Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
Op zijn beurt heeft [verzoeker] zijn aandelen in MMZ in 2011 overgedragen aan vijf anderen. Hij heeft zijn functie als bestuurder neergelegd.
CEB heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
‘to be performed with 15% equity between $ 15 - $ 17’, een tweede schip
‘with approximately $ 25 - 27,5 credit limit’, alsmede (verbeterd gelezen:)
‘MMZ to be transferred after this second credit is used’. Er staat verder, onder meer:
‘Once the first vessel is completed, the money owed to [verzoeker] will reduce from $ 75 thousand monthly to $ 45 thousand. After the second vessel is completed, monthly allowance will be cancelled out. (…) A cap will be set as for how long to pay $ 45 monthly.’
In de onderhavige zaak gaat het om een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
Volgens het subonderdeel geldt, zakelijk weergegeven, hetzelfde met betrekking tot de toepassing van de maatstaf van art. 166 lid 1 Rv Pro in de rov. 3.5-3.7 en geeft daarnaast de verwijzing in rov. 3.5-3.7 naar de hierboven onder 2.7 omschreven overeenkomst in elk geval blijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof daarmee tot uitdrukking brengt dat alleen belang bij een voorlopig getuigenverhoor bestaat indien het gaat om bewijsgaring ten behoeve van een specifieke gestelde overeenkomst. De
subonderdelen 1.3, 1.5en
1.6klagen voorts onder meer dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [verzoeker] .
[verzoeker] heeft ter toelichting op zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor onder meer aangevoerd dat hij de kans wil krijgen om getuigenbewijs te verzamelen om aan de hand daarvan te kunnen bepalen of en hoe hij de vordering die hij op CEB meent te hebben, wil instellen. [13] Daaruit blijkt dat hij vooraf een inschatting wilde maken. Juist in het geval van een aan een eventuele procedure voorafgaand voorlopig getuigenverhoor, waarin het gaat om een inschatting of het raadzaam is een procedure te beginnen, en zo ja, waarover en tegen wie, is voldoende dat feiten en omstandigheden worden vermeld op grond waarvan kan worden beoordeeld of voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben en waarom het verhoor met het oog op (de strekking van) de eventueel in te stellen vordering(en) van belang kan zijn. [14] Of het gestelde is betwist dan wel “of de gestelde onbetwiste feiten de gevolgtrekking wettigen dat de gestelde overeenkomst tot stand is gekomen” (rov. 3.5), dan wel of de gestelde (betwiste) feiten het bewijs van de gestelde overeenkomst kunnen opleveren waaraan [verzoeker] een vordering wil ontlenen (rov. 3.6 en rov. 3.7), doen niet ter zake. Het toepassen door het hof van het vereiste van art. 166 Rv Pro geeft dus ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, of is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Daarnaast past het hof in de bestreden rov. 3.5 en 3.6 de toets toe of de door [verzoeker] in het verzoekschrift gestelde afspraken tussen partijen, in de bodemzaak kan leiden tot toewijzing van de vordering die hij aan deze afspraken wil ontlenen (zie onder andere met zoveel woorden de derde volzin van rov. 3.6). In zoverre heeft het hof miskend dat in de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voorligt (zie hierboven onder 3.8).
Het subonderdeel slaagt dus.
Het subonderdeel klaagt, samengevat, dat het hof aldus heeft miskend dat in de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voorligt, althans heeft miskend dat niet is vereist dat de verzoeker nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen. Het subonderdeel klaagt daarnaast dat het hof een onbegrijpelijke lezing heeft gegeven aan de stellingen van [verzoeker] door eisen te stellen aan de feiten die [verzoeker] had moeten aanvoeren over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waaruit gebondenheid van CEB zou kunnen volgen, dan wel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen (bij voorbaat) niet zou kunnen leiden tot het bewijs van de overeenkomst waaraan [verzoeker] een vordering wil ontlenen.
De eerste klacht van het subonderdeel treft daarmee doel. De overige klachten behoeven geen verdere behandeling.
Het nu voorliggende verzoek is niet toewijsbaar, omdat niet is voldaan aan de vereisten voor toewijzing neergelegd in artikel 843a, eerste lid, Rv, op welke bepaling het verzoek is gegrond. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Het subonderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof een te strenge eis heeft aangelegd met zijn oordeel dat niet kan worden aangenomen dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en daarom niet kan worden uitgegaan van het bestaan van een rechtsbetrekking waarbij [verzoeker] partij is. Het subonderdeel voert daartoe, zakelijk en verkort weergegeven, aan dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, slechts voldoende aannemelijk moet zijn en nog niet in rechte behoeft vast te staan. [17] Het subonderdeel klaagt subsidiair dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, nu [verzoeker] met stellingen [18] gemotiveerd heeft uiteengezet hoe en wanneer de overeenkomst volgens hem tot stand is gekomen en wat de inhoud ervan is, en niet valt in te zien wat [verzoeker] nog meer zou hebben kunnen/moeten stellen. De enkele omstandigheid dat CEB het bestaan van de rechtsbetrekking (overeenkomst) gemotiveerd heeft bestreden, kan volgens het subonderdeel in elk geval niet als voldoende motivering gelden.
AIB/Novisem [19] en
Synthon/Astellas [20] , waarin de Hoge Raad voor het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv de maatstaf heeft gegeven dat degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, zodanige feiten en omstandigheden moet stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moet onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt.
De Hoge Raad heeft vervolgens in het arrest
Organik/Dow [21] geoordeeld dat die maatstaf zich ook leent voor toepassing op een rechtsbetrekking die voortvloeit uit het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen, alhoewel de art. 1019 e.v. Rv daarop niet van toepassing zijn.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad bij arrest van 10 juli 2020 in de zaak
Semtex/X [22] beslist dat ook buiten het terrein van inbreuk op intellectuele eigendomsrechten en het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv heeft te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Dit arrest dateert van na de hierboven onder 3.20 geciteerde memorie van toelichting.
Semtex/Xook in een zaak als de onderhavige heeft te gelden, te weten dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. De klacht dat het hof als maatstaf heeft genomen dat de rechtsbetrekking in rechte moet vaststaan, mist dus doel.
Subonderdeel 2.1 faalt dus.
Volgens het subonderdeel is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd omdat [verzoeker] zich uitdrukkelijk heeft beroepen op een reeds bij het inleidend verzoekschrift in het geding gebrachte brief van (de advocaat van) CEB waarin wordt erkend dat en uiteengezet wordt waarom CEB hem als bestuurder/aandeelhouder heeft aangesteld, waarnaar in de pleitnota hoger beroep wordt verwezen. [24]
productie 7: brief advocaat [verzoeker] 21 juni 2018.
41. Per brief van 11 juli 2018 reageerde de advocaat van CEB op de brief van de advocaat van [verzoeker] . In de brief wijst CEB de vordering van [verzoeker] van de hand.
productie 8: brief advocaat CEB 11 juli 2018.
The reason why CEB (and Fiba Group) offered him to be appointed as director and/or shareholder of MMZ AS, Matisse Overseas Ltd., Crunch Overseas Ltd., Sparks Ocean Ltd., Kiwi Maritime Co. Ltd., Freedom Maritime Ltd., Hero Maritime Ltd. and Summit Navigation was as follows. CEB (and Fiba Group) wanted to appoint a trustworthy and experienced person (....).”
De stellingen waarop [verzoeker] zich beroept, hebben dus geen betrekking op het art. 843a-verzoek en kunnen dus geen grond zijn voor de motiveringsklacht van het subonderdeel.
Daarop stuit subonderdeel 2.2 af.
onderdeel 3(voortbouwklacht), slagen.