ECLI:NL:PHR:2022:228

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2022
Publicatiedatum
8 maart 2022
Zaaknummer
21/02087
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 1 UitleveringswetArt. 2 UitleveringswetArt. 3 UitleveringswetArt. 5 lid 1 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest hof over uitlevering wegens onjuiste uitleg art. 8 EVRM

In deze zaak vordert een Iraniër, die in Nederland is aangehouden op verzoek van de VS, een verbod op uitlevering wegens schending van zijn recht op gezinsleven (art. 8 EVRM Pro). Het hof Den Haag oordeelde dat de uitlevering disproportioneel was vanwege het feit dat contact met zijn vrouw en jonge dochter in Iran vrijwel onmogelijk zou zijn, waardoor sprake zou zijn van uitzonderlijke omstandigheden.

De Hoge Raad analyseert uitgebreid de relevante uitleveringswetgeving en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM hanteert het uitgangspunt dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden het recht op gezinsleven zwaarder kan wegen dan het belang van uitlevering. Dit betekent dat een uitlevering bij ernstige strafbare feiten in beginsel gerechtvaardigd is, ook als deze het gezinsleven ernstig aantast.

De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste uitleg gaf aan deze jurisprudentie door een concrete belangenafweging te maken die niet past bij het EHRM-uitgangspunt. De omstandigheden van beperkte contactmogelijkheden en de jonge leeftijd van de dochter zijn onvoldoende om te spreken van uitzonderlijke omstandigheden. Ook de ernst van de feiten waarvoor uitlevering is toegestaan, bevestigt dat de inbreuk op het gezinsleven gerechtvaardigd is.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Hiermee wordt bevestigd dat het recht op gezinsleven bij uitlevering slechts in uitzonderlijke gevallen een belemmering vormt, en dat het belang van internationale rechtshulp en vervolging van ernstige strafbare feiten zwaarwegend is.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug wegens onjuiste uitleg art. 8 EVRM bij uitlevering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02087
Zitting11 maart 2022
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
eiser tot cassatie,
advocaat M.M. van Asperen
tegen
[verweerder] , optredende voor zowel zichzelf als zijn minderjarige dochter [de dochter] ,
verweerder in cassatie,
advocaat: J.F. de Groot
Partijen worden hierna aangeduid als de Staat en [verweerder] .

1.Inleiding

[verweerder] vordert in dit kort geding een verbod om hem uit te leveren aan de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS). Een van de grondslagen van de vordering is dat de uitlevering in strijd is met art. 8 EVRM Pro wegens de aantasting van het recht op gezinsleven van [verweerder] met zijn vrouw en driejarige dochter die in Iran wonen. Door de gespannen verhouding tussen de VS en Iran zal vanuit de gevangenis in de VS mogelijk slechts contact mogelijk zijn per brief. Het hof heeft de vordering op deze grondslag toegewezen. Daartegen keert zich het middel van de Staat. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM geldt bij de toetsing aan art. 8 lid 2 EVRM Pro van de inbreuk op het recht op privé- en gezinsleven door een uitlevering “that it will only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition”. Volgens de Staat heeft het hof in dit geval die ‘exceptional circumstances’ niet kunnen aannemen.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
(i) [verweerder] , een zakenman met de Iraanse nationaliteit, is de vader van de op [geboortedatum] 2017 geboren [de dochter] , voor wie hij in dit kort geding mede optreedt. [de dochter] en haar moeder, echtgenote van [verweerder] , wonen in Iran. Dat geldt ook voor [verweerder] zelf. [2]
(ii) In september 2018 is [verweerder] in Nederland op Schiphol aangehouden – toen hij een congres wilde bijwonen in de RAI [3] – op grond van een door de VS uitgevaardigd aanhoudingsbevel. Bij diplomatieke nota van 13 november 2018 hebben de VS om de uitlevering van [verweerder] verzocht. [verweerder] wordt er door de Amerikaanse autoriteiten van verdacht betrokken te zijn geweest bij de uitvoer naar Iran van Amerikaanse goederen die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben (zogenoemde ‘dual use’-goederen). [4]
(iii) Bij uitspraak van 5 juli 2019 heeft de rechtbank Rotterdam als uitleveringsrechter de uitlevering toelaatbaar verklaard ten aanzien van (gedeelten van) twee van de dertien feiten waarvan de Amerikaanse autoriteiten [verweerder] verdenken. Ten aanzien van de overige feiten is volgens de rechtbank niet voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid. De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 april 2020 het door [verweerder] tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep verworpen. [5]
(iv) De minister heeft bij beschikking van 26 mei 2020 de uitlevering van [verweerder] toegestaan.
2.2
[verweerder] heeft de Staat bij de in dit kort geding inleidende dagvaarding van 12 juni 2020 gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. Hij vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, dat de Staat wordt verboden hem aan de VS uit te leveren, althans om hem uit te leveren zolang de Amerikaanse autoriteiten niet bepaalde garanties hebben verstrekt ten aanzien van zijn behandeling in de VS. [verweerder] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd, eveneens voor zover in cassatie van belang, een dreigende schending van art. 10 lid 1 Uitleveringswet Pro, art. 3, 6 en 8 EVRM, art. 3, 9 en 10 van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), het proportionaliteitsbeginsel en art. 10 lid 2 Uitleveringswet Pro. [6]
2.3
De voorzieningenrechter heeft de vordering bij vonnis van 22 september 2020 afgewezen. [7] Met betrekking tot het beroep van [verweerder] heeft de voorzieningenrechter achtereenvolgens het volgende vastgesteld en overwogen:
“3.6 Van een dreigende schending van artikel 8 EVRM Pro en de artikelen 3, 9 en 10 IVRK is volgens [verweerder] sprake nu zijn ouders, vrouw en dochter hem vanwege het in de VS van kracht zijnde inreisverbod voor vrijwel alle Iraniërs niet zullen kunnen bezoeken en telefoon- en briefverkeer met Iran vanuit detentie niet mogelijk zal zijn. Daarbij is contact per brief volgens [verweerder] volstrekt onvoldoende om te voldoen aan artikel 8 EVRM Pro. Zulks geldt volgens [verweerder] in het bijzonder voor wat betreft het recht op family life van [de dochter] . [verweerder] wijst er daarbij op dat inbreuk op het familieleven niet een inherent gevolg van de uitlevering is maar een direct gevolg van discriminatoir Amerikaans overheidsbeleid. [verweerder] stelt de emotionele en psychologische steun van zijn familie nodig te hebben om de strafzaak en detentie te kunnen doorstaan. Daarnaast kan volgens [verweerder] zijn familie in Iran bewijsmateriaal vergaren en kunnen zij hem financieel ondersteunen. Voorts is de situatie volgens [verweerder] aldus dat zijn vrouw vanwege psychische problemen onvoldoende in staat is om zelfstandig in de zorg voor [de dochter] te voorzien en kunnen zijn ouders daarbij geen rol vervullen. Daarbij wijst [verweerder] erop dat zijn vrouw in Iran geen rechtsgeldige beslissingen ten aanzien van [de dochter] kan nemen.”
En:
“4.9. Artikel 8 EVRM Pro en de artikelen 3, 9 en 10 IVRK staan naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin aan uitlevering van [verweerder] aan de VS in de weg. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM een inbreuk op de uitoefening van het door dit artikel beschermde recht op familieleven slechts is toegestaan voor zover daarin bij wet is voorzien en dat in een democratische samenleving noodzakelijk is met het oog op de in dit artikellid genoemde belangen. Niet ter discussie staat dat de uitlevering van [verweerder] leidt tot een inbreuk op zijn recht op familieleven. Met de Staat is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat deze inbreuk toelaatbaar moet worden geacht. In dat verband stelt de voorzieningenrechter voorop dat de Staat een gerechtvaardigd belang heeft bij het nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van het tussen Nederland en de VS gesloten uitleveringsverdrag en dat dit belang valt te kwalificeren als een belang in de zin van artikel 8, tweede lid, EVRM. Dit belang dient in het onderhavige geval te prevaleren boven de ongestoorde uitoefening door [verweerder] van zijn door artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op familieleven. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die ter zake tot een ander oordeel nopen. Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter dat de Staat onvoldoende weersproken onder verwijzing naar van de liaison officier in Washington en het Amerikaanse ministerie van Justitie verkregen informatie heeft toegelicht, dat het voor [verweerder] mogelijk moet zijn om (al dan niet via zijn Amerikaanse advocaat) briefverkeer met zijn familie in Iran te onderhouden. De Staat heeft er daarnaast terecht op gewezen dat de uitlevering er niet toe zal leiden dat [de dochter] het gezinsverband met haar moeder, die al geruime tijd alleen met de zorg over haar is belast, zal verliezen. [verweerder] heeft aan de hand van een verklaring van een psychiater van zijn echtgenote van 9 november 2018 weliswaar betoogd dat zijn echtgenote psychisch niet (meer) in staat is de zorg voor [de dochter] te dragen maar die stelling is, gelet op het feit dat zijn echtgenote sinds die verklaring kennelijk zonder wezenlijke problemen wel die zorg heeft kunnen verlenen, weinig geloofwaardig. Dat klemt te meer daar zij wel in staat is gebleken [verweerder] samen met [de dochter] in Nederland te bezoeken. Dat [verweerder] tijdens zijn detentie in de VS mogelijk niet kan voorzien in vervangende toestemming voor tal van aangelegenheden met betrekking tot [de dochter] , kan evenmin als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt op grond waarvan uitlevering moet worden geweigerd. Nog daargelaten dat niet onaannemelijk is dat [verweerder] die toestemming schriftelijk kan verlenen (al dan niet via de Interests Section for Iran van de Pakistaanse ambassade), heeft de Staat onweersproken gesteld dat aan [verweerder] in ieder geval de mogelijkheid ter beschikking staat om voorafgaand aan zijn uitlevering een mannelijk familielid in Iran tot het nemen van beslissingen aangaande [de dochter] te machtigen.”
2.4
[verweerder] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Bij het in cassatie bestreden arrest van 23 maart 2021 [8] heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende de Staat verboden [verweerder] aan de VS uit te leveren.
2.5
Het hof heeft als volgt overwogen:
“3.4 Het hof overweegt als volgt. Het hof zal er veronderstellenderwijs vanuit gaan dat het op zichzelf mogelijk zal zijn dat [verweerder] na zijn uitlevering brieven zal kunnen sturen aan en zal kunnen ontvangen van personen in Iran, waaronder [de dochter] . Vast staat wel dat brieven over en weer door de Amerikaanse autoriteiten op inhoud zullen worden gecontroleerd en dat de brieven daartoe eerst vanuit het Iraans zullen moeten worden vertaald, hetgeen de nodige vertraging in het briefverkeer zal veroorzaken. Verder was tussen partijen tot aan het pleidooi in hoger beroep niet in geschil dat [verweerder] in de VS geen bezoek van [de dochter] en haar moeder zou kunnen ontvangen en dat evenmin telefonisch contact of beeldbellen met hen mogelijk zou zijn, dit alles vanwege de gespannen verhoudingen tussen de VS en Iran en de in verband daarmee door de VS getroffen maatregelen. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de Staat opgeworpen dat ‘onzeker’ is of het gezin van [verweerder] hem in de toekomst in Amerikaanse detentie zal kunnen bezoeken en of in de toekomst vanuit Amerikaanse detentie weer telefoonverkeer met Iran mogelijk zal zijn, zulks kennelijk in verband met de verkiezing van president Biden in november 2020. Het hof leidt hieruit af dat bezoek of telefonisch verkeer met of vanuit Iran op dit moment in ieder geval nog niet een reële mogelijkheid is en dat onzeker is of dat in de toekomst zal veranderen. Ter zitting heeft de advocaat van de Staat nader verklaard dat voor de minister geen aanleiding bestond om aan de autoriteiten in de VS garanties over bezoek of telefonisch contact te vragen, omdat naar het oordeel van de minister reeds de mogelijkheid van briefcontact voldoende is om te voldoen aan de eisen van art. 8 lid 2 EVRM Pro. Het voorgaande betekent dat het hof er in dit geding vanuit moet gaan dat bezoek of telefonisch verkeer met of vanuit Iran niet mogelijk is en dat uitsluitend (gecensureerd en vertraagd) contact per brief mogelijk zal zijn.
