Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
verplichtingtot uitlevering, wat logisch is gelet op de hiervoor in 3.3 genoemde doelstelling ervan. In het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS is deze verplichting bijvoorbeeld opgenomen in art. 1. Op deze verplichting maken de verdragen vervolgens de nodige uitzonderingen die, kort gezegd, samenhangen met de eigen soevereiniteit, met name (de eisen van) de eigen rechtsorde. Welke uitzonderingen Nederland dient te bedingen in een verdrag, is bepaald in de Uitleveringswet, waarvan art. 3 dan Pro ook inhoudt dat als Nederland overweegt om een verdrag te sluiten dat van de Uitleveringswet afwijkt, tevens een voorstel wordt gedaan tot aanpassing van de Uitleveringswet. Belangrijke en voor de hand liggende voorwaarden zijn dat het feit waarvoor uitlevering plaatsvindt, strafbaar is naar het recht van beide betrokken staten (de eis van dubbele strafbaarheid) en dat op dat feit ten minste een vrijheidsstrafstraf staat van een jaar c.q. een vrijheidsstrafstraf is opgelegd van meer dan vier maanden (art. 5 lid 1 Uitleveringswet Pro). Deze voorwaarden liggen voor de hand omdat anders door het justitieel apparaat zou worden meegewerkt aan een vervolging of bestraffing die in de eigen rechtsorde niet strafbaar is, [16] dan wel van onvoldoende gewicht is om de ingrijpende maatregel die een uitlevering per definitie is, te rechtvaardigen. [17] In het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS zijn deze voorwaarden te vinden in art. 2 leden Pro 1 en 2. [18]
in het gegeven gevalniet proportioneel is met de inbreuk op het recht op gezinsleven in de zin dat die inbreuk
in het gegeven gevalzwaarder weegt, zoals het middel in die rechtsoverweging leest. Zoals het middel als vertrekpunt heeft, staat dat echter haaks op de taalkundige betekenis van de omschrijving ‘only in exceptional circumstances’. Dat betekent immers ‘uitsluitend in uitzonderlijke (of zeldzame) omstandigheden’. [36] Bovendien luidt het uitganspunt van het EHRM als geheel dat “it will only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition.” Dus: alleen in uitzonderlijke (of zeldzame) omstandigheden zal het recht op privé- of gezinsleven zwaarder wegen dan het legitieme doel van een uitlevering. Een ‘gewone’ proportionaliteitsafweging – waarbij de in het concrete geval tegenover elkaar staande belangen tegen elkaar worden afgewogen –, zoals het hof kennelijk uitvoert in rov. 3.6-3.8, past daar niet bij.
Raidl [39] gaat over een uitleveringsverzoek van Rusland aan Oostenrijk ter vervolging van Raidl. Raidl werd verdacht van het medeplegen van een moord in Rusland. Raidl stelde zich onder meer op het standpunt dat de uitlevering een ontoelaatbare inbreuk op art. 8 EVRM Pro opleverde, omdat zij inmiddels leed aan ernstige psychische klachten en omdat uitlevering de band met haar echtgenoot zou verbreken. De Europese Commissie overwoog:
Launder [40] had Hong Kong aan het Verenigde Koninkrijk om uitlevering van Launder gevraagd die de Britse nationaliteit had en op dat moment in het Verenigde Koninkrijk woonde, evenals zijn vrouw, drie meerderjarige kinderen en vijf kleinkinderen. Launder werd door Hong Kongse autoriteiten verdacht van het aannemen van steekpenningen (voor een bedrag van ongeveer £ 4,5 miljoen) in de periode tussen 1980 en 1982 toen hij directeur was van een particuliere handelsbank gevestigd in Hong Kong. Om die reden hadden de Hong Kongse autoriteiten aan Verenigde Koninkrijk verzocht om Launder aan Hong Kong uit te leveren om daar te worden vervolgd. Launder klaagde bij het EHRM onder meer dat de uitlevering een ontoelaatbare inbreuk op zijn privé- en gezinsleven vormde. De Europese Commissie verklaarde de klacht niet-ontvankelijk. Zij overwoog:
Aronica [41] ging over de uitlevering aan Italië van een Italiaanse man, Aronica, die ten tijde van het uitleveringsverzoek samen met zijn echtgenote en twee minderjarige kinderen bijna zeven jaar in Duitsland woonde. Het uitleveringsverzoek was bedoeld om het restant van een vrijheidsstraf die de Italiaanse rechter hem in 1999 had opgelegd, ten uitvoer te leggen. De straf was opgelegd wegens het leidinggeven in de periode van 1993 tot 1995 aan een criminele organisatie die gestolen auto’s verhandelde. Aronica klaagde bij het EHRM onder meer dat de uitlevering inbreuk zou maken op zijn recht op gezinsleven, gelet op het effect van de uitlevering op zijn gezinsleven. Het EHRM oordeelde de klacht over schending van art. 8 EVRM Pro kennelijk ongegrond en daarmee niet-ontvankelijk. Het overwoog:
King [42] ging over een verzoek van Australië aan het Verenigd Koninkrijk om King, een Britste onderdaan, uit te leveren voor vervolging wegens deelneming aan een internationale criminele organisatie die betrokken was bij pogingen grote hoeveelheden ecstasy te smokkelen vanuit het Verenigde Koninkrijk naar Australië. Door de Australische autoriteiten was meer dan 31 kilogram ecstasypillen onderschept, met een straatwaarde van 11,4 miljoen Australische dollars. King klaagde bij het EHRM onder meer dat zijn uitlevering een inbreuk maakt op zijn recht op een privé- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM Pro. Daarbij wees hij allereerst op het feit dat hij makkelijk ook in het Verenigde Koninkrijk zou kunnen worden vervolgd voor de betrokken feiten. Het EHRM oordeelde de klacht kennelijk ongegrond en daarmee niet-ontvankelijk. Het overwoog:
Raidl v. Austria, no. 25342/94, Commission decision of 4 September 1995). Given those charges, and the interest the United Kingdom has in honouring its obligations to Australia, the Court is satisfied that the applicant's extradition cannot be said to be disproportionate to the legitimate aim served. It follows that this part of the application must be also rejected as manifestly ill-founded, pursuant to Article 35 §§ 3 and 4 of the Convention.” [43]
Babar Ahmad e.a. [44] ging het om een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten aan het Verenigde Koninkrijk ter vervolging van zes verdachten die op enigerlei wijze betrokken zouden zijn geweest bij terroristische activiteiten in de Verenigde Staten. Zij klaagden bij het EHRM onder meer over inbreuk op hun recht op privé- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM Pro. Die klacht oordeelde het EHRM kennelijk ongegrond en dus niet-ontvankelijk:
King v. the United Kingdom(dec.), no. 9742/07, § 29, 26 January 2010, and
Babar Ahmad and Others, cited above, § 252).
in a Contracting State’ (onderstreping toegevoegd).