Conclusie
legal opinionvan de in Israël ingeschreven advocaat Rotem Tubul in, waarop door de raadsvrouw in haar pleitnota ook een beroep is gedaan op de zitting van de rechtbank (zie hieronder nader de randnummers 5 en 6). Uit deze
legal opinionzou, zo betoogt de steller van het middel, geenszins blijken “dat de Israëlische rechter een adequate compensatie biedt voor schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn hetgeen het eventuele vermoeden dat dit recht zal worden beschermd door de Israëlische rechter weerlegt, en zelfs een vermoeden van het tegendeel rechtvaardigt”.
5. Dreigende flagrante schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag betreffende de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
legal opinionvan de Israëlische advocaat mr. Tübul. De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Subsidiair heeft zij de rechtbank verzocht het onderzoek te schorsen teneinde de Israëlische justitiële autoriteiten om nadere informatie te vragen ten aanzien van het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: MvJeV) te adviseren de uitlevering niet toe te staan.
flagrant denial of justice.
flagranteinbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM. De rechtbank stelt daarnaast vast dat Israël is aangesloten bij het IVBPR. Aldus dient de rechtbank er op basis van het vertrouwensbeginsel van uit te gaan dat Israël het recht op een berechting binnen een redelijke termijn ex artikel 14, derde lid, onder c, IVBPR zal waarborgen. Het primaire verweer wordt verworpen. Het subsidiair gedane verzoek wordt afgewezen, omdat een dreigende flagrante schending van het recht op een berechting binnen een redelijke termijn niet is vastgesteld. Voor wat betreft het meer subsidiair gedane verzoek verwijst de rechtbank naar haar advies aan de MvJeV.
6. Slotsom
8. Beslissing
TOELAATBAARde door Israël verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] ten behoeve van de strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen [ ] geplaatste deel van de bijlage.”
Ontoelaatbaar verklaring uitlevering in verband met risico flagrante schending art. 6 EVRM Pro, meer in het bijzonder berechting binnen een redelijke termijn:
andersis – en de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering in dat geval ook komt te vervallen – indien
legal opinionvan mijn collega uit Israel, Rotem Tubul, moet worden geconcludeerd dat die rechterlijke beoordeling onvoldoende is gegarandeerd en dat van een rechterlijke voorziening als bedoeld in art. 13 EVRM Pro met betrekking tot deze schending geen sprake is.
overwogeneen aanvullend verzoek om rechtshulp te doen uitgaan in
ruim twee jaarheeft moeten duren om tot de conclusie te komen dat die [betrokkene 4] zich niet meer in Nederland zou bevinden. Belang voor de zaak en urgentie om deze [betrokkene 4] te vinden hebben kennelijk ontbroken. Dat [betrokkene 4] van belang zou zijn voor de strafzaak wordt bovendien weersproken door het feit dat de strafzaken tegen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gewoon zijn doorgegaan zonder dat op [betrokkene 4] en diens verklaring is gewacht.
Hutchison Reid v. United Kingdom(appl. nr 50272/99) waar
een jaarper instantie als vuistregel werd gehanteerd: “
While one year per instance may be a rough rule of thumb in Article 6 § 1 cases, Article 5 § 4, concerning issues of liberty, requires particular expedition.” We weten dat onze Hoge Raad de redelijke termijn heeft bepaald op twee jaar per instantie, maar ook die tijd is in de zaak van cliënt al lang en breed verstreken. En zelfs als de behandeling van een zaak in zijn totaliteit niet onredelijk veel tijd in beslag heeft genomen, dan nog kan de duur van de afzonderlijke fasen daarvan tot de conclusie leiden dat sprake is van schending van art. 6. Zie de zaak Abdoella (EHRM 25 november 1992, NJ 1993/24 (Abdoella)).
legal opiniongeen sprake.
arguable complaint' op grond van het Verdrag behandelt en die passende maatregelen kan nemen. De voorziening moet zowel in de praktijk als naar de wet
effectivezijn, waarmee is bedoeld dat die doelmatig (
adequate) en toegankelijk (
accessible) moet
legal opinionnaar aanleiding van mijn verzoek, wordt allereerst geconcludeerd dat het verstrijken van de tijd voor de rechter op zich geen reden is om het proces tegen cliënt in Israël te staken. Dat is ook niet wat art. 13 EVRM Pro verlangt.
insofar as [opgeëiste persoon] has not committed additional offenses since the offenses for which he was requested to be extradited, the Israeli court can take this consideration into account and mitigate the sentence to some extent.’
NJ2017/276, m.nt. Rozemond tot uitgangspunt worden genomen. Dit arrest houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:
de opgeëiste persoon, AG] de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken – gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en Pro 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet – het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek [
de opgeëiste persoon, AG] zal worden blootgesteld aan een
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM Pro voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van [
de opgeëiste persoon, AG] is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. […]
de opgeëiste persoon, AG] in art. 6 EVRM Pro zijn toegekend, geldt het volgende.
verzoek tot uitlevering ter strafvervolgingen wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een
dreigendemensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW Pro […] deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
de opgeëiste persoon, AG] in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van [
de opgeëiste persoon, AG] op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van [
de opgeëiste persoon, AG] op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds
voltooideschending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
flagranteinbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM”. Ik begrijp uit de overwegingen van de rechtbank dat naar haar oordeel evenmin sprake is van dreiging van zo een inbreuk op art. 14, eerste lid, IVBPR.