3.5 Tussen partijen is niet in geschil dat de uitlevering van [verweerder] naar de VS inbreuk zal maken op het gezinsleven van [verweerder] met zijn dochter [de dochter] . De vraag die het hof moet beantwoorden is of die inbreuk gerechtvaardigd wordt door het belang (het voorkomen van strafbare feiten) dat met de uitlevering wordt gediend. Daarvoor is beslissend of de inbreuk op het gezinsleven proportioneel is. Het EHRM heeft in zijn uitspraak inzake King t. het Verenigd Koninkrijk (zie hiervoor nr. 3.2) hierover het volgende overwogen (§ 29):
“Mindful of the importance of extradition arrangements between States in the fight against crime (and in particular crime with an international or cross-border dimension), the Court considers that it will only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition (see Launder v. the United Kingdom, no. 27279/95, Commission decision of 8 December 1997).”
In die zaak achtte het EHRM de uitlevering van een persoon met de Britse nationaliteit (King) naar Australië proportioneel. Weliswaar zou de lange afstand tussen het Verenigd Koninkrijk en Australië betekenen dat het gezin en de moeder van King na diens uitlevering slechts beperkt contact met hem zouden kunnen onderhouden, maar gelet op de ernst van de feiten waarvan King werd verdacht en het belang van het Verenigd Koninkrijk bij het nakomen van zijn verplichtingen jegens Australië achtte het EHRM uitlevering niet disproportioneel.
3.6 Het hof is van oordeel dat uitlevering van [verweerder] in dit geval wel disproportioneel zou zijn. Anders dan in het geval van King moet ervan worden uitgegaan dat [verweerder] na uitlevering in het geheel geen bezoek van [de dochter] (of haar moeder) zal kunnen ontvangen. Ook moet ervan worden uitgegaan dat telefonisch contact of beeldbellen met [verweerder] vanuit een Amerikaanse gevangenis onmogelijk zal zijn. Dit betekent dat, mogelijk gedurende meerdere jaren, alleen correspondentie (gecensureerd en met vertraging) mogelijk zal zijn, hetgeen het hof onvoldoende acht om nog te kunnen spreken van een enigszins betekenisvol gezinsleven tussen [verweerder] en [de dochter] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [de dochter] thans drie jaar oud is en dat briefcontact met een kind van die leeftijd niet meer dan een uiterst beperkte betekenis kan hebben. In zoverre verschilt de positie van [verweerder] dan ook wezenlijk van die van King in de hiervoor aangehaalde uitspraak van het EHRM. In het geval van [verweerder] zijn ‘exceptional circumstances’ als bedoeld in die uitspraak aanwezig.
3.7 Het is ook niet zo dat de beperkingen die [verweerder] na uitlevering zal ondervinden in de uitoefening van zijn gezinsleven met [de dochter] inherent zijn aan uitlevering naar een ander land dan zijn land van herkomst. De uiterst beperkte mogelijkheden voor contact zijn immers niet het gevolg van de uitlevering naar een ander land, maar van het feit dat uitlevering zou plaatsvinden naar de VS terwijl [verweerder] de Iraanse nationaliteit bezit en [de dochter] in Iran woont. Anders dan de Staat aanvoert kan ook niet worden gezegd dat de belemmeringen voor het gezinsleven die specifiek samenhangen met de Iraanse nationaliteit van [verweerder] minder ernstig zijn dan de gevolgen die detentie onvermijdelijk met zich brengt. Juist die Iraanse nationaliteit in combinatie met detentie in de VS heeft tot gevolg dat vrijwel ieder contact met [de dochter] onmogelijk zal zijn, terwijl dergelijk contact bij detentie van [verweerder] in vrijwel elk ander land, zij het met de aan detentie inherente beperkingen, wel mogelijk zou zijn.
3.8 De ernst van de feiten waarvan [verweerder] wordt verdacht en waarvoor de uitlevering is toegestaan geven geen aanleiding te oordelen dat de inbreuk op art. 8 EVRM Pro wel proportioneel zou zijn. Volgens de Staat kunnen deze feiten worden gekwalificeerd als deelneming aan een criminele organisatie met onder meer als doel overtreding van de Sanctieregeling Iran 2012, valsheid in geschrifte en poging tot overtreding van de Sanctieregeling Iran 2012. Deze feiten, hoewel ernstig, zijn niet van zodanig gewicht dat de proportionaliteitstoets hierdoor alsnog in het nadeel van [verweerder] zou moeten uitvallen.
3.9 Het voorgaande betekent dat grief 5 slaagt. De uitlevering van [verweerder] aan de VS zal worden verboden omdat de daardoor veroorzaakte inbreuk op het gezinsleven van [verweerder] en [de dochter] disproportioneel en dus in strijd met art. 8 EVRM Pro zou zijn. Bij deze stand van zaken hoeven de overige grieven niet te worden behandeld.”
2.6
De Staat heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [9] [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. [10] Partijen hebben de zaak beide schriftelijk laten toelichten. Namens [verweerder] is gedupliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel klaagt dat het hof in rov. 3.5-3.8 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de vraag of de uitlevering in strijd komt met art. 8 EVRM Pro een verkeerd uitgangspunt te hanteren. Het hof heeft volgens het middel een verkeerde uitleg gegeven aan de door hem aangehaalde uitspraak van het EHRM in de zaak King. Uitgangspunt bij de beoordeling moet zijn dat een uitlevering slechts in uitzonderlijke omstandigheden wegens schending van het recht op familieleven in strijd komt met art. 8 EVRM Pro. Dat uitgangspunt laat geen ruimte voor een (belangen)afweging als door het hof uitgevoerd (2.2-2.4). Het is althans onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in dit geval uitzonderlijke omstandigheden heeft aangenomen (2.5-2.7.6).
3.2
Alvorens de klachten te bespreken ga ik eerst in op het relevante uitleveringsrecht.
Uitleveringsrecht
3.3
Het uitleveringsrecht maakt deel uit van de internationale rechtshulp in strafzaken. Het doel van die rechtshulp is om nationale grenzen niet in de weg te laten staan aan de opsporing en vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van strafvonnissen. Landen die elkaars rechtsstelsel vertrouwen, werken daartoe samen door middel van onder meer verdragen op basis van wederkerigheid. Het is duidelijk dat hiermee een zeer zwaarwegend belang is gemoeid, zowel internationaal als nationaal. Nationaal omdat de internationale samenwerking het mogelijk maakt om in ons land genoemd doel van de internationale rechtshulp in strafzaken te verwezenlijken. Keerzijde daarvan is dat Nederland, binnen de kaders van gesloten verdragen, gehouden is rechtshulp aan andere staten te verlenen.
3.4
Art. 1 Uitleveringswet Pro omschrijft uitlevering als de verwijdering van een persoon uit Nederland met het doel hem ter beschikking te stellen van de autoriteiten van een andere Staat ten behoeve van hetzij een in die Staat tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek, [11] hetzij de tenuitvoerlegging van een hem in die Staat opgelegde straf of maatregel. In Nederland vindt de uitlevering uitsluitend plaats krachtens een verdrag (art. 2 lid 3 Grondwet Pro en art. 2 Uitleveringswet Pro). Dat betekent dat Nederland dus niet ad hoc, zonder een verdrag, tot een uitlevering kan overgaan, wat op zichzelf volkenrechtelijk wel mogelijk is. [12] De strekking van deze verdragseis is dat aan uitlevering een onderzoek vooraf dient te gaan naar het vertrouwen dat in het rechtsstelsel van de andere verdragsluitende staat of staten kan worden gesteld. Bij het sluiten van een verdrag vindt een dergelijk onderzoek plaats, zo is de gedachte. [13]
3.5
Nederland heeft met vele landen een uitleveringsverdrag, hetzij bilateraal, zoals met de VS, [14] hetzij multilateraal, zoals met de landen die lid zijn van de Raad van Europa (het Europees Uitleveringsverdrag). Sinds juni 2002 is tussen de EU-lidstaten het uitleveringsregime vervangen door een systeem van ‘overlevering’ op grond van een kaderbesluit van de Europese Raad. [15]
3.6
Uitleveringsverdragen gaan steeds uit van een (wederzijdse)
verplichtingtot uitlevering, wat logisch is gelet op de hiervoor in 3.3 genoemde doelstelling ervan. In het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS is deze verplichting bijvoorbeeld opgenomen in art. 1. Op deze verplichting maken de verdragen vervolgens de nodige uitzonderingen die, kort gezegd, samenhangen met de eigen soevereiniteit, met name (de eisen van) de eigen rechtsorde. Welke uitzonderingen Nederland dient te bedingen in een verdrag, is bepaald in de Uitleveringswet, waarvan art. 3 dan Pro ook inhoudt dat als Nederland overweegt om een verdrag te sluiten dat van de Uitleveringswet afwijkt, tevens een voorstel wordt gedaan tot aanpassing van de Uitleveringswet. Belangrijke en voor de hand liggende voorwaarden zijn dat het feit waarvoor uitlevering plaatsvindt, strafbaar is naar het recht van beide betrokken staten (de eis van dubbele strafbaarheid) en dat op dat feit ten minste een vrijheidsstrafstraf staat van een jaar c.q. een vrijheidsstrafstraf is opgelegd van meer dan vier maanden (art. 5 lid 1 Uitleveringswet Pro). Deze voorwaarden liggen voor de hand omdat anders door het justitieel apparaat zou worden meegewerkt aan een vervolging of bestraffing die in de eigen rechtsorde niet strafbaar is, [16] dan wel van onvoldoende gewicht is om de ingrijpende maatregel die een uitlevering per definitie is, te rechtvaardigen. [17] In het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS zijn deze voorwaarden te vinden in art. 2 leden Pro 1 en 2. [18]
3.7
De Uitleveringswet regelt de procedure die tot uitlevering leidt. Als de opgeëiste persoon [19] zich verzet tegen uitlevering, zoals in deze zaak, dan dient eerst over de toelaatbaarheid van de uitlevering te worden beslist door de rechtbank, met de mogelijkheid van cassatieberoep (art. 23, 28 en 31 Uitleveringswet). De toelaatbaarheid betreft een zuivere rechtmatigheidstoets, vandaar dat de rechter daarover beslist. Daarna beslist de minister over de uitlevering, die daarbij uiteraard aan de beslissing van de rechter dat de uitlevering ontoelaatbaar is, is gebonden (art. 33 leden Pro 1 en 1 Uitleveringswet). De minister beslist over aspecten die bij de uitleveringsrechter niet of slechts beperkt aan de orde kunnen worden gesteld – en die ten dele van beleidsmatige aard zijn –, waaronder die welke genoemd worden in de art. 8 en Pro 10 Uitleveringswet. Uit laatstgenoemde bepalingen volgt dat de minister mede beslist over de vraag of de uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten. [20] Tegen het besluit van de minister kan, bij gebreke van een andere rechtsgang, worden opgekomen bij de burgerlijke rechter. [21]
3.8
