Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
Goed dat je zo’n onderwerp beet pakt. Natuurlijk staat het je helemaal vrij om te schrijven wat je wilt. Zeker als je het op persoonlijke titel doet, zonder vermelding van ROC Nijmegen. Alhoewel een en ander natuurlijk altijd te herleiden is naar het roc.
we hebben afgesproken dat jij geen interne acquisitie meer uitvoert voor het boek’. [6] Dit naar aanleiding van het feit dat werkneemster medewerkers van ROC op het boek had geattendeerd.
(…)
3.Procesverloop
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Vraag 2
Antwoord 2
constaterende dat de positie van docenten zwak is ten opzichte van het schoolbestuur;
onder 18dat het oordeel van het hof in rov. 4.9, eerste volzin, dat de verstoorde arbeidsverhouding “
niets te maken heeft” met de vrijheid van meningsuiting van werkneemster onbegrijpelijk is in het licht van de door het hof zelf vastgestelde feiten en in het licht van de processtukken. Als de inhoud van het boek zodanig zou zijn geweest dat dit boek bij geen enkele collega tot onrust had kunnen leiden, zou immers ook in de visie van het hof geen verstoorde arbeidsverhouding zijn ontstaan. De opmerking van het hof in rov. 4.9, vijfde volzin, inhoudend dat het ontbindingsverzoek ziet op “
de gevolgen die de inhoud van het boek heeft op de interne verhoudingen en werkrelaties”, vormt in dat verband geen toereikende motivering, nu inherent is aan het uitoefenen van het recht van vrijheid van meningsuiting dat dergelijke gevolgen er zijn, en het verzoekschrift en de bestreden beschikking precies op die gevolgen ingaan, aldus de klacht.
onder 23dat voor zover het hof de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijsbaar heeft geacht wegens een veronderstelde openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie in strijd met een geheimhoudingsverplichting zonder daarbij een afweging te maken met de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, het hof eveneens art. 7 Grondwet Pro en art. 10 EVRM Pro heeft geschonden. In ieder geval is zijn oordeel in rov. 4.9 onbegrijpelijk en dus ontoereikend gemotiveerd, aldus de klacht.
Herbai/Hongarije(waarover ook hierna onder 4.44 en 4.47): [27]
37. The Court has further found that Article 10 of the Convention also applies when the relations between employer and employee are governed, as in the case at hand, by private law, and that the State has a positive obligation to protect the right to freedom of expression even in the sphere of relations between individuals (see Heinisch v. Germany, no. 28274/08, § 44, ECHR 2011 (extracts), with further references). The responsibility of the authorities would be engaged if the facts complained of stemmed from a failure on their part to secure to the applicants the enjoyment of the right enshrined in Article 10 of the Convention. While the boundary between the State’s positive and negative obligations under the Convention does not lend itself to precise definition, the applicable principles are, nonetheless, similar. In both contexts regard must be had in particular to the fair balance that has to be struck between the competing interests of the individual and of the community as a whole, subject in any event to the margin of appreciation enjoyed by the State (see Palomo Sánchez and Others v. Spain [GC], nos. 28955/06 and 3 others, §§ 60 and 62, ECHR 2011). (…)”
Baka/Hongarijewas sprake van een voortijdige beëindiging van de ambtstermijn van de president van de Hoge Raad (tevens voorzitter van de Nationale Raad voor Justitie) in Hongarije, nadat hij (Baka) kritiek had geleverd op wetsvoorstellen tot verandering van het rechterlijk bestel in Hongarije. Ter beantwoording van de vraag of voortijdige beëindiging van de ambtstermijn van Baka konden worden gezien als een inmenging in diens vrijheid van meningsuiting, overwoog het EHRM onder meer het volgende (mijn onderstrepingen):
Miroslava Todorova/Bulgarije.Ook in deze zaak ging het om een rechter, Todorova, tevens voorzitter van de vakbond van rechters in Bulgarije. Zij werd geconfronteerd met een tuchtrechtelijke sanctie (inhouding van 15% van het salaris over een periode van twee jaar, later gevolgd door overplaatsing naar een ander gerecht), omdat zij de afdoening van zaken vertraagd zou hebben. Voorafgaand hieraan had Todorova kritiek uitgeoefend op de Bulgaarse Supreme Judicial Council (SJC), met name ten aanzien van de benoemingen van een aantal presidenten van gerechtshoven, en op het rechterlijke beleid van de regering. Ter beoordeling van de vraag of de tuchtrechtelijke sancties een inmenging in de vrijheid van meningsuiting opleverden overwoog het EHRM onder meer het volgende:
ii. Application en l'espèce
een reactie vormt‘
op de gevolgen die de inhoud van het boek heeft op de interne verhoudingen en werkrelaties’. De publicatie is dus een essentiële schakel in de causale keten van gebeurtenissen, die geleid hebben tot het ontbindingsverzoek.
