Conclusie
advocaat: mr. R.T. Wiegerink
advocaat: mr. K. Aantjes
[eiseres 1]en eiseres sub 2 als
[eiseres 2] B.V.Verweerster in cassatie wordt aangeduid als Quooker.
1.Feiten en procesverloop
[erflater]) heeft in 1967 een eeuwigdurend recht van erfpacht verkregen op het perceel met het adres [a-straat 1] in [plaats] . [2] Sindsdien is in het op dat perceel aanwezige bedrijfspand (hierna:
[het bedrijfspand]) het garagebedrijf van [erflater] (en thans van [eiseres 2] B.V.) gevestigd. De familie [erflater] woont eveneens sinds 1967 op het perceel. Tot 1975 heeft [erflater] zijn perceel uitgebreid door koop van het recht van erfpacht van een aantal naburige percelen. [3]
het pad). [erflater] heeft dit pad kort nadien betegeld met stoeptegels. Het pad bevond zich op het perceel van (thans) Quooker. [4]
Polma).
de aanbouw) [5] . De bouw daarvan is aangevangen op of omstreeks 1 juli 2012.
primairevordering van [eiseres] heeft de rechtbank overwogen dat deze vordering wordt afgewezen, omdat het door [eiseres] gestelde bezit niet kan worden beschouwd als ondubbelzinnig betrekking hebbend op het recht van erfpacht. Quooker heeft uit de gestelde bezitsdaden niet hoeven begrijpen dat (de rechtsvoorganger van) [eiseres 1] pretendeerde erfpachter te zijn. Uit de stellingen van [eiseres] blijkt weliswaar dat het pad voor verschillende doeleinden werd gebruikt, maar daaruit blijkt niet voldoende van machtsuitoefening over het pad
als erfpachter(rov. 5.6-5.7). [15]
subsidiairevordering van [eiseres] heeft de rechtbank overwogen dat [eiseres] door verkrijgende verjaring een erfdienstbaarheid
van overpadheeft verkregen, omdat met name uit het aanbrengen van een achterdeur door [erflater] in 1976 en het betegelen van het pad naar verkeersopvattingen een wilsuiting dient te worden afgeleid om als gerechtigde een erfdienstbaarheid van overpad uit te oefenen (rov. 5.12). Uit de gestelde bezitsdaden volgt echter niet ondubbelzinnig dat ook een erfdienstbaarheid
van opslaan van zakenwerd uitgeoefend, omdat het mogen opslaan van goederen op het pad evengoed kon zijn gebaseerd op een persoonlijk recht (rov. 5.13). [16]
Grief 1heeft betrekking op de feitenvaststelling (rov. 2.1-2.3) en de weergave van de gestelde bezitsdaden (rov. 3.2). Met
grief 2heeft [eiseres] zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van ondubbelzinnig bezit van het recht van erfpacht (rov. 5.6-5.7). [eiseres] heeft, onder verwijzing naar (o.a.) het arrest van uw Raad van 18 september 2015, [20] aangevoerd dat de louter theoretische mogelijkheid dat [eiseres] de machtsuitoefening ten aanzien van het pad uitoefenden in een andere hoedanigheid dan die van erfpachter, niet voldoende is voor het oordeel dat geen sprake is van bezit van een recht van erfpacht, en dat Quooker geen objectieve aanwijzingen heeft aangevoerd die zouden kunnen wijzen op inbezitneming van een ander recht dan een recht van erfpacht.
Grief 3richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat uit de gestelde bezitsdaden niet ondubbelzinnig volgt dat ook een erfdienstbaarheid van het opslaan van zaken werd uitgeoefend, omdat het mogen opslaan van goederen op het pad evengoed kon zijn gebaseerd op een persoonlijk recht (rov. 5.13).
Grief 4heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat het niet nodig is om Quooker te veroordelen om de aanbouw geheel af te breken (rov. 5.14).
incidentele grief 1voert Quooker aan dat de rechtbank heeft miskend dat [eiseres] niet het ondubbelzinnig bezit kan hebben gehad van het recht van erfdienstbaarheid van overpad, terwijl zij ook pretendeert het meerdere, namelijk het recht van erfpacht, te bezitten. De
incidentele grief 2richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van (minstens) 20 jaar bezit door (de rechtsvoorganger van) [eiseres 1] van een recht van erfdienstbaarheid van overpad (rov. 5.12). De
incidentele grief 3heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen 5 en 6 eveneens toewijsbaar zijn (rov. 5.15).