De minister toetst dus of de uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten. Bij deze toetsing is uitgangspunt het hiervoor in 3.3 genoemde vertrouwen dat condicio sine qua non vormt voor het aangaan van een uitleveringsverdrag en dat passend is bij de internationale samenwerking tussen staten. Dit wordt aangeduid als het vertrouwensbeginsel. Bij een uitleveringsverzoek gaan staten er over en weer vanuit – en dienen zij er over en weer vanuit te gaan – dat het rechtsstelsel van en de praktijk in de andere staat voldoet aan de daaraan te stellen eisen. [22] Dit vertrouwensbeginsel spreekt wat betreft de naleving van het EVRM nogal vanzelf in verhouding tot andere staten die zijn aangesloten bij het EVRM, maar geldt ook in verhouding tot staten, die niet bij het EVRM zijn aangesloten. Wat betreft de VS geldt dat dit is aangesloten bij IVBPR, dat vergelijkbare bepalingen kent als het EVRM. [23] De gelding van het vertrouwensbeginsel is echter niet onbegrensd. Als concrete aanwijzingen bestaan (‘een gegrond vermoeden’) dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, moet dit beginsel wijken. [24]
Sanctieregeling tegen Iran
3.9
De feiten waarvoor de uitlevering van [verweerder] wordt gevraagd, betreffen in de eerste plaats de overtreding van de sanctieregeling tegen Iran van de VS. Zoals hiervoor in voetnoot 4 al opgemerkt, is die sanctieregeling terug te voeren op VN-resoluties tegen Iran. De plannen van Iran om een kernwapen te ontwikkelen hebben internationaal tot grote zorgen geleid. Om die reden heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 23 december 2006, op grond van art. 39 van Pro het Handvest van de Verenigde Naties, Resolutie 1737 aangenomen waarin allerlei sancties zijn opgelegd tegen Iran naar aanleiding van het nucleaire programma van Iran. De sancties zijn bedoeld om export naar Iran van goederen of kennis waarmee kernwapens zouden kunnen worden gemaakt, te voorkomen. [25]
3.1
Naar aanleiding van deze en daarop volgende VN-resoluties over dit onderwerp hebben alle VN-lidstaten sanctieregelingen tegen Iran in het leven geroepen. De EU-lidstaten hebben in 2007 een gemeenschappelijk standpunt ingenomen om te zorgen voor uniforme maatregelen door de lidstaten. Op basis van dit gemeenschappelijk standpunt is onder meer de EU-Verordening 267/2012 tot stand gekomen en heeft Nederland de Sanctieregeling 2007 ingevoerd. Op grond van de sancties is het onder meer verboden te handelen in de hiervoor in 2.1 onder (ii) genoemde ‘dual-use goederen’. [26]
3.11
In 2015 is zogeheten Atoomakkoord met Iran tot stand gekomen. [27] Dit akkoord heeft ertoe geleid dat EU-Verordening 267/2012 is vervangen door de EU-Verordening 2015/1861 en de EU-Uitvoeringsverordening 2015/1862, waarbij de sancties overeenkomstig het akkoord zijn verlicht. De Sanctieregeling Iran 2012 van Nederland is naar aanleiding van de EU-Verordening 2015/1861 aangepast. Export naar Iran van dual-use goederen en nucleaire goederen is nu uit Nederland mogelijk met een vergunning. Voor nucleair relevante goederen geldt daarbij een strikt stelsel. De VS hebben onder Trump de verlichting teruggedraaid, zodat de voorheen in de VS geldende sancties weer gelden. [28]
Feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard en is toegestaan door de minister
3.12
De uitlevering van [verweerder] is door de uitleveringsrechter toelaatbaar verklaard voor de feiten die naar Nederlands recht kunnen worden gekwalificeerd als (i) deelneming aan een criminele organisatie met onder meer als doel overtreding van de Sanctieregeling Iran 2012 en valsheid in geschrifte (gebruik van valse ‘end user’ verklaringen om de werkelijke bestemming van de goederen te verhullen), strafbaar gesteld bij de art. 140 en Pro 225 Sr en art. 1, eerste lid, Sanctieregeling Iran 2012, en (ii) poging tot overtreding van art. 1 lid 1 van Pro de Sanctieregeling Iran 2012, wat als economisch delict, genoemd in art. 1, onder 1°, WED, strafbaar is gesteld in art. 6 WED Pro jo art. 45 Sr Pro. Deze feiten hebben betrekking op de door de uitleveringsrechter in zijn uitspraak met name gespecificeerde apparatuur. [29]
Uitlevering en art. 8 EVRM Pro
3.13
De uitlevering van een opgeëiste persoon levert per definitie een inbreuk op in de uitoefening van het recht op respect voor het privéleven en het gezinsleven als bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM Pro. [30] Het tweede lid van art. 8 EVRM Pro staat die inbreuk toe als deze “bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Volgens vaste rechtspraak van het EHRM gaat het erom of die inbreuk een legitiem doel dient (de legitimiteitseis, die inhoudt dat een van de in art. 8 lid 2 EVRM Pro genoemde doelen daardoor wordt gediend) en of die inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving (noodzakelijkheidseis). Wil een inbreuk noodzakelijk zijn, dan moet deze voorzien in een ‘pressing social need’. Met betrekking tot de vraag of deze bestaat, hebben de verdragstaten veelal een ‘margin of appreciation’. In het kader van de noodzakelijkheidseis moet mede worden gekeken naar de proportionaliteit van de inbreuk: bestaat er een redelijke verhouding tussen de inbreuk enerzijds en het legitieme doel dat nagestreefd wordt anderzijds. [31]
3.14
Volgens vaste rechtspraak van het EHRM dient een uitlevering zonder meer een legitiem doel als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM Pro (“prevention of disorder or crime”). [32] Dat is al daarom niet verwonderlijk nu art. 5 lid 1 onder Pro f EVRM uitlevering zonder meer erkent als een legitiem doel om over te gaan tot vrijheidsbeneming. Aan het EVRM kan overigens volgens het EHRM geen recht worden ontleend om van uitlevering verschoond te blijven [33] en evenmin om in een bepaald land berecht te worden. [34] Vrijwel steeds zal een uitlevering in de verdragstaten bij wet zijn voorzien, zodat ook die eis van art. 8 lid 2 EVRM Pro geen probleem vormt in de rechtspraak van het EHRM. Daarmee blijft over hoe het zit met de noodzakelijkheidseis, waar het in deze zaak om draait.
Noodzakelijkheidseis bij uitlevering
3.15
Vaste rechtspraak van het EHRM is, zoals het hof citeert in rov. 3.5, dat “it will only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition.” [35] Wat bedoelt het EHRM hier met “only in exceptional circumstances”? Het hof lijkt dit in rov. 3.5 te interpreteren als dat de uitlevering
in het gegeven gevalniet proportioneel is met de inbreuk op het recht op gezinsleven in de zin dat die inbreuk
in het gegeven gevalzwaarder weegt, zoals het middel in die rechtsoverweging leest. Zoals het middel als vertrekpunt heeft, staat dat echter haaks op de taalkundige betekenis van de omschrijving ‘only in exceptional circumstances’. Dat betekent immers ‘uitsluitend in uitzonderlijke (of zeldzame) omstandigheden’. [36] Bovendien luidt het uitganspunt van het EHRM als geheel dat “it will only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition.” Dus: alleen in uitzonderlijke (of zeldzame) omstandigheden zal het recht op privé- of gezinsleven zwaarder wegen dan het legitieme doel van een uitlevering. Een ‘gewone’ proportionaliteitsafweging – waarbij de in het concrete geval tegenover elkaar staande belangen tegen elkaar worden afgewogen –, zoals het hof kennelijk uitvoert in rov. 3.6-3.8, past daar niet bij.
3.16
Ik zou menen dat de omschrijving ‘exceptional circumstances’ en de context daarvan (‘that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition’) naar hun letterlijke betekenis zijn te nemen. Het is immers niet aannemelijk dat het EHRM zich bij herhaling aan een ‘overstatement’ als ‘only in exceptional circumstances’ in verbinding met genoemde context zou ‘bezondigen’ als die niet zou zijn bedoeld. Bovendien valt een goede reden voor zijn oordeel bij deze uitleg te geven. Dat is dat de vervolging en bestraffing van ernstige strafbare feiten in beginsel steeds voorgaan op het recht op privéleven en gezinsleven en dat daarbij dus in beginsel steeds aan de noodzakelijkheidseis is voldaan.
Op het recht op privé- en gezinsleven wordt door de vervolging en bestraffing van ernstig strafbare feiten (misdrijven) haast per definitie een zeer grote inbreuk gemaakt, ook reeds in het geval dat deze zich geheel binnenlands afspelen, dus zonder een uitlevering zoals in deze zaak, doordat deze gepaard gaan met dan wel bestaan uit vrijheidsbeneming (voorlopige hechtenis dan wel gevangenisstraf), waardoor privé- en gezinsleven niet of maar zeer beperkt mogelijk is. Met de vervolging en bestraffing van misdrijven is een zeer zwaarwegend maatschappelijk belang gemoeid, dat eveneens haast per definitie een voldoende rechtvaardiging vormt overeenkomstig art. 8 lid 2 EVRM Pro voor de inbreuk op het recht op privé- en gezinsleven. Het zou immers niet goed voorstelbaar zijn dat de dader aan zijn straf kan ontkomen met een beroep op de aantasting van dat recht. Het zeer zwaarwegend maatschappelijk belang dat is gemoeid met de vervolging en bestraffing van ernstige strafbare feiten, is niet minder als het gaat om vervolging en bestraffing in het buitenland, waarvoor uitlevering wordt gevraagd, zoals hiervoor in 3.3 al opgemerkt. Weliswaar is de inbreuk op het recht op gezinsleven dan nog groter, doordat de afstand van gezinsleden dan groter is en het moeilijker zal zijn contact te onderhouden. Maar het belang dat ook in het buitenland vervolging en bestraffing van ernstige strafbare feiten kunnen plaatsvinden, heeft ook in dat geval zwaarder te wegen, om de hiervoor in 3.3 al genoemde redenen. Net zo min als het recht op privé- en gezinsleven aan vervolging en bestraffing in eigen land in de weg kan staan, kan dat recht dus aan uitlevering in de weg staan, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten. Daarom is de inbreuk die uitlevering op genoemd recht maakt, in beginsel steeds zonder meer gerechtvaardigd te achten. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden is dat anders, zo valt genoemd uitgangspunt van het EHRM te verstaan. [37]
3.17
De vraag is of deze, mijns inziens nogal voor de hand liggende, uitleg ook uit de rechtspraak van het EHRM volgt. Om deze vraag te beantwoorden loop ik hierna in chronologische volgorde de beslissingen van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘de Europese Commissie’) [38] en de uitspraken van het EHRM na over uitlevering en het recht op gezinsleven van art. 8 EVRM Pro. Die beslissingen van de Europese Commissie zijn relevant omdat het EHRM daarnaar in zijn rechtspraak verwijst en kennelijk de daarin vervatte oordelen tot de zijne maakt.
