Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
De betrokkene genaamd:
uit de beslissing van het hof niet in voldoende mate blijkt waarom de belangen van de samenleving in deze zaak zwaarder wogen dan de belangen van de verdachte”. Aan de klacht wordt dus niet ten grondslag gelegd dat de raadsvrouw op de terechtzitting te kennen heeft gegeven dat zij ‘eigenlijk’ niet weet waarom de verdachte niet is verschenen en dat zij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting. [1]
met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld”. [3] Bij gebreke van een zodanige machtiging geldt de behandeling van de zaak als een procedure bij verstek.
op zichzelfniet onbegrijpelijk vind. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit het proces-verbaal ter terechtzitting van 18 januari 2021 blijkt dat de raadsvrouw niet van de verdachte maar van een (vermoedelijk) familielid heeft vernomen dat de verdachte in het buitenland verblijft vanwege ziekte van zijn ouders en dat het de raadsvrouw niet is gelukt om (via de geëigende wegen) zelf in contact te komen met de verdachte. Verder blijkt niet dat de raadsvrouw enig bewijsstuk heeft overgelegd die ondersteuning biedt aan het gestelde verblijf in het buitenland of de ziekte van de ouders. Uit wat is aangevoerd over de aard van de omstandigheid kan bovendien niet worden afgeleid dat die omstandigheid zich voor de verdachte dusdanig onverwachts heeft voorgedaan dat het hof gelegenheid had moeten bieden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. [5]