achterafaan het feitelijk handelen van de inbreukmaker wordt gegeven (rov. 5.11);
[betrokkene 1]) [29] tijdens de comparitie in eerste aanleg, blijkt dat [eiseres] het pad in de loop der jaren onder meer heeft gebruikt als achterom en voor de opslag van spullen, maar dat het gebruik daartoe niet beperkt is gebleven. [eiseres] gebruikte het pad ook als haar (privé-)tuin (rov. 5.12-5.14);
2.Juridisch kader
voor zichzelf. Hieronder pleegt te worden verstaan het direct of indirect uitoefenen van de feitelijke macht over een goed (zaak of recht) met de (al dan niet gerechtvaardigde) pretentie rechthebbende te zijn. Het begrip ‘voor zichzelf’ brengt het van oudsher aan het bezitsbegrip verbonden exclusiviteitsaspect tot uitdrukking: wanneer iemand houdt voor zichzelf, sluit dat uit dat hij een ander als rechthebbende erkent. [38] Veelal zal het zo zijn dat feitelijke machtsuitoefening krachtens een rechtsverhouding tot de rechthebbende aan de kwalificatie ‘bezit’ in de weg staat.
[…] /Gemeente Landgraaf [47] dat de enkele
theoretischemogelijkheid dat de feitelijke macht over de in het geding zijnde grond ook door een persoonlijk of zakelijk gerechtigde gebruiker (bijv. een huurder of erfpachter) zou kunnen worden uitgeoefend, nog niet leidt tot ontkennende beantwoording van de vraag of sprake is van inbezitneming. Die mogelijkheid is pas van belang indien er – in het bijzonder voor de rechthebbende – objectieve aanwijzingen zijn om de machtsuitoefening door de pretense bezitter ook daadwerkelijk als die van een contractueel of zakelijk gerechtigde gebruiker aan te merken. De rechthebbende moet zich daarop beroepen. Bij die objectieve aanwijzingen kan gedacht worden aan het betalen van een geldsom, of het zijn van huurder (of anderszins houder) van naastgelegen grond. [48]
[…] /Gemeente Landgraaf,betoogd dat deze terughoudende benadering met betrekking tot het bezit van beperkte rechten onterecht is. [62]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1heeft betrekking op oordelen van het hof in rov. 5.9 en 5.12-5.19.
Onderdeel 2ziet op de afwijzing van de primaire vordering door het hof in rov. 5.20-5.25.
Onderdeel 3richt zich tegen de overweging van het hof in rov. 5.27 dat grief 3 in het incidenteel appel slaagt, alsmede tegen het dictum van het arrest.
Ondubbelzinnig bezit algemeen
achterafaan het feitelijk handelen van de inbreukmaker wordt gegeven. Het betoog van Quooker - dat alleen ziet op die juridische kwalificatie en niet op de manier waarop [eiseres] de feitelijke macht over het pad hebben uitgeoefend - faalt om die reden.
subonderdeel 1.2zijn beslissingen in rov. 5.16 en 5.17 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat:
primaireen verklaring voor recht vordert dat [eiseres 1] een recht van erfpacht ten aanzien van het pad heeft, en
subsidiaireen verklaring voor recht dat [eiseres] een erfdienstbaarheid van overpad en opslag ten aanzien van het pad heeft. [70] Als grondslag voor deze vorderingen voert [eiseres] aan dat zij door bevrijdende verjaring (art. 3:105 BW Pro) een recht van erfpacht althans een erfdienstbaarheid van overpad en opslag ten aanzien van het pad heeft verkregen, omdat [erflater] in 1976 het pad in bezit heeft genomen en [eiseres] dat bezit gedurende twintig jaar heeft gecontinueerd. [71]
[…] /Gemeente Landgraaf [73] (zie ook het juridisch kader hiervoor onder 2.10). In die zaak stelde […] dat hij door bevrijdende verjaring
eigenaarvan drie stroken gemeentegrond was geworden. Het hof oordeelde dat noch de omstandigheid dat […] een nummerbord had geplaatst, noch de omstandigheid dat hij een pad had aangelegd, duidt op een pretentie van eigendom, omdat de gemeente terecht naar voren heeft gebracht dat ook een huurder een stenen nummerbord kan plaatsen en een pad kan aanleggen. Daarmee was het hof volgens uw Raad uitgegaan van een onjuiste maatstaf, omdat de
enkel theoretische mogelijkheiddat ook een huurder op deze wijze de feitelijke macht over de bewuste strook grond kon uitoefenen, nog niet leidt tot ontkennende beantwoording van de vraag of de strook grond in bezit is genomen. Die mogelijkheid is pas van belang indien er – in het bijzonder voor de gemeente als rechthebbende –
objectieve aanwijzingenwaren om de machtsuitoefening door […] ook daadwerkelijk als die van een huurder aan te merken. De gemeente moet zich daarop beroepen, aldus uw Raad.