Beslissingen en uitspraken over noodzakelijkheidseis bij uitlevering
3.18
De beslissing in de zaak
Raidl [39] gaat over een uitleveringsverzoek van Rusland aan Oostenrijk ter vervolging van Raidl. Raidl werd verdacht van het medeplegen van een moord in Rusland. Raidl stelde zich onder meer op het standpunt dat de uitlevering een ontoelaatbare inbreuk op art. 8 EVRM Pro opleverde, omdat zij inmiddels leed aan ernstige psychische klachten en omdat uitlevering de band met haar echtgenoot zou verbreken. De Europese Commissie overwoog:
“The Commission finds that the decision to extradite the applicant constitutes an interference with her right to respect for her private and family life.
Such an interference is in breach of Article 8 (Art. 8), unless it is justified under paragraph 2 of this Article as being "in accordance with the law" and "necessary in a democratic society" for one of the aims set out therein.
As regards the lawfulness of the measure complained of, the Commission finds that the decision to extradite the applicant was based on the Austrian Extradition Act, which permits extradition if a person it to be prosecuted for a criminal offence punishable by more than one year's imprisonment. The Linz Court of Appeal and the Minister of Justice, when taking their decisions of 29 December 1992 and 5 January 1993 respectively, had extensive material submitted by the authorities of the Russian Federation before them. According to these documents, the applicant was suspected of having committed murder together with two accomplices, an offence which is punishable by three to ten years' imprisonment under Russian law. Therefore, the decision to extradite the applicant was in accordance with Austrian law.
Moreover, the Commission finds that the interference served one of the legitimate aims listed in Article 8 para. 2 (Art. 8-2), namely the prevention of disorder or crime.
As regards the question whether the interference was necessary, the Commission recalls that the notion of necessity implies a pressing social need and requires that the interference at issue be proportionate to the legitimate aim pursued (Eur. Court H.R., Beldjoudi judgment of 26 March 1992, Series A no. 234-A, p. 27, para. 74).
Firstly, as regards the applicant's submission that the interference with her private life was not justified, because her extradition exposed her to a risk of suicide, the Commission takes into account that a person's ‘private life’ includes his or her physical integrity (Eur. Court H.R., X and Y v. the Netherlands judgment of 26 March 1985, Series A no. 91, p. 11, para. 22). However, in view of its findings under Article 3 (Art. 3), the Commission considers that the applicant was not in such an impaired state of mental health that her extradition would appear disproportionate.
Secondly, as regards the interference with the applicant's family life, the Commission notes that the Linz Court of Appeal, in its decision of 29 December 1992, had regard to the fact that the applicant was married to an Austrian national. Having regard to the seriousness of the crime of which she was suspected, the Court found that her extradition would not constitute undue hardship within the meaning of the Austrian Extradition Act. The Court repeated these considerations
in its decisions of 1 March 1993 and 5 September 1994, when dismissing the applicant's requests for reopening of the extradition proceedings in which she had also relied on the fact of her marriage to an Austrian national. The Commission agrees that the interference with the applicant's family life was proportionate to the legitimate aim pursued, given the seriousness of the crime, of which the applicant was suspected even before she contracted marriage in Austria.
It follows that this part of the application is manifestly ill-founded within the meaning of Article 27 para. 2 (Art. 27-2) of the Convention.”
Gelet op de ernst van het feit waarvan Raidl werd verdacht (‘the seriousness of the crime of which the applicant was suspected’) – het medeplegen van moord –, was de inbreuk op haar recht op familieleven dus evident (‘manifestly’) en zonder meer gerechtvaardigd.
3.19
In de zaak
Launder [40] had Hong Kong aan het Verenigde Koninkrijk om uitlevering van Launder gevraagd die de Britse nationaliteit had en op dat moment in het Verenigde Koninkrijk woonde, evenals zijn vrouw, drie meerderjarige kinderen en vijf kleinkinderen. Launder werd door Hong Kongse autoriteiten verdacht van het aannemen van steekpenningen (voor een bedrag van ongeveer £ 4,5 miljoen) in de periode tussen 1980 en 1982 toen hij directeur was van een particuliere handelsbank gevestigd in Hong Kong. Om die reden hadden de Hong Kongse autoriteiten aan Verenigde Koninkrijk verzocht om Launder aan Hong Kong uit te leveren om daar te worden vervolgd. Launder klaagde bij het EHRM onder meer dat de uitlevering een ontoelaatbare inbreuk op zijn privé- en gezinsleven vormde. De Europese Commissie verklaarde de klacht niet-ontvankelijk. Zij overwoog:
“The Commission recalls that the Convention does not guarantee a right not to be extradited (Eur. Court HR, Soering judgment, loc. cit. p. 33, para. 85; cf. No. 10427/83, Dec. 12.5.86, D.R. 47, p. 85).
Nevertheless, an extradition decision may constitute an interference with the right to respect for family life. Such an interference is in breach of Article 8 (Art. 8) unless it is justified under paragraph 2 of this provision as being "in accordance with the law" and "necessary in a democratic society" for one of the aims set out therein (No. 25342/94, Dec. 4.9.95, D.R. 82, pp. 134, 148).
The Commission finds that the applicant's extradition would amount to an interference with his family life, it being common ground that his wife currently lives in the United Kingdom.
However, it appears undisputed that the decision to extradite the applicant complied with the formal requirements of United Kingdom law. As regards the applicant's claim that his extradition some 19 years after the alleged offences would be contrary to legal certainty and that the courts' approach to the issue of the passage of time was not reasonably foreseeable the Commission has already found that when examining whether extradition should be allowed the decisions of the domestic courts were neither arbitrary nor unreasonable.
Furthermore, the Commission finds that the decision to extradite the applicant has a legitimate aim, namely the prevention of disorder or crime.
As regards the question whether the interference was necessary, the Commission recalls that the notion of necessity implies a pressing social need and requires that the interference at issue be proportionate to the legitimate aim pursued (Eur. Court HR, Beldjoudi v. France judgment of 26 March 1992, Series A no. 234-A, p. 27, para. 74).
The Commission considers that it is only in exceptional circumstances that the extradition of a person to face trial on charges of serious offences committed in the requesting State would be held to be an unjustified or disproportionate interference with the right to respect for family life. The Commission finds that in the present case no such circumstances have been shown to exist. The Commission notes that the applicant and, apparently, his family lived in Hong Kong for about ten years. Also for several years prior to the applicant's arrest they were living outside the United Kingdom and were changing their domicile. Furthermore, the applicant has not shown that his wife or children would not be able to travel with him to the HKSAR or visit him there.
The applicant's complaint under Article 8 (Art. 8) of the Convention is therefore manifestly ill-founded and must be rejected under Article 27 para. 2 (Art. 27-2) of the Convention.”
In deze beslissing wordt voor het eerst gezegd dat “it is only in exceptional circumstances that the extradition of a person to face trial on charges of serious offences committed in the requesting State would be held to be an unjustified or disproportionate interference with the right to respect for family life”. In deze formulering wordt wel de eis gesteld dat het gaat om ‘serious offences’. Ging het in de zaak Raidl om een verdenking van het medeplegen van moord, in deze zaak gaat het om een verdenking van het aannemen van steekpenningen door een medewerker van particuliere bank. De Europese Commissie merkt overigens nog op dat niet blijkt dat de vrouw en kinderen van Launder niet naar Hong Kong kunnen reizen om hem op te zoeken, maar of dat echt dragend is voor de beslissing, blijkt niet.
3.2
De zaak
Aronica [41] ging over de uitlevering aan Italië van een Italiaanse man, Aronica, die ten tijde van het uitleveringsverzoek samen met zijn echtgenote en twee minderjarige kinderen bijna zeven jaar in Duitsland woonde. Het uitleveringsverzoek was bedoeld om het restant van een vrijheidsstraf die de Italiaanse rechter hem in 1999 had opgelegd, ten uitvoer te leggen. De straf was opgelegd wegens het leidinggeven in de periode van 1993 tot 1995 aan een criminele organisatie die gestolen auto’s verhandelde. Aronica klaagde bij het EHRM onder meer dat de uitlevering inbreuk zou maken op zijn recht op gezinsleven, gelet op het effect van de uitlevering op zijn gezinsleven. Het EHRM oordeelde de klacht over schending van art. 8 EVRM Pro kennelijk ongegrond en daarmee niet-ontvankelijk. Het overwoog:
“The Court has no doubt that the decision to extradite the applicant to Italy amounts to an interference with his right to respect for both his private and his family life. However, the Court considers that such interference may be regarded as complying with the requirements of the second paragraph of Article 8, namely as a measure “in accordance with the law”, pursuing the aims of the prevention of disorder and crime, as well as being “necessary in a democratic society” for those aims. Although the applicant’s removal from Germany would involve considerable hardship, the Court considers, taking into account the margin of appreciation left to the Contracting States in such circumstances (see the Boughanemi v. France judgment of 24 April 1996, Reports 1996 II, p. 610, § 41), that the decision to extradite the applicant was not disproportionate to the legitimate aims pursued. There is therefore no appearance of a violation of Article 8.
It follows that this part of the application must also be rejected as being manifestly ill-founded pursuant to article 35 §§ 3 and 4 of the Convention.”
Het EHRM acht in deze uitspraak dus de evidente en zeer vergaande inbreuk op het recht op respect voor het privéleven en het gezinsleven zonder meer gerechtvaardigd door het belang van de tenuitvoerlegging van de restantstraf voor heling. De mate waarin het gezinsleven wordt aangetast – met nota bene twee minderjarige kinderen – wordt niet nader besproken door het EHRM, laat staan gewogen. Wel wordt uitdrukkelijk onderkend dat de uitlevering op dit punt van ‘considerable hardship’ is. Voorts valt op dat het EHRM verwijst naar de ‘margin of appreciation’ van de verdragstaten in het kader van art. 8 lid 2 EVRM Pro. In andere uitspraken ontbreekt deze, mogelijk omdat die ‘margin’ bij aantasting van gezinsleven klein is.