Othman/V.K.),
NJ2013/360, m.nt. Keijzer, waar gevallen zijn opgesomd die zijn aan te merken als een
flagrant denial of justice.
Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights.
Right to a fair trial (criminal limb)”, die op de website van het EHRM is gepubliceerd, zijn de in de uitspraak in de zaak
Othman/V.K.vermelde gevallen nog immer illustratief. [2] In de ‘Guide on Article 6’ (p. 104) worden naast de vier onder a-d beschreven voorbeelden van een
flagrant denial of justice– onder verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM – nog twee gevallen aangewezen: e) het gebruik in een strafprocedure van verklaringen die van een ander dan de verdachte zijn verkregen door middel van handelen in strijd met art. 3 EVRM Pro [3] en f) een proces voor een militaire commissie zonder dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de commissie is gegarandeerd terwijl een hoge waarschijnlijkheid bestond dat bewijs tijdens het proces voor de commissie werd toegelaten dat was verkregen door marteling. In navolging van de overwegingen van het EHRM wordt de ‘
flagrant denial of justice’
-toets in de ‘Guide on Article 6’ als stringent gekwalificeerd. Daar wordt voorts – uiteraard wederom met verwijzingen naar de rechtspraak van het EHRM – aan deze kwalificatie het volgende toegevoegd: “A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial proceedings such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article […].” [4]
Othman/V.Ken de analyse van de (overige) rechtspraak in de ‘Guide on Article 6’, dat zich pas een
flagrant denial of justicevoordoet indien de inbreuk op de door art. 6 EVRM Pro gegarandeerde beginselen van een eerlijk proces zo fundamenteel is dat deze resulteert in het tenietdoen, of de destructie, van de essentie van het in art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
NJ2017/276, m.nt. Rozemond en de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het EHRM, is de rechtbank van het juiste rechtskader uitgegaan bij haar oordeel dat niet is komen vast te staan dat ten aanzien van de opgeëiste persoon al sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM respectievelijk art. 14, eerste lid, IVBPR. [5] Dit oordeel acht ik ook niet onbegrijpelijk en, bezien in het licht van wat door de verdediging ter zitting is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat i) de rechtbank er op basis van het vertrouwensbeginsel van uit is gegaan dat Israël het recht op een berechting binnen een redelijke termijn ex art. 14, derde lid aanhef en onder c, IVBPR zal waarborgen, ii) een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn in de rechtspraak van het EHRM en de rechtspraak van de Hoge Raad niet als een
flagrant denial of justicewordt aangeduid, iii) de schending van dat recht ook niet verwant is aan de in die rechtspraak wel als zodanig aangeduide gevallen en iv) niet zonder meer valt in te zien hoe een geïsoleerde schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn een zo fundamentele inbreuk op de beginselen van een eerlijk proces oplevert dat deze resulteert in het tenietdoen, of de destructie, van de essentie van het in art. 6 EVRM Pro respectievelijk art. 14 IVBPR Pro neergelegde recht op een eerlijk proces. In het licht van deze constateringen was, naar mijn inzicht, een nadere onderbouwing vereist van het verweer dát de gestelde schending van het recht van de opgeëiste persoon op berechting binnen een redelijke termijn erin resulteert dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een
flagranteinbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
een schendingvan het recht op berechting binnen een redelijke termijn, en al helemaal niet van de daarop gebaseerde blootstelling aan het risico van
een flagrante inbreukop art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
een schendingvan het recht op berechting binnen een redelijk termijn, laat staan dus tot het oordeel dat sprake is van het risico van
een flagrante inbreukop dat in art. 6 EVRM Pro en art. 14 IVBPR Pro neergelegde recht (waaraan de opgeëiste persoon zou zijn blootgesteld). Ik wijs hierbij op de vaste rechtspraak van het EHRM over het recht op berechting binnen een redelijke termijn waaruit onder meer volgt dat de complexiteit van de zaak, de proceshouding van de verdachte/opgeëiste persoon en het optreden van de relevante administratieve en rechterlijke instanties, als beoordelingsfactoren worden betrokken bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden. [6] Met uitzondering van het gedrag van de opgeëiste persoon – waarover door de verdediging is gesteld dat de opgeëiste persoon zich nooit op ook maar enig moment aan naspeuringen van justitie heeft onttrokken –, is door de verdediging niet voldoende op basis van de relevante beoordelingsfactoren aangevoerd waarom het gestelde tijdsverloop tussen het eerste verhoor en de behandeling van het voorliggende uitleveringsverzoek leidt tot de slotsom dat de strafvervolging van de opgeëiste persoon onredelijk lang duurt en/of zal duren. En waarom de gestelde (en dreigende) schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn het risico met zich brengt van een inbreuk op art. 6 EVRM Pro en/of art. 14 IVBPR Pro die als flagrant zal moeten worden aangemerkt, wordt (nogmaals) in het geheel niet onderbouwd in het verweer. [7]
NJ2017/276, m.nt. Rozemond – mee dat het middel geen bespreking meer behoeft voor zover het berust op de stelling dat door de verdediging voldoende onderbouwd is aangevoerd dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat omdat in Israël geen ‘adequate compensatie’ mogelijk zou zijn voor een schending van dat recht. [9]