“Ondubbelzinnig bezit algemeen”)dat de theoretische mogelijkheid dat het uitoefenen van de feitelijke macht over het pad niet alleen kan wijzen op het bezit van een recht van erfpacht, maar ook op het bezit van een recht van erfdienstbaarheid van overpad en/of opslag, op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van ondubbelzinnig bezit. Deze (algemene) overweging van het hof in rov. 5.9, met de verwijzing naar het arrest
[…] /Gemeente Landgraaf,dient mede te worden bezien in het licht van de overwegingen van de rechtbank in rov. 5.6-5.7 van het vonnis, tegen welke overwegingen [eiseres] met grief 2 in principaal appel is opgekomen.
feitelijk gebruikdat [eiseres] van het pad heeft gemaakt. Vervolgens heeft het hof, in rov. 5.12-5.15, aan de hand van dit feitelijk gebruik, geoordeeld dat dit duidt op het bezit van een recht van erfpacht.
nietkan worden gekwalificeerd als bezit van een erfdienstbaarheid van overpad en/of opslag, omdat (i) het gebruik dat [eiseres] van het pad maakte niet beperkt is gebleven tot gebruik als achterom en voor de opslag van spullen, maar [eiseres] het pad voor allerlei doeleinden, waaronder met name als tuin, heeft gebruikt, en (ii) de mogelijkheid dat [eiseres] een recht van erfpacht én een erfdienstbaarheid van overpad en/of opslag zou kunnen bezitten zich niet verdraagt met de eis dat het bezit ondubbelzinnig moet zijn.
omdat het uitoefenen van de feitelijke macht over het pad door [eiseres] (theoretisch gezien) ook zou kunnen wijzen op het bezit van een ander recht. Het hof heeft dan ook niet miskend dat die mogelijkheid pas van belang is als er objectieve aanwijzingen zijn om de machtsuitoefening aan te merken als de uitoefening van een ander recht, en dat Quooker zich op deze objectieve aanwijzingen moet beroepen. Het hof heeft juist – terecht – geoordeeld dat de situatie uit het arrest
[…] /Gemeente Landgraafin het onderhavige geval niet aan de orde is, en heeft vervolgens aan de hand van het feitelijk gebruik van het pad beoordeeld of sprake is van bezit van een recht van erfpacht of van een erfdienstbaarheid van overpad en/of opslag.
subonderdelen 1.1 en 1.2falen.
subonderdeel 1.3kan niet tot cassatie leiden. Dit subonderdeel gaat eveneens uit van de onjuiste lezing dat het hof in rov. 5.14-5.19 de vraag heeft beantwoord of er objectieve aanwijzingen waren om de machtsuitoefening door [eiseres] over het pad niet alleen als de uitoefening van een recht van erfpacht, maar ook als de uitoefening van een recht van erfdienstbaarheid van overpad en/of opslag aan te merken.
Oefenden [eiseres] de feitelijke macht over het pad uit met uitsluiting van derden?
hoofdklachtaan dat de beslissing van het hof in rov. 5.24, dat het feit dat derden via een eigen deur toegang hadden tot het pad niet te verenigen valt met het bezit van een recht van erfpacht door [eiseres] , blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
op het pad kwam lang geleden, nog voordat een gedeelte door Polma werd bebouwd, een deur uit van een andere rechtsvoorganger van Quooker”) acht ik deze overweging van het hof niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.2is de weging door het hof van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Het is onbegrijpelijk dat het hof minder waarde toedicht aan de verklaring van [betrokkene 2] dan aan de verklaring van [betrokkene 1] , aangezien [betrokkene 2] uit eerste hand heeft verklaard dat hij toestemming van [erflater] heeft verkregen, juist omdat hij het idee had dat het pad toebehoorde aan [eiseres] [74]
minderwaarde heeft toegedicht aan de verklaring van [betrokkene 2] dan aan de verklaring van [betrokkene 1] Uit de verklaring van [betrokkene 2] volgt immers niet of er, voordat Polma twee deuren in de aan het pad grenzende bedrijfspanden heeft gemaakt, al een andere deur was die op het pad uitkwam.
vanaf het moment dat er deuren in de belendende panden zijn aangebrachtgeen bezitter (meer) was van een recht van erfpacht met betrekking tot het pad. Omdat
de deuren voor 1996 zijn aangebracht, is de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit niet voltooid. Het oordeel van het hof dat [eiseres] niet door verjaring een recht van erfpacht op het pad heeft verkregen, wordt dus gedragen door de overweging dat het feit dat derden via een eigen deur toegang hadden tot het pad niet valt te verenigen met het bezit van een recht van erfpacht, en niet door de overweging van het hof in rov. 5.24 dat datzelfde in nog sterkere mate geldt voor het feit dat Polma een deel van het pad frequent gebruikte en heeft overkapt, zonder dat is gesteld of gebleken dat daar een tegenprestatie tegenover stond.