3.21
De zaak
King [42] ging over een verzoek van Australië aan het Verenigd Koninkrijk om King, een Britste onderdaan, uit te leveren voor vervolging wegens deelneming aan een internationale criminele organisatie die betrokken was bij pogingen grote hoeveelheden ecstasy te smokkelen vanuit het Verenigde Koninkrijk naar Australië. Door de Australische autoriteiten was meer dan 31 kilogram ecstasypillen onderschept, met een straatwaarde van 11,4 miljoen Australische dollars. King klaagde bij het EHRM onder meer dat zijn uitlevering een inbreuk maakt op zijn recht op een privé- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM Pro. Daarbij wees hij allereerst op het feit dat hij makkelijk ook in het Verenigde Koninkrijk zou kunnen worden vervolgd voor de betrokken feiten. Het EHRM oordeelde de klacht kennelijk ongegrond en daarmee niet-ontvankelijk. Het overwoog:
“1. The applicant’s submissions
28. The applicant considered it would impossible for his family to move to Australia if he were extradited. Given the ease with which he could be prosecuted in the United Kingdom, with no disruption to his private and family life, the extradition would be disproportionate to the need to prevent disorder or crime. He provided two statements to the Court. The first was from his mother in which she detailed the regular visits the family paid to the applicant in prison and stated that, because she suffered from scoliosis of the spine, osteoporosis, arthritis and celiac disease and was due to have a total knee replacement, she could not travel to Australia. If the applicant were extradited, she would never see him again. The second statement was from the applicant’s wife in which she stated that she would be unable to cope with the raising of their children if the applicant were extradited. The children had regularly visited their father in prison and bonded well with him. The eldest child would find it particularly hard to deal with her father’s extradition given her age.
2. The Court’s assessment
29. The Court notes that the applicant does not argue that the extradition would not be in accordance with the law and thus the only matter which falls to be considered is the proportionality of the extradition to the legitimate aims set out in the second paragraph of Article 8. At the outset, the Court observes that the Convention does not provide a right to be prosecuted in a particular jurisdiction but considerations as to whether prosecution exists as an alternative to extradition may have a bearing on whether the extradition would be in violation of the one of the rights guaranteed by the Convention (see, for example, Soering, cited above, § 111). Nonetheless, in the present case, the United Kingdom authorities have given convincing reasons as to why they regard it as appropriate for any prosecution to take place in Australia, not least that the applicant’s co‑accused have all been tried there. Therefore, in deciding to allow the extradition to proceed, the United Kingdom authorities were entitled to conclude that this pursued the legitimate aim of preventing disorder or crime provided for in Article 8 § 2 (Aronica v. Germany (dec.), no. 72032/01, 18 April 2002). In considering whether the applicant’s proposed surrender to Australia struck a fair balance between any interference with the applicant’s right to respect for his family life in the United Kingdom and that legitimate aim, they were also entitled to have regard to their international obligations to Australia. Mindful of the importance of extradition arrangements between States in the fight against crime (and in particular crime with an international or cross-border dimension), the Court considers that it will only be in exceptional circumstances that an applicant's private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition (see Launder v. the United Kingdom, no. 27279/95, Commission decision of 8 December 1997). In the applicant's case, the Court notes that he relies on the fact that he has a wife, two young children and a mother in the United Kingdom, whose ill-health would not allow her to travel to Australia. This, in the Court's view, is not an exceptional circumstance which would militate in favour of the applicant's non-extradition. Although the long distance between the United Kingdom and Australia would mean the family would enjoy only limited contact if the applicant were extradited, convicted and sentenced to a term of imprisonment there, the Court cannot overlook the very serious charges he faces (see
Raidl v. Austria, no. 25342/94, Commission decision of 4 September 1995). Given those charges, and the interest the United Kingdom has in honouring its obligations to Australia, the Court is satisfied that the applicant's extradition cannot be said to be disproportionate to the legitimate aim served. It follows that this part of the application must be also rejected as manifestly ill-founded, pursuant to Article 35 §§ 3 and 4 of the Convention.” [43]
Het EHRM neemt in deze zaak allereerst het uitgangspunt van de Europese Commissie over, over verwijzing naar de hiervoor genoemde Launder-beslissing, “that it will only be in exceptional circumstances that an applicant's private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition”. Wat opvalt, is dat het EHRM in het geheel niet meegaat in het betoog van King dat hij ook in eigen land vervolgd kan worden, in welk geval de inbreuk op zijn recht op gezinsleven evident geringer zou zijn, en dat uitgaande van de noodzakelijkheidseis van art. 8 lid 2 EVRM Pro en de daarvan deel uitmakende proportionaliteits- en subsidiariteitstoets zonder meer gevolgd had lijken te moeten worden. Het EHRM acht al voldoende in dit verband dat “the United Kingdom authorities have given convincing reasons as to why they regard it as appropriate for any prosecution to take place in Australia, not least that the applicant’s co‑accused have all been tried there”. Vervolgens acht het EHRM de onderhavige inbreuk op het recht op privé- en gezinsleven door de uitlevering, die in dit geval zeer ver gaat gelet op “the fact that he has a wife, two young children and a mother in the United Kingdom, whose ill-health would not allow her to travel to Australia” en “the long distance between the United Kingdom and Australia would mean the family would enjoy only limited contact if the applicant were extradited, convicted and sentenced to a term of imprisonment there”, geen ‘exceptional circumstance’. Daarbij neemt het de “very serious charges he faces” in aanmerking. Opnieuw betreft het een ontvankelijkheidsbeslissing en vindt het EHRM een en ander dus evident (‘manifestly’).
3.22
In de zaak
Babar Ahmad e.a. [44] ging het om een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten aan het Verenigde Koninkrijk ter vervolging van zes verdachten die op enigerlei wijze betrokken zouden zijn geweest bij terroristische activiteiten in de Verenigde Staten. Zij klaagden bij het EHRM onder meer over inbreuk op hun recht op privé- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM Pro. Die klacht oordeelde het EHRM kennelijk ongegrond en dus niet-ontvankelijk:
“246 (…)
Ninth, under Article 8 the applicants alleged that there would be a disproportionate interference with their private and family life in the United Kingdom if they were to be extradited. The first applicant relies on the fact that his extradition would result in permanent separation from his wife, children and grandchildren, who were all British residents.
(…)
252. For the ninth complaint, that extradition would be a disproportionate inference with their family and private life in the United Kingdom, the Court reiterates that it will only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition (see King v. the United Kingdom (dec.), no. 9742/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), 26 January 2010). There are no such exceptional circumstances in the fifth and sixth applicants’ case, particularly given the gravity of the offences with which they are charged. This complaint is therefore manifestly ill founded.”
Hier herhaalt het EHRM dus slechts het uitgangspunt dat ‘exceptional circumstances’ zijn vereist en acht het die niet aanwezig, in het bijzonder gelet op de ernst van de beschuldigingen.
3.23
De zaak Shakurov [45] gaat over een uitleveringsverzoek van Oezbekistan aan Rusland ter vervolging van Shakurov. Shakurov werd door de Oezbeekse autoriteiten verdacht van desertie (ongeoorloofd verlaten van het leger), waarvoor in Oezbekistan een gevangenisstraf van vijf jaar geldt. Hij was een officier van het Oezbeekse leger en heeft de Oezbeekse nationaliteit. In 2002 was Shakurov naar Rusland verhuisd. Twee jaar later zijn Shakurov’s echtgenote en twee kinderen, geboren in 1994 en 2000, ook naar Rusland gekomen. Zij hebben de Russisch nationaliteit gekregen. Shakurov heeft die nationaliteit niet aangevraagd. Tot 2007 heeft Shakurov, om onbekende redenen, apart van zijn vrouw en kinderen gewoond. In 2009 is de oudste dochter van Shakurov opgenomen in een hospitaal in Moskou waar ze door haar moeder diende te worden vergezeld. Shakurov klaagde onder meer bij het EHRM dat de uitlevering een ontoelaatbare inbreuk op art. 8 EVRM Pro opleverde. Het EHRM overwoog:
“191. The applicant argued that execution of the extradition order against him would entail “significant and irreparable” consequences to his relationship with his wife and children, especially his daughter who required health care in Russia. The extradition order and judicial review decisions had not properly taken into account various aspects relating to his family life. In particular, the appeal court provided no reasoning in response to his related arguments. His extradition would not pursue any of the aims set out in Article 8 § 2 of the Convention, the Government’s reference to their other international obligations being insufficient to outweigh their obligations under Article 8 of the Convention.
B. The Court’s assessment
1. Admissibility
192. The Court considers, in the light of the parties’ submissions, that the complaint raises serious issues of fact and law under the Convention, the determination of which requires an examination of the merits. The Court concludes therefore that this complaint is not manifestly ill-founded within the meaning of Article 35 § 3 (a) of the Convention. No other ground for declaring it inadmissible has been established. Thus, it must be declared admissible.
2. Merits
(a) General principles
193. The Court has previously examined a number of cases raising issues of family or private life in the context of expulsion or exclusion of an alien, for instance following a criminal conviction. Article 8 issues were also raised in some cases in which, like in the present case, the applicants faced extradition from the respondent State to another State, in which they were wanted for an offence (see King v. the United Kingdom (dec.), no. 9742/07, 26 January 2010, and Aronica v. Germany (dec.), no. 72032/01, 18 April 2002; see also Launder v. the United Kingdom, no. 27279/95, Commission decision of 8 December 1997, and Raidl v. Austria, no. 25342/94, Commission decision of 4 September 1995).
194. The Court has held in cases concerning expulsion of settled migrants that as Article 8 protects the right to establish and develop relationships with other human beings and the outside world and can sometimes embrace aspects of an individual’s social identity, it must be accepted that the totality of social ties between a settled migrant and the community in which they are living constitutes part of the concept of “private life” within the meaning of Article 8 (see, as a recent authority, Üner v. the Netherlands [GC], no. 46410/99, § 59, ECHR 2006‑XII, and Boultif v. Switzerland, no. 54273/00, § 48, ECHR 2001‑IX). Regardless of the existence or otherwise of a “family life”, the expulsion of a settled migrant constitutes interference with his or her right to respect for private life. It will depend on the circumstances of the particular case whether it is appropriate for the Court to focus on the “family life” rather than the “private life” aspect.
195. Concerning justification of an interference with a person’s private or family life, it is the Court’s established case‑law that such interference will be in breach of Article 8 of the Convention unless it can be justified under paragraph 2 of that Article as being “in accordance with the law”, as pursuing one or more of the legitimate aims listed therein, and as being “necessary in a democratic society” in order to achieve the aim or aims concerned (see, in a variety of contexts, Maslov v. Austria [GC], no. 1638/03, § 65, ECHR 2008; Enea v. Italy [GC], no. 74912/01, § 140, ECHR 2009; and S.H. and Others v. Austria [GC], no. 57813/00, § 89, 3 November 2011).
196. As to the context of extradition, in the King case (cited above) the applicant was accused of being a member of an international gang engaged in a conspiracy to import large quantities of ecstasy into Australia. He tried to bar his own extradition from the United Kingdom to Australia, referring to the fact that he had a wife, two young children and a mother in the United Kingdom, whose ill-health would not allow her to travel to Australia. The long distance between the two countries would mean the family would enjoy only limited contact if the applicant were extradited, convicted and sentenced to a term of imprisonment. The Court dismissed this argument as manifestly ill-founded, noting the very serious charges the applicant faced and the interest the United Kingdom had in honouring its obligations to Australia. Mindful of the importance of extradition arrangements between States in the fight against crime, the Court held, in this case, that it would only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State would outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition.
(b) Application of the above principles to the present case
197. The Court considers, and it is not in dispute between the parties, that the applicant enjoyed “family life” both with his spouse and two children in Russia. It is also uncontested that the extradition order and its execution (would) amount to an interference with his family life in Russia. Thus, Article 8 is applicable in the present case.