Door dit samenstel van overwegingen maakt de rechter de werkneemster verantwoordelijk voor de verstoring van de verhoudingen. Zonder kennis genomen te hebben van de inhoud van de uitingen van werkneemster is het lastig dit element goed te wegen, maar wat mij betreft geldt daarbij als uitgangspunt dat juist door de (directe of indirecte) werking van grondrechten ‘tolerantie een zeer gewichtige pijler is welke juist ten aanzien van uitingen welke men – op zich wellicht terecht – verwerpelijk acht, zijn waarde moet bewijzen’ (CRvB 26 mei 1987, TAR 1987/166). Die tolerantie, hoe vervelend ook, mag ook van collega’s en leidinggevenden worden verwacht.”
Gawlik/Liechtenstein): [35]
De uitspraak laat verder duidelijk zien dat eventuele gevolgen van een uitlating, zoals een verlies van dienstbetrekking, meegewogen dienen te worden bij de vraag of het recht op vrije meningsuiting is geschonden. Het onder ‘Zie anders’ aangehaalde oordeel van het Hof Arnhem-Leeuwarden in de zaak van een werknemer van een onderwijsinstelling die zich in een boek kritisch had uitgelaten over haar werkgever en vervolgens haar baan verloor, dat zij haar recht op vrije meningsuiting als zodanig had kunnen uitoefenen en er daarom geen sprake was van een schending, lijkt dan ook wat karig te zijn gemotiveerd. De mogelijkheid van baanverlies heeft immers onmiskenbaar een chilling effect op het recht van vrije meningsuiting.”
Handyside/Verenigd Koninkrijk: [36]
Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of a democratic society and one of the basic conditions for its progress and for each individual’s self-fulfillment. It is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without there is no democratic society.”
Sunday Times/Verenigd Koninkrijk. [37] Waar de noodzakelijkheid in een democratische samenleving in relatie staat tot een van de in lid 2 genoemde beperkingsdoeleinden, wordt de toets ook wel vertaald in een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets en moeten de argumenten relevant en afdoende zijn. [38] Bij klachten onderzoekt het EHRM of aan deze motiveringsplicht is voldaan. Daarbij is van belang of de beperking aan de uitingsvrijheid in verhouding staat tot het te bereiken doel, of dat er een andere, minder ingrijpende, maatregel was om het gestelde doel te bereiken. Naarmate de gevolgen van de beperking verstrekkender zijn, worden zwaardere eisen gesteld aan de legitimering door het gestelde wettelijke doel.
Herbai/Hongarije(waarin een bankmedewerker werd ontslagen nadat hij een tweetal kritische artikelen op een website had gepubliceerd): [44]
mutual trust’, waarin een zekere mate van ‘
loyalty’ van de werknemer wordt gevergd, zij het dat geen sprake is van ‘
an absolute duty of loyalty’ van de werknemer ten opzichte van de werkgever, noch van ‘
a duty of discretion tot he point of subjecting the worker to the employer’s interests’.
