaft. Het hof heeft daarmee in strijd met art. 5:73 lid 1 BW Pro verzuimd de inhoud en de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid vast te stellen. Althans, zo luidt de
subsidiaireklacht, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk omdat het hof niet heeft gemotiveerd op welke wijze de negatieve vaststelling dat de bewoording van de erfdienstbaarheid geen aanknopingspunten bevat voor de door [eisers] voorgestane betekenis zou moeten leiden tot de vaststelling van hetgeen de erfdienstbaarheid wél inhoudt. Met het oordeel van het hof blijft dan ook onduidelijk wat partijen met de vestiging van de erfdienstbaarheid meer of anders dan het burenrecht hebben willen regelen, aldus de klacht.
bestaanden met het burenrecht strijdig in- en uitzicht. Dat partijen bij de vestiging beoogd hebben de eigenaren de mogelijkheid te bieden zich in de toekomst
meerin- en uitzicht te verschaffen dan zij op het moment van vestiging al hadden, blijkt volgens het hof niet uit de bewoordingen van de akte.
plaatselijke gewoonte.
onvoldoende gemotiveerdis. Het subonderdeel bestempelt dit als onbegrijpelijk in het licht van de in de subonderdelen aangehaalde stellingen van [eisers]
stelplicht en bewijslastten aanzien van de inhoud en de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid bij [eisers] heeft gelegd. Volgens de klacht was het ter afwering van de op art. 5:50 lid 1 BW Pro gebaseerde vordering van [verweerders] . voldoende dat [eisers] het bestaan van de erfdienstbaarheid zouden stellen en onderbouwen en rustten op hen niet tevens de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de inhoud en wijze van uitoefening. Nu [verweerders] . met de gevorderde verklaring voor recht
de factowijziging van de erfdienstbaarheid als bedoeld in art. 5:78 sub a BW Pro hebben gevorderd, brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 150 Rv Pro mee dat [verweerders] . de inhoud en wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid dienden te stellen en zo nodig bewijzen.
de factoeen verzoek tot wijziging van de erfdienstbaarheid (art. 5:78 sub a BW Pro) inhoudt. Deze aanname is niet juist. Ik verwijs naar de bespreking van subonderdeel 1.2.2 en onderdeel 2.
subonderdeel 1.2.2heeft het hof miskend dat het aan de gevorderde verklaring voor recht ten grondslag gelegde art. 5:50 lid 1 BW Pro niet van toepassing is indien een erfdienstbaarheid is gevestigd die het in- en uitzicht tussen de erven regelt. Met de vestiging van de erfdienstbaarheid hebben de partijen immers van het burenrecht willen afwijken. [28] Het hof had dan ook de vordering van [verweerders] . moeten afwijzen omdat die niet toewijsbaar is, dan wel had het hof de vordering moeten behandelen als een verzoek om wijziging van de erfdienstbaarheid als bedoeld in art. 5:78 sub a BW Pro. Nu het hof heeft vastgesteld dat een erfdienstbaarheid is gevestigd, kon het de zaak niet op grond van art. 5:50 lid 1 BW Pro afdoen, omdat de rechtsverhouding tussen partijen wordt geregeerd door de in titel 5.6 opgenomen regeling over erfdienstbaarheden, aldus de klacht.
nietin afwijking van het burenrecht is voorzien. Het hof heeft de vordering terecht beoordeeld en toegewezen op grond van art 5:50 lid 1 BW Pro. Het hof was niet gehouden de vordering te behandelen als een vordering tot wijziging van de erfdienstbaarheid op de voet van art. 5:78, aanhef en sub a, BW. Nog los van het feit dat de stellingen daarvoor geen aanknoping boden (art. 25 Rv Pro), kan aan die toets pas worden toegekomen indien de situatie op zichzelf door de erfdienstbaarheid wordt gedekt (zie hiervoor onder 4.13). De klacht faalt.
primairdat het oordeel van het hof om twee redenen rechtens onjuist is (subonderdelen 2.1 en 2.2).
Subsidiairklaagt het dat het oordeel onbegrijpelijk is (subonderdeel 2.3).
onjuist criteriumheeft aangelegd bij de beoordeling of de door [verweerders] . gevorderde verklaring voor recht diende te worden toegewezen. Indien uit de bepaling van de inhoud en de wijze van uitoefening ex art. 5:73 lid 1 BW Pro volgt dat sprake is van een verzwaring van de erfdienstbaarheid, dient aan de hand van de in
art. 5:78 sub a BW Proneergelegde maatstaf te worden beoordeeld of die verzwaring al dan niet moet worden geduld, aldus het subonderdeel. [29]
subonderdeel 2.2heeft het hof dan ook miskend dat de eigenaar van het dienende erf op grond van art. 5:78 sub a BW Pro in beginsel een verzwaring van de erfdienstbaarheid heeft te dulden, tenzij sprake is van een onvoorziene omstandigheid van dien aard dat ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van hem kan worden gevergd. Het subonderdeel klaagt dat het hof deze maatstaf niet aan de beoordeling van de gevorderde verklaring voor recht ten grondslag heeft gelegd, waarmee het heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
nietdoor de erfdienstbaarheid wordt gerechtvaardigd (rov. 3.14 (slot) (tevergeefs bestreden) i.v.m. rov. 3.15 (onbestreden)), hoefden [verweerders] . dat uitzicht reeds uit dien hoofde niet te dulden en was het hof niet gehouden te toetsen aan het criterium van art. 5:78, aanhef en sub a, BW (zie hiervoor onder 4.13 en 4.31). Hierop stuiten alle klachten af.