198. Furthermore, the Court notes that the applicant does not argue that the extradition would not be in accordance with the law and thus the only matter which falls to be considered is the proportionality of the extradition to the legitimate aims set out in the second paragraph of Article 8.
199. The Court observes that, while the applicant has not complained that his family life was adversely affected by his arrest and detention in Russia in 2010 and after the extradition order was issued, it was his contention that his removal from Russia under this order and, by implication, his possible detention in Uzbekistan pending criminal proceedings against him, interfered or would interfere disproportionately with the family life he enjoyed in Russia. As an argument against extradition, the applicant argued that he had amassed a significant period of residence in Russia, his spouse and children held Russian nationality, lived in Russia, had property there and the elder daughter needed medical treatment in Russia.
200. Concluding that there were no legal obstacles to the extradition of the foreign national, the national courts observed on judicial review that, unlike his family members, the applicant had not acquired Russian nationality and had not regularised his residence in the country. It was also noted that for some two years his family had continued to reside in Uzbekistan after the applicant had left for Russia for employment-related purposes. For its part, the Court observes in that connection that it has not been substantiated that the applicant would have any significant difficulty in maintaining his family life after execution of the extradition order. In fact, it does not appear that the applicant’s family members made any supporting statements in the domestic proceedings. On balance, it is unclear how and whether the extradition would particularly affect their relationship with the applicant.
201. As regards medical care provided to the applicant’s daughter (who was sixteen at the time and has reached the age of majority now), the reviewing courts took this aspect into consideration, in so far as it was articulated by the applicant. It appears that the treatment could well be pursued without the applicant (see paragraph 33 above). It has not been convincingly shown that the best interests and well-being of the children should have weighed heavily, alone or in combination with other factors, against the extradition.
202. In view of the above, the Court considers that the present case does not disclose any “exceptional circumstances” (see the King decision, cited above), and that it has not been substantiated that execution of the extradition order would entail exceptionally grave consequences for the applicant’s family life. With due regard to the gravity of the charges against the applicant and the legitimate interest Russia has in honouring its extradition obligations, the Court is satisfied that the extradition decision in respect of the applicant was proportionate to the legitimate aim pursued.
203. The Court concludes that the applicant’s extradition would not constitute a violation of Article 8 of the Convention.”
In deze uitspraak herhaalt het EHRM weer het uitgangspunt dat uitlevering alleen in ‘exceptional circumstances’ in strijd met art. 8 EVRM Pro komt, ditmaal nog duidelijker als hét te hanteren uitgangspunt of criterium (§ 196 slot en 202). Voorts hecht het EVRM in deze uitspraak in de eerste plaats gewicht toe aan de mate van aantasting van het gezinsleven. Niet blijkt dat de verzoeker “would have any significant difficulty in maintaining his family life after execution of the extradition order”, welk oordeel kennelijk is gerelateerd aan de mate waarin in het verleden gezinsleven heeft bestaan tussen Shakurov en zijn gezin (§ 200). Ook acht het EHRM van belang dat de zorg voor en het welzijn van de kinderen niet in het gedrang zal komen door de uitlevering (§ 201). Naar een en ander verwijst het EHRM vervolgens voor zijn oordeel dat geen sprake is van ‘exceptional circumstances’. Voorts kent het EHRM gewicht toe aan ‘the gravity of the charges’ (§ 202), in dit geval dus desertie uit het leger in vredestijd.
3.24
In de zaak Trabelsi [46] hadden de VS België verzocht om uitlevering van Trabelsi in verband met de verdenking van onder meer het deelnemen aan een terroristische organisatie, die voornemens was Amerikaanse onderdanen in het buitenland te vermoorden. Trabelsi klaagde bij het EHRM onder meer dat de uitlevering een inbreuk zou maken op zijn recht op een privé- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM Pro. Het EHRM oordeelde die klacht kennelijk ongegrond en daarom niet-ontvankelijk. Het overwoog:
“168. The Court notes that the applicant’s extradition raises no issues regarding the criterion that interference must be in accordance with the law and pursue a legitimate aim.
169. As to the necessity of the measure, the Court reiterates that it is only in exceptional circumstances that an applicant's private or family life in a Contracting State can outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition (see
King v. the United Kingdom(dec.), no. 9742/07, § 29, 26 January 2010, and
Babar Ahmad and Others, cited above, § 252).
170. In the present case the applicant submitted that he had been separated from his partner, who lived in Belgium and whom he wished to marry. In the Court's view, that does not constitute an exceptional circumstance preventing the applicant's extradition. Despite the great geographical distance between Belgium and the United States and the resultant limitation on contacts between the applicant and his partner should he be convicted and remain in prison, the Court must take into account the gravity of the offences for which the applicant is being prosecuted in the United States. It considers that the public interest in extraditing the applicant may be seen as weighing more heavily in terms of all the interests involved. For this reason, and in view of Belgium's interest in honouring its commitments to the United States — without prejudice to its obligation to comply with the other provisions of the Convention, particularly Articles 3 and 34 — the Court considers that the applicant's extradition was not in breach of Article 8 of the Convention.
171. Consequently, this part of the application is manifestly ill-founded within the meaning of Article 35 § 3 a) of the Convention and must be dismissed in accordance with Article 35 § 4.”
Ook in deze uitspraak herhaalt het EHRM dus weer het uitgangspunt dat uitlevering alleen in ‘exceptional circumstances’ in strijd met art. 8 EVRM Pro komt. De inbreuk op het recht van gezinsleven is in dit geval manifest. Het EHRM wijst op de ernst van de feiten waarvoor de uitlevering plaatsvindt.
Uit deze beslissingen en uitspraken te trekken conclusies
3.25
Het uitgangspunt dat uitlevering alleen in ‘exceptional circumstances’ is strijd met art. 8 EVRM Pro komt, wordt in alle uitspraken vanaf King door het EHRM gehanteerd. Ook de uitspraak in Aronica lijkt al op dit uitgangspunt te berusten, gelet op het feit dat het EHRM daarin zeer weinig moeite lijkt te hebben met de inbreuk die de uitlevering maakt op het gezinsleven met twee minderjarige kinderen en vrouw met wie de klager in gezinsverband leeft (de klacht is ‘kennelijk ongegrond’). Er is in die zaak weliswaar sprake van een ernstig misdrijf (handel in gestolen auto’s), maar niet van een misdrijf van de ernstigste soort.
In vrijwel alle zaken verwijzen de Europese Commissie en het EHRM naar de ernst van de strafbare feiten waarvoor de uitlevering plaatsvindt. In geen enkele beslissing of uitspraak worden de betrokken feiten echter niet ernstig genoeg geoordeeld. Uit geen enkele beslissing of uitspraak blijkt op enige wijze dat een (nadere) afweging zou (moeten) plaatsvinden van de ernst van de inbreuk op het recht op privé- en gezinsleven tegen de ernst van die feiten in het concrete geval. Geen beslissing of uitspraak bevat een overweging in die zin. Veeleer lijkt de verwijzing naar de ernst van de feiten steeds deze betekenis te hebben dat, mits sprake is van daadwerkelijk ernstige feiten – aan welke eis in alle beslissingen en uitspraken is voldaan –, uitlevering overeenkomstig art. 8 lid 2 EVRM Pro gerechtvaardigd is (wat om de hiervoor in 3.16 genoemde redenen ook voor de hand ligt en strookt met het uitgangspunt dat het EHRM heeft geformuleerd; zie daarvoor eveneens hiervoor in 3.16). Dat verklaart ook waarom in de uitspraak in Aronica zonder meer wordt voorbijgegaan aan de bepaald ernstige inbreuk op het recht op gezinsleven. Als de betrokken feiten maar een bepaalde ernst hebben, is uitlevering toegestaan, behoudens uitzonderlijke omstandigheden.
In de beslissing in Launder en de uitspraak in Shakurov wordt nader ingegaan op de in het concrete geval aan de orde zijnde mate van aantasting van het recht op gezinsleven. Niet blijkt echter dat die mate van aantasting wordt afgewogen tegen de ernst van de feiten. In zowel die beslissing als die uitspraak staat het onderzoek naar die aantasting immers geheel in de sleutel van het onderzoek of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden in de zin van het door het EHRM gehanteerde uitgangspunt. In de zaken van Aronica en King, waarin die aantasting evident groot is, lijkt aan die aantasting zelfs geheel voorbij te worden gegaan. In de uitspraak in King valt bovendien bepaald op dat het EHRM geen enkele moeite ermee heeft dat het Verenigde Koninkrijk kiest voor uitlevering aan Australië, met alle gevolgen van dien voor het gezinsleven van King, ondanks de mogelijkheid van vervolging in eigen land.
Overigens valt op dat alle beslissingen en uitspraken ontvankelijkheidsbeoordelingen betreffen, met uitzondering van de uitspraak in Shakurov, en dus berusten op de overweging dat de gegeven beslissing evident is (want de klacht is ‘manifestly ill-founded’, dus kennelijk ongegrond).
3.26
Mij lijkt dat het voorgaande de hiervoor in 3.16 genoemde, voor de hand liggende uitleg van het uitgangspunt dat het EHRM hanteert, bevestigt. Er dient dus geen afweging plaats te vinden tussen de mate van aantasting van het recht op privé- en gezinsleven door de uitlevering en de ernst van de feiten waarvoor de uitlevering plaatsvindt, in het concrete geval. Mits sprake is van ernstige feiten, is de aan een uitlevering inherente aantasting van het recht op privé- en gezinsleven in beginsel steeds overeenkomstig art. 8 lid 2 EVRM Pro gerechtvaardigd. Dat is alleen anders als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, zoals het EHRM met zoveel woorden zegt. Dit vormt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.16 is opgemerkt, een logisch en begrijpelijk stelsel, omdat anders het recht op privé- en gezinsleven een mogelijkheid zou zijn om aan vervolging en strafexecutie te ontkomen.
In het licht van een en ander ligt het voor de hand om ‘uitzonderlijke omstandigheden’ aldus op te vatten dat het moet gaan om een wanverhouding tussen de aan de orde zijnde aantasting van het recht op privé- en gezinsleven en het belang bij uitlevering (en het door het EHRM in sommige uitspraken in dit verband gebruikte begrip ‘disproportional’ in die zin op te vatten). Waar aantasting van het recht op privé- en gezinsleven als gezegd inherent is aan een uitlevering, valt die wanverhouding niet snel aan te nemen. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die niet meer zijn aan te merken als inherent aan een uitlevering en die bovendien een uitzondering rechtvaardigen op het uitgangspunt dat normaal gesproken een uitlevering niet kan worden tegengegaan met een beroep op het recht op privé- en gezinsleven. Daarbij gaat het lijkt me om gevallen van bijzondere hardheid. Ik denk dat de Staat gelijk heeft dat daarbij wat betreft gezinsleven valt te denken aan het geval dat de zorg of het welzijn van de kinderen van de opgeëiste persoon in de knel komt door de uitlevering, zoals in de zaak Shakurov aan de orde werd gesteld (en het EHRM in die zaak onderzocht, maar niet aanwezig achtte).