Mahi/Belgiëde overplaatsing van een leerkracht die islamitisch onderwijs doceerde op een school, niet onevenredig beschouwd. Het betrof een reactie op verschillende kritische uitingen van de docent over maatschappelijke onderwerpen als Charlie Hebdo en homoseksualiteit. [46]
Herbai/Hongarijemaakt het EHRM na de vooropstelling in de hiervoor geciteerde § 38, dan de volgende belangenafweging: [47]
Rubins/Letland(waarin een universitair medewerker werd ontslagen nadat hij kritiek had geuit op de gang van zaken binnen de medische faculteit): [50]
92. Lastly, the Government submitted that the applicant’s career had not been affected and that therefore the measure – his dismissal – could not be considered as severe. The Court notes that this was the harshest sanction available and, disregarding the fact that the applicant took up a post in another university soon afterwards, was liable to have a serious chilling effect on other employees of the University and to discourage them from raising criticism (see Palomo Sánchez and Others, cited above, par. 75). The Court finds that it is difficult to justify the application of such a severe sanction.”
Heinisch/Duitsland [51] (ontslag op staande voet van een klokkenluider) en
Guja/Moldavië [52] (eveneens ontslag van een klokkenluider) benoemt het EHRM dit ‘chilling effect’ van een ontslag. Zie over klokkenluiders ook enkele opmerkingen hierna onder 4.57-4.60.
Palomo Sanchez e.a./Spanje: [56]
JARschrijft De Laat dat dit uitgangspunt in Nederlandse rechterlijke uitspraken wel eens uit het oog verloren lijkt te worden. [58]
Theodoor Gilissen Bankniet (rechtstreeks) relevant voor de voorliggende zaak. [64] In die zaak had een werknemer de op hem rustende geheimhoudingsverplichting geschonden door – in het kader van een onthullen van een misstand binnen de bank - vertrouwelijke gegevens ter beschikking te stellen aan een cliënt van de bank. In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat “
de in art. 7:611 BW Pro neergelegde verplichting van een werknemer om zich als een goed werknemer te gedragen [mee] brengt (…) dat hij, (…) in beginsel tegenover zijn werkgever is gehouden tot discretie en loyaliteit”, en dat dat ook geldt indien de werknemer van mening is dat binnen de organisatie sprake is van een misstand die in het algemeen belang dient te worden bestreden. Overigens had de werknemer in de zaak
Theodoor Gilissen Bankzélf ontslag genomen. De vrijheid van meningsuiting speelde in het arrest van de Hoge Raad geen rol. [65]
Rabobank/Stichting Restschuld Eerlijk Delen(waarin de Hoge Raad een recht op anonimiteit van werknemers heeft gecreëerd) niet relevant. [66]
Herbai/Hongarije(zie onder 4.44), dat specifiek is ontwikkeld voor uitingen van een werknemer. [67]
subonderdeel II.Akunnen bouwsteen 2 enerzijds en bouwstenen 3 en 4 anderzijds in onderlinge samenhang niet anders worden gelezen dan dat het hof het verwijt van ROC dat werkneemster haar kritiek niet eerst en uitsluitend in OR-verband heeft aangekaart, tot de zijne maakt en bovendien van werkneemster verlangt dat zij die kritiek voldoende gemotiveerd zou hebben weersproken om haar beroep op schending van het opzegverbod te onderbouwen. Als het hof hiermee heeft geoordeeld dat het OR-lidmaatschap van werkneemster geen verband houdt met het ontbindingsverzoek omdat haar wordt verweten haar kritiek niet in OR-verband aan te hebben gekaart, heeft het hof ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting over het opzegverbod, ofwel is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus de klacht
onder 29.