subonderdeel 2.4onbegrijpelijk dat het hof dit heeft gedaan zonder het door [eiseres] gedane bewijsaanbod te honoreren, [79] althans zonder [eiseres] in de gelegenheid te stellen een nadere toelichting op deze verklaring te geven. Uit de bewijslevering had bijvoorbeeld kunnen volgen dat de deur met toestemming van [eiseres] was aangebracht of dat deze deur in het geheel ontbrak. [eiseres] hoefde er niet op bedacht te zijn dat het hof de uitlating van [betrokkene 1] – zonder verdere verificatie van de juistheid ervan – van beslissend belang zou achten voor de afdoening van de zaak, aldus het subonderdeel.
omtrent de aard van het gebruik van het pad door [eiseres], en (ii) dat [betrokkene 2] specifiek kan verklaren omtrent de gedeeltelijke bebouwing van het pad door Polma.
toev. A-G] betekent dat de erfpachter niet zou kunnen dulden dat het perceel tevens door derden wordt gebruikt. Het feit dat Polma een deel van het pad frequent gebruikte en heeft overkapt zonder tegenprestatie jegens [eiseres] , betekent nog niet dat [eiseres] daarmee haar exclusieve gebruik van het perceel heeft doen opgeven. Op grond van art. 3:84 BW Pro [81] is het mogelijk dat een recht van erfpacht met een erfdienstbaarheid wordt belast. Het oordeel van het hof dat bij verkrijging door verjaring het perceel niet tevens door derden kan worden gebruikt is dan ook onbegrijpelijk, althans is onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval geen recht van erfdienstbaarheid (door Polma [82] ) zou kunnen zijn gevestigd, aldus het subonderdeel.
exclusieve gebruikvan het gepachte perceel geeft (rov. 5.24);
als gerechtigde tot een recht van erfpachtuit te oefenen. Volgens het hof was aanvankelijk inderdaad sprake van dergelijke feitelijke omstandigheden, omdat [eiseres] zich heeft gedragen alsof het pad van haar was. Vanaf het moment dat derden via een eigen deur tevens toegang tot het pad kregen, was volgens het hof echter geen sprake meer van feitelijke omstandigheden waaruit de rechthebbende kon afleiden dat [eiseres] pretendeerde een recht van erfpacht ten aanzien van het pad te bezitten.
subonderdeel 2.6heeft het hof verzuimd in te gaan op de (essentiële) stelling van [eiseres] dat het aan Polma verlenen van toestemming tot het bebouwen van een klein deel van het pad en om een doorgang te creëren tussen de twee bedrijfspanden, niet kan worden beschouwd als het opgeven van het recht van erfpacht
met betrekking tot het gehele pad. [86] Gegrondbevinding van die stelling zou er immers toe leiden dat er in ieder geval ter zake van het andere deel van het pad sprake zou kunnen zijn van een door verjaring verkregen erfpachtrecht.
subonderdeel 2.7, verzuimd in te gaan op de essentiële stelling van [eiseres] dat de bebouwing van het kleine gedeelte van het pad plaatsvond in 1997. Gegrondbevinding van deze stelling leidt er immers toe dat er tussen 1976 (het jaar waarin [eiseres] het pad hebben betegeld) en het jaar waarin de bebouwing plaatsvond, meer dan twintig jaar zijn verstreken.
subonderdeel 2.8dat het oordeel van het hof dat het feit dat derden via een eigen deur toegang hadden tot het pad niet valt te verenigen met het bezit van een recht van erfpacht door [eiseres] , onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat het hof bij die beslissing ook andere elementen (zoals in ieder geval de in rov. 5.14 vermelde aspecten) had moeten betrekken.
voortbouwklachtdat het slagen van dit onderdeel ook de beslissing van het hof in rov. 5.27 met betrekking tot de proceskosten vitiëert.
Primair, subsidiair en meer subsidiair
heleaanbouw, maar wel dat de aanbouw wordt losgekoppeld van de muur van de opstal van [eiseres 1] . Ook de in dit verband gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. De vordering om de muur weer in de oude staat terug te brengen is door Quooker niet betwist. In het algemeen is op de zitting nog aangegeven dat [eiseres] misbruik van recht zouden maken, maar dit verweer is in het geheel niet onderbouwd. Dwangsommen worden door de rechtbank niet nodig geacht, nu ter comparitie bleek dat partijen ondanks onderhavig geschil nog steeds op goede voet met elkaar verkeren.”
onderdeel 3slaagt.
voortbouwklachtuit onderdeel 3.