3.27
Ik zou menen dat de hiervoor in 3.6 genoemde regel van art. 5 lid 1 Uitleveringswet Pro dat uitlevering alleen plaatsvindt indien op het betrokken feit een vrijheidsstrafstraf staat van een jaar c.q. een vrijheidsstrafstraf is opgelegd van meer dan vier maanden – welke regel om de hiervoor in 3.4 genoemde reden ook (minimaal) in ieder uitleveringsverdrag is opgenomen waarbij Nederland partij is – in beginsel voldoet aan de eis dat de feiten waarvoor uitlevering plaatsvindt, voldoende ernstig moeten zijn. De nationale wetgever heeft hier in feite dezelfde afweging gemaakt als het EHRM in zijn uitspraken (wanneer zijn strafbare feiten ernstig genoeg om een uitlevering – die als gezegd per definitie een zeer ernstige inbreuk maakt op de rechten van de opgeëiste persoon, onder meer door de aantasting van zijn privé- en gezinsleven – te rechtvaardigen?). Een uitlevering die aan deze regel voldoet, lijkt me dan ook in beginsel zonder meer toegestaan.
Bespreking oordeel hof
3.28
Het lijkt me dat het hof het voorgaande heeft miskend. In rov. 3.5 vat het hof het oordeel van het EHRM met zoveel woorden op als een proportionaliteitstoets (rov. 3.5 tweede volzin en slotalinea). Het hof meent dat het EHRM de concrete inbreuk op het recht op gezinsleven in die zaak heeft afgewogen tegen de ernst van de betrokken feiten (rov. 3.5 slotalinea). Vervolgens heeft het hof in rov. 3.6-3.8 deze afweging gemaakt voor het geval van [verweerder] . Het hof oordeelt de inbreuk op het recht op gezinsleven in zijn geval zwaarder dan in het geval van King om de redenen die het noemt in rov. 3.6 (en herhaalt in rov. 3.7). In rov. 3.8 oordeelt het hof dat de feiten waarvoor de uitlevering moet plaatsvinden ernstig zijn, maar niet van zodanig gewicht dat de proportionaliteitstoets hierdoor alsnog in het nadeel van [verweerder] zou moeten uitvallen. Daarom oordeelt het hof de uitlevering ‘disproportioneel’, waarmee het kennelijk bedoelt: niet proportioneel in dit geval. Het oordeel van het hof lijkt dus geheel te berusten op de afweging die blijkens het voorgaande niet in dit verband dient plaats te vinden (omdat die in zijn algemeenheid al door het EHRM is gemaakt met genoemd uitgangspunt en als uitvloeisel daarvan in beginsel steeds in het voordeel van een rechtmatige uitlevering voor ernstige feiten uitvalt).
3.29
Naar het hof echter uitdrukkelijk aan het slot van rov. 3.6 vaststelt, is in dit geval sprake van ‘exceptional circumstances’, wat kan worden opgevat als een zelfstandig oordeel. Volgens het hof is sprake van ‘exceptional circumstances’ omdat ervan moet ervan worden uitgegaan dat [verweerder] na uitlevering in het geheel geen bezoek van [de dochter] of haar moeder zal kunnen ontvangen en dat telefonisch contact of beeldbellen met [verweerder] vanuit een Amerikaanse gevangenis onmogelijk zal zijn, beide in verband met de gespannen verhouding tussen de VS en Iran. Dat betekent dat, mogelijk gedurende meerdere jaren, alleen correspondentie (gecensureerd en met vertraging) mogelijk zal zijn. [47] Dat acht het hof onvoldoende om nog te kunnen spreken van een enigszins betekenisvol gezinsleven tussen [verweerder] en [de dochter] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [de dochter] thans drie jaar oud is en dat briefcontact met een kind van die leeftijd niet meer dan een uiterst beperkte betekenis kan hebben. In rov. 3.7 wijst het hof nog erop dat in verband met de gespannen verhouding tussen de VS en Iran het bij deze aantasting van het recht op het gezinsleven niet gaat om een aantasting die inherent is aan een uitlevering.
3.3
Volgens mij is een en ander onmiskenbaar onvoldoende om van uitzonderlijke omstandigheden te kunnen spreken in de hiervoor in 3.26 genoemde zin. Als gezegd tast detentie in het buitenland per definitie de mogelijkheid van gezinsleven zeer vergaand aan, maar wordt deze in beginsel steeds zonder meer gerechtvaardigd door de verdenking c.q. het gepleegd hebben van een ernstig delict. Familieleden zijn, om verschillende redenen (medisch, financieel of anderszins), wel vaker niet of maar slechts zeer incidenteel in staat om naar het buitenland af te reizen om degene die in het buitenland is gedetineerd, te bezoeken. De mogelijkheid van telefoneren bestaat wel vaker niet of nauwelijks bij een buitenlandse detentie (dat is ook afhankelijk van penitentiaire regime waaraan betrokkene wordt onderworpen). Beeldbellen is iets dat pas de afgelopen vijftien jaar bestaat. Het gaat dus om factoren die niet zonder meer bijzonder zijn. Een opgeëiste persoon heeft ook wel vaker kleine kinderen met wie na een uitlevering nog maar slechts in zeer geringe mate gezinsleven mogelijk is. Ook dat is dus een factor die niet zonder meer bijzonder is. De door het hof genoemde verschillen tussen dit geval en andere gevallen van detentie in het buitenland zijn ook – op het geheel van de aan een detentie in het buitenland inherente beperkte mogelijkheden tot contact, dus: verhoudingsgewijs – maar klein en slechts gradueel. Bij detentie in het buitenland is ook zeer vaak geen sprake van het ‘enigszins betekenisvol gezinsleven’ waarvan het hof rept.
Het gaat bij de feiten die het hof noemt, (dan ook) nog steeds om gevolgen van een uitlevering die daaraan inherent zijn te noemen, ook al zullen zij zich niet bij iedere uitlevering voordoen en zijn zij op zichzelf bepaald hard te noemen. Moeilijk kan dan ook worden gezegd dat het gaat om uitzonderlijke omstandigheden, die kunnen rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt dat een uitlevering normaal gesproken niet wordt verhinderd door een inbreuk op het recht op gezinsleven. Ware het anders dan zou immers iedere vader van een driejarige zich met succes op het standpunt kunnen stellen dat hij niet kan worden uitgeleverd (naar een ver buitenland) – en dus niet vervolgd en berecht kan worden –, althans zou dat gelden voor iedere vader van jonge kinderen uit Iran waarvan de VS uitlevering vraagt. Dat zou als stelsel niet aanvaardbaar zijn, lijkt me, gelet op de hiervoor in 3.3 genoemde doelen die met het uitleveringsrecht worden gediend. Dat de zorg voor of het welzijn van de dochter van [verweerder] in het gedrang zou komen in de hiervoor in 3.26 genoemde zin, stelt het hof niet vast ( [verweerder] heeft dat wel aangevoerd, maar die stelling is door de voorzieningenrechter aan het slot van rov. 4.10 verworpen). Het oordeel van het hof dat sprake is ‘exceptional circumstances’, lijkt me dan ook niet houdbaar.
3.31
In rov. 3.8 overweegt het hof als gezegd dat de feiten waarvoor de uitlevering van [verweerder] moet plaatsvinden, ernstig zijn, maar niet van zodanig gewicht dat de proportionaliteitstoets hierdoor alsnog in het nadeel van [verweerder] zou moeten uitvallen. Dit zou mogelijk gelezen kunnen worden als dat het hof van oordeel is dat die feiten onvoldoende gewicht toekomt. Zonder nadere motivering valt dat denk ik echter niet in zien. Op de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard (zie hiervoor in 3.12), staan naar Nederlands recht gevangenisstraffen van maximaal zes jaar respectievelijk een jaar (zie de in 3.12 genoemde strafbepalingen). Het gaat dus in beginsel om zeer ernstige strafbare feiten.
[verweerder] heeft aangevoerd dat de ernst van die feiten in zijn geval gering zou zijn. Volgens hem zou hij in Nederland waarschijnlijk een vergunning hebben gekregen voor de export van de onderhavige apparatuur en zou hij, als hij in Nederland zou zijn vervolgd voor illegale export naar Iran, niet meer dan een geldboete hebben gekregen. [48] Deze stellingen zien echter eraan voorbij dat genoemde feiten mede deelneming aan een criminele organisatie en valsheid in geschrifte omvatten – wat als gezegd in beginsel ernstige strafbare feiten zijn –, terwijl niet blijkt dat het in weerwil van de sanctieregeling uitvoeren van de onderhavige ‘dual use-goederen’ naar Iran in dit geval geen ernstige inbreuk op de sanctieregeling heeft gevormd.
Overigens gaat het hof ervan uit – in cassatie onbestreden – dat [verweerder] in de VS mogelijk een straf van meerdere jaren krijgt. Ook dat wijst er niet op dat het niet om ernstige feiten zou gaan.
Gelet op het hiervoor in 3.26 opgemerkte, kan dus ook rov. 3.8 het oordeel van het hof niet dragen.
Bespreking klachten
3.32
Uit het voorgaande volgt dat de klachten onder 2.2-2.4 van het middel – die aanvoeren dat het uitgangspunt van het EHRM geen ruimte laat voor een (belangen)afweging (in concreto) als door het hof uitgevoerd – gegrond zijn. Hetzelfde geldt voor de onderdelen 2.7.2-2.7.5 voor zover die aan de orde stellen dat het hof in dit geval, gelet op het voorgaande, geen ‘exceptional circumstances’ heeft kunnen aannemen.
3.33
Onder 2.5 voert het middel aan dat het uitgangspunt van het EHRM alleen zou gelden indien het gaat om gezinsleven in een staat die is aangesloten bij het EVRM, en dat het hof heeft miskend dat in dit geval niet aan deze eis is voldaan, nu het gezinsleven van [verweerder] zich in Iran afspeelt. Blijkens de schriftelijke toelichting van de Staat berust deze klacht daarop dat het EHRM zijn uitgangspunt aldus heeft geformuleerd dat daarin wordt gesproken van ‘an applicant's private or family life
in a Contracting State’ (onderstreping toegevoegd).
3.34
Deze klacht lijkt me ongegrond. Op grond van art. 1 EVRM Pro moeten de verdragstaten een ieder die ressorteert onder hun rechtsmacht de rechten en vrijheden van het EVRM verzekeren. De rechtsmacht van de staten strekt zich in de eerste plaats uit over een ieder die zich op hun territoir bevindt. Het is niet aannemelijk dat het EHRM hierop een beperking heeft willen aanbrengen voor het geval dat betrokkene zich weliswaar in de rechtsmacht van een verdragsstaat bevindt, zoals [verweerder] in die van Nederland, maar zijn te beschermen gezinsleven zich daarbuiten afspeelt. Naar ik veronderstel, is genoemde formulering van het EHRM daardoor ingegeven dat het bij de uitleveringen waarmee het EHRM heeft te maken, tot nu toe steeds gaat om het gezinsleven dat de opgeëiste persoon heeft in het land aan wie de uitlevering wordt verzocht en dat partij is bij het EVRM. Enige aanwijzing dat een beperking zoals door het middel wordt bepleit, zou zijn bedoeld kan ik in de uitspraken van het EHRM niet lezen.