onder 30, van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan indien het heeft geoordeeld dat een werkgever niet in strijd met het opzegverbod kan handelen, c.q. dat de uitzonderingsgrond van art. 7:671b lid 6 BW zich niet voordoet, indien de werknemer in een voorkomend geval kan worden verweten dat hij kritiek die hij aankaart in een boek ook als OR-lid had kunnen aankaarten. Als die rechtsregel als juist zou worden aanvaard, dan zou een werknemer die tevens OR-lid is eerder strijd met enige geheimhoudingsplicht en goed werknemerschap kunnen worden verweten dan een niet-OR lid, aldus de klacht. Volgens werkneemster zou dat strijd opleveren met zowel art. 10 EVRM Pro als met (het doel van) het opzegverbod.
onder 31klaagt werkneemster dat het oordeel van het hof, meer specifiek bouwsteen 4, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat te hoge eisen worden gesteld aan de weerlegging door een werknemer van enig verwijt dat kritiek ook/eerst intern had kunnen worden aangekaart. Volgens werkneemster valt niet in te zien waarom “een algehele verwijzing naar het bespreekbaar maken en stellen van (kritische) vragen tijdens diverse bijeenkomsten” ontoereikend zou zijn om “het verwijt van ROC dat zij niet eerder specifiek kritiek heeft geuit op het nieuwe onderwijssysteem” te weerleggen, en waarom van een OR-lid meer of anders had mogen worden verwacht. Verder meent werkneemster dat een dergelijke bewijslast(verdeling) bovendien hoe dan ook onverenigbaar is met die van art. 7:671b lid 6 BW, nu het (zeker) gelet op de stellingen c.q. de betwisting van werkneemster aan ROC als werkgever was om te bewijzen (althans voldoende aannemelijk) te maken dat het ontbindingsverzoek géén verband hield met haar OR-lidmaatschap. Mede gelet op de hierna in subonderdeel IIB aan te halen overige stellingen van ROC, onder meer in het ontbindingsverzoek, is het onbegrijpelijk als het hof heeft geoordeeld dat ROC daarin is geslaagd reeds door te stellen dat werkneemster haar kritiek ook in OR-verband had kunnen aankaarten, aldus de klacht.
subonderdeel II.Bklaagt werkneemster
onder 33dat voor zover het hof bij zijn oordeel in rov. 4.10 ervan uit is gegaan dat stellingen en omstandigheden van ná het ontbindingsverzoek in een geval als het onderhavige geen rol kunnen spelen bij de vraag of het opzegverbod is geschonden, zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
onder 36, waarin werkneemster onder meer klaagt dat haar motiveringsklacht onder 35 moet slagen vanwege de volgende, als ik de klacht goed begrijp, volgens werkneemster in cassatie vaststaande relevante feiten en passages uit correspondentie en gedingstukken van ROC waarop werkneemster in dit verband uitdrukkelijk heeft gewezen: [70]
onhebbelijke neiging” zou hebben in voorkomend geval steun te zoeken bij, onder meer, de OR; [73]
manager HRM [betrokkene 3] , die in die hoedanigheid altijd de overlegvergaderingen met de OR van [ROC] bijwoont”, meldt dat in OR-vergaderingen en commissies “
het gedrag van [werkneemster] ergerlijk arrogant” en “
bij tijd en wijle tenenkrommend” zou zijn. Ook dit maakt duidelijk dat ROC het ontbindingsverzoek mede heeft gebaseerd op de opstelling van werkneemster als lid van de OR; [74]
het niet aanging dat [werkneemster] als medewerker van [ROC] zonder vooroverleg met en toestemming van haar werkgever haar commerciële nevenactiviteiten als schrijver” op de door hen gewraakte wijze onder de aandacht had gebracht van andere medewerkers van ROC begin november 2019 niet te herzien: “
Haar status als OR-lid met een voorbeeldfunctie woog daarbij voor hen mee”, aldus het verzoekschrift; [76]