3.35
Voor zover de klacht zou bedoelen erop te wijzen dat het gezin of de dochter van [verweerder] in dit geval geen beroep op art. 8 EVRM Pro kan doen, nu dat of zij zich buiten de rechtsmacht van Nederland bevindt, is de klacht ongegrond omdat in het arrest van het hof niet valt te lezen dat het dit heeft miskend.
3.36
Onder 2.6 klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat een bepaalde leeftijd van een kind niet valt te kwalificeren als een exceptionele omstandigheid.
3.37
Deze klacht is ongegrond omdat in het arrest van het hof niet valt te lezen dat het in deze zin heeft geoordeeld. Zijn oordeel berust onmiskenbaar op het beperkte contact dat met een driejarige vanuit de gevangenis mogelijk is, zeker als dit slechts per brief kan plaatsvinden.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. 2.1-2.5 van het arrest van het hof. Zie meer uitvoerig het vonnis van de voorzieningenrechter in eerste aanleg, rov. 2.1-2.5.
2.Zie voor dat feit p. 1 van de inleidende dagvaarding van dit kort geding, waar wordt vermeld dat [verweerder] in [plaats 1] woont.
3.Zie voor het feit dat de aanhouding plaatsvond op Schiphol, en voor het doel van het bezoek van [verweerder] aan Nederland, de inleidende dagvaarding van dit kort geding, onder 6.
4.Het gaat, voor zover in cassatie van belang, om handelen in strijd met de sanctieregeling van de VS tegen Iran, in een criminele organisatie en met valsheid in geschrifte om de bestemming van de goederen te verhullen. De sanctieregeling van de VS tegen Iran is terug te voeren op VN-resoluties. In de Europese Unie worden deze resoluties uitgevoerd met verordeningen. Nederland heeft deze verordeningen geïmplementeerd in eigen sanctieregelingen, laatstelijk de Sanctieregeling 2012. Zie hierover nader hierna in 3.9-3.12.
5.HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:623.
6.Vgl. de vaststelling van de vordering en de grondslag daarvan in rov. 2.6 van het arrest van het hof.
7.Rechtbank Den Haag 22 september, ECLI:NL:RBDHA:2020:14017.
8.Gerechtshof Den Haag 23 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:481.
9.De procesinleiding is op 14 april 2021 bij de Hoge Raad ingediend. De cassatietermijn bedroeg op grond van art. 339 lid 2 jo Pro 402 lid 2 Rv acht weken en verstreek dus op 18 mei 2021.
10.Uit het verweerschrift van [verweerder] in cassatie – waarin staat vermeld dat hij in [plaats 2] woont – maak ik op dat hij na het arrest van het hof is ontslagen uit de uitleveringsdetentie waarin hij blijkens de voorbladen van het vonnis en het arrest in deze zaak in feitelijke instanties zat.
11.Dit omvat dus mede de vervolging (en dus de berechting). Veelal wordt bij uitlevering om deze reden gesproken van een ‘vervolgingsuitlevering’. Zie bijvoorbeeld T&C Internationaal Strafrecht, commentaar op art. 1 Uitleveringswet Pro, aantek. 1a (Lestrade).
12.Uitlevering aan een land waarmee Nederland geen uitleveringsverdrag heeft of aan een land waarmee Nederland een uitleveringsverdrag heeft dat niet in die uitlevering voorziet, is dan ook niet mogelijk, uitlevering door zo’n land aan Nederland wel.
13.Zie hiervoor V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 14-16, met verwijzing naar en een beschrijving van de (grond)wetsgeschiedenis.
14.Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, 's-Gravenhage, 24 juni 1980, Trb. 1980/111 en 1983/133. Dit verdrag is de grond van het uitleveringsverzoek in deze zaak.
15.Dit is geregeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europese aanhoudingsbevel en de procedure van overlevering tussen de lidstaten. Dit kaderbesluit berust op het Verdrag betreffende de Europese Unie en is in Nederland geïmplementeerd in de Overleveringswet (Stb. 2004/195). Overlevering op grond van dit kaderbesluit wordt uitsluitend beheerst door de Overleveringswet (en dus niet door de Uitleveringswet).
16.Zie uitvoering over de eis van dubbele strafbaarheid en de ratio daarvan V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 291 e.v., met verdere verwijzingen naar rechtspraak en literatuur.
17.Zie V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 296-297, eveneens met verdere verwijzingen naar rechtspraak en literatuur.
18.Sluitstuk van de regeling is dat bij een uitlevering steeds wordt bedongen dat na uitlevering alleen vervolging kan plaatsvinden voor de feiten waarvoor de uitlevering door Nederland is toegestaan (het zogeheten specialiteitsbeginsel). Zie art. 12 Uitleveringswet Pro. In het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS is dit geregeld in art. 15.
19.De ‘opgeëiste persoon’ is de omschrijving van de Uitleveringswet. Zie art. 1 lid 1 Uitleveringswet Pro.
20.De uitleveringsrechter gaat daar dus in beginsel niet over. Zie onder meer HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533 (strafkamer), rov. 5.3.1, en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016/14, m.nt. A.H. Klip (burgerlijke kamer), rov. 3.4.3. In beide arresten is hierop een uitzondering gemaakt voor het geval waarin de uitleveringsrechter vaststelt dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, of dat zij zijn foltering hebben uitgelokt of bewerkstelligd. Dan zal de uitlevering door hem ontoelaatbaar moeten worden verklaard (zie respectievelijk rov. 5.5.3 en rov. 3.4.4 van genoemde arresten). Voorts bestaat een uitzondering als (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Zie daarvoor HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 (strafkamer), rov. 3.4.
21.Zie onder meer genoemd HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016/14, m.nt. A.H. Klip, rov. 3.4.2. Op grond van art. 8:5 lid 1 Awb Pro staat geen beroep open bij de bestuursrechter. Zie over de bevoegdheidsverdeling tussen de minister en de rechter nader V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 44-45.
22.En dat de mededelingen die zij elkaar doen, juist zijn en dat toezeggingen worden nagekomen. Over deze laatste aspecten gaat deze zaak echter niet.
23.De gelding van het vertrouwensbeginsel is wat betreft de VS dan ook al uitdrukkelijk uitgesproken in HR 1 juli 1985, NJ 1986/162. Ook de uitleveringsrechter in deze zaak is daarvan uitdrukkelijk uitgegaan. Zie de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2019, overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding, rov. 9.2. Hetzelfde geldt voor de voorzieningenrechter in deze procedure. Zie rov. 4.5 van haar vonnis.
24.Zie daarvoor o.m. de hiervoor in voetnoot 20 genoemde uitspraken. Zie nader over het vertrouwensbeginsel V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 19-20, en H.D. Sanders, Handboek uitleverings-overleveringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 19-20. Zie voorts uitvoerig Thomas Kraniotis, Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken, Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen, 2016.
25.Na deze resolutie zijn nog drie resoluties gevolgd: Resolutie 1747 (2007), Resolutie 1803 (2008) en Resolutie 1929 (2010).
26.Deze goederen worden in art. 2 van Pro de ‘Dual use-Verordening’, EU-Verordening 428/2009 gedefinieerd als: “producten, met inbegrip van programmatuur en technologie, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen.”
27.Het ‘Joint Comprehensive Plan of Action’ van 14 juli 2015 met als partijen Iran, China, Duitsland, Frankrijk, Rusland, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten en de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.
28.Vgl. voor een en ander Handboek Iran, Praktische handleiding zakendoen Iran Mogelijkheden en beperkingen na ingaan sanctieverlichting, Ministerie van Buitenlandse zaken, juni 2018, p. 11-13. In de uitleveringsprocedure is uitvoerig op de onderhavige regelgeving ingegaan.
29.Zie voor een en ander de uitspraak van de uitleveringsrechter (productie 4 bij de inleidende dagvaarding), rov. 6.3. Zie voorts de uitspraak van de Hoge Raad in de uitleveringsprocedure, hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemd, en het besluit van de minister van 26 mei 2020, hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemd (productie 2 bij de inleidende dagvaarding).
30.Zie aldus onder meer de King-uitspraak waarnaar het hof in de bestreden uitspraak verwijst, en EHRM 18 april 2002, nr. 72032/01 (Aronica t. Duitsland), onder 2.
31.Zie de samenvatting van de rechtspraak van het EHRM op dit punt onder 28-30 in de Guide on Article 8 of of the European Convention on Human Rights, die te vinden is op de website van het EHRM.
32.Zie onder meer uitdrukkelijk de Beslissing van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens van 8 december 1997, nr. 27279/95 (Launder t. Verenigde Koninkrijk), onder 3, en EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010/449 m.nt. A.H. Klip (King t. Verenigde Koninkrijk), § 29, waarin het EHRM naar deze beslissing verwijst.
33.Zie EHRM 7 juli 1989, NJ 1990/158 m.nt. E.A. Alkema (Soering/Verenigd Koninkrijk), § 85. Daar verwijst het EHRM ook naar in, bijvoorbeeld, EHRM 8 december 1997, nr. 27279/95 (Launder t. Verenigde Koninkrijk), onder 3.
34.Zie EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010/449 m.nt. A.H. Klip (King t. Verenigde Koninkrijk), § 29.
35.Zie naast de King-uitspraak die het hof citeert, de uitspraken die hierna zullen worden genoemd.
36.Zie bijvoorbeeld het lemma ‘exceptional’ in het Engels-Nederlandse woordenboek van Van Dale (online raadpleegbaar).
37.Zie in deze zin ook, naar ik begrijp, Klip in zijn noot onder de King-uitspraak in NJ 2010/449, onder 6, die de uitzondering die het EHRM maakt voor uitzonderlijke omstandigheden, aanmerkt als ‘redmiddel’ dat het EHRM ‘achter de hand houdt’.
38.Tot 1998 – toen het elfde Protocol bij het EVRM in werking trad, waarbij de Europese Commissie werd afgeschaft – werd de ontvankelijkheid van klachten bij het EHRM beoordeeld door deze commissie. Sindsdien kunnen klagers zich rechtstreeks tot het EHRM wenden.
39.Beslissing van de Europese Commissie van 4 september 1995, nr. 25342/94 (Raidl t. Oostenrijk), onder d.
40.Beslissing van de Europese Commissie van 8 december 1997, nr. 27279/95 (Launder t. Verenigde Koninkrijk), onder 3.
41.EHRM 18 april 2002, nr. 72032/01 (Aronica t. Duitsland).
42.EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010/449 m.nt. A.H. Klip (King t. Verenigde Koninkrijk).
43.EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010/449 m.nt. A.H. Klip (King t. Verenigde Koninkrijk).
44.EHRM 10 april 2012, nr. 24027/07, 11949/08, 66911/09, 67354/09 (Babar Ahmad e.a. t. Verenigde Koninkrijk).
45.EHRM 5 juni 2012, nr. 55822/10 (Shakurov t. Rusland).
46.EHRM 14 september 2014, nr. 140/10 (Trabelsi t. België).
47.Zoals volgt uit hetgeen het hof in rov. 3.4 overweegt, is dit niet helemaal zeker. Wellicht zal er meer contact mogelijk zijn, maar het hof meent – begrijpelijkerwijs – dat daarop niet kan worden vooruitgelopen.
48.Zie de inleidende dagvaarding onder 3.6.