teruggekoppeld” naar aanleiding van het boek van werkneemster, de mailwisseling daarover en de reacties daarop, dat hij “
het OR-lidmaatschap van [werkneemster]” bij de door hem in diezelfde terugkoppeling gestelde schending van de geheimhoudingsplicht op grond van de CAO en haar verplichting op grond van de norm van goed werknemerschap een “
strafverzwarende omstandigheid" vindt. [77] ROC verwijst ter onderbouwing van haar ontbindingsverzoek (primair de d- en de e-grond, maar “
alles overziende” ook in het kader van de “
meer neutrale g-grond” van art. 7:669 lid 3 BW Pro [78] ) expliciet naar dit advies van de gemachtigde, dit advies nogmaals integraal in het ontbindingsverzoek citerend. [79] Daaraan wordt door de gemachtigde c.q. in het ontbindingsverzoek door ROC ten grondslag gelegd dat werkneemster als OR-lid mede vertegenwoordiger is van alle ROC-werknemers en “
daarmee een zekere status en voorbeeldfunctie” heeft. Ook aan de OR-tafel, waarvan de gemachtigde c.q. ROC “
aanneem[t] dat de voorgenomen besluiten omtrent onderwijsvernieuwing en de investeringen daarin aan de orde zijn geweest, had zij haar mond open moeten doen in plaats van een afrekenscenario te volgen, zoals zij met haar boek heeft gedaan”. [80]
nooitzou kunnen worden ontbonden. De rechter moet op de voet van art. 7:671b lid 6 BW nagaan of het ontbindingsverzoek geen verband houdt met het lidmaatschap van de werknemer van de OR. Daarbij is het aan de werknemer om zich erop te beroepen dat het ontbindingsverzoek verband houdt met een opzegverbod uit art. 7:671b lid 6 BW, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis. Vervolgens is het aan de werkgever om aannemelijk te maken dat er geen verband bestaat tussen de verzochte ontbinding en het opzegverbod. [83]
ratiovan het opzegverbod tijdens OR-lidmaatschap van belang. Over die ratio heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 8 april 2016 het volgende overwogen (met mijn onderstreping): [84]
De art. 7:670 lid 4 en Pro 7:670a lid 1 (oud) BW kennen ontslagbescherming toe aan (onder meer) een werknemer die lid is van een ondernemingsraad, respectievelijk een werknemer die is geplaatst op een kandidatenlijst voor een ondernemingsraad of korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad.De ratio van deze ontslagbescherming is gelegen in de bescherming van de betrokken werknemers tegen benadeling als gevolg van hun activiteiten in het kader van de medezeggenschap en in het waarborgen van hun onafhankelijke positie die voor de uitoefening van die taken nodig is(zie de conclusie van de Advocaat-Generaal [Van Peursem,AG
] onder 3.5).”
Bijvoorbeeld via ‘audits’ (…) dan wel op studiedagen of anderszins”) zou behoren te uiten. In dat verband is nog op te merken dat de specifieke klokkenluiders-criteria hier niet van toepassing zijn, nu werkneemster te kennen heeft gegeven dat zij géén klokkenluidster is en dat zij géén misstand aan de orde heeft willen stellen (zie onder 4.58). De vraag of de klokkenluider eerst de interne mogelijkheden om misstanden aan te kaarten heeft uitgeput, is hier dus niet relevant.
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
behoudens de beslissingen over de toekenning aan werkneemster van een billijke vergoeding’. Die gedachte uit het principale cassatiemiddel lijkt mij onjuist. Het spreekt denk ik vanzelf dat het slagen van het principale cassatiemiddel – voor zover gericht tegen ‘s hofs oordeel over de g-grond en dus tegen de (bekrachtiging van de) ontbinding van de arbeidsovereenkomst – ertoe leidt dat ook de toekenning van de billijke vergoeding niet in stand kan blijven. De billijke vergoeding is immers gekoppeld aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.