Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Juridisch kader
Gedragscode Hypothecaire Financieringen(verder: GHF). De GHF is een door de hypothecaire financiers opgestelde vorm van zelfregulering, [7] die overigens niet vrijblijvend is. [8] De GHF is regelmatig herzien, maar op het vlak van de vergoeding bij vervroegde aflossing niet wezenlijk gewijzigd. De GHF bevat geen bepaling over tussentijdse rentewijziging.
Indien daarvoor een vergoeding in rekening wordt gebracht, wordt bij de berekening daarvan eenmalig rekening gehouden met het bedrag dat contractueel extra vervroegd mag worden afgelost; in ieder geval wordt een extra aflossing van 10% per jaar toegestaan.
Bij algehele vervroegde aflossing is, onder voorwaarden, geen of een gemaximeerde vergoeding verschuldigd in geval van overlijden, verhuizing of gedwongen verkoop. Indien bij verhuizing of gedwongen verkoop een vergoeding verschuldigd is, is het bedrag daarvan gemaximeerd op vier maanden rente over, dan wel drie procent van het vervroegd af te lossen bedrag. In de meest recente versie van de GHF uit 2020 is (kennelijk onder invloed van de Richtlijn hypothecair krediet) voorts bepaald dat de vergoeding bij verhuizing niet meer kan bedragen dan het financiële nadeel dat de hypothecaire financier heeft.
De GHF vermeldt de mogelijkheid dat de vergoeding wordt berekend op basis van de contante waarde van het verschil tussen de door de consument verschuldigde rente en de actuele rente, maar laat ruimte voor andere berekeningsmethodes. Indien de vergoeding bij vervroegde extra of algehele aflossing wordt berekend op basis van de contante waarde, is volgens de GHF geen vergoeding verschuldigd indien de marktrente hoger is dan de door de consument verschuldigde rente. [9]
De actuele rente is de rente die de bank ten tijde van de vervroegde aflossing of tussentijdse rentewijziging in rekening brengt aan klanten gedurende een periode die zo veel mogelijk overeenstemt met de hiervoor bedoelde resterende rentevastperiode. ‘Zoveel mogelijk’, omdat denkbaar is dat in een individueel geval de resterende rentevastperiode een aantal jaren beslaat (bijvoorbeeld nog 7 jaar tegen een contractrente van 3,5 %), dat afwijkt van het aantal jaren waarvoor de bank op het relevante moment een hypothecair krediet met een vast rentetarief aanbiedt (bijvoorbeeld 5 jaar vast tegen 2,0% of 10 jaar vast tegen 2.5%). [11] Welke renteperiode (in het voorbeeld 5 of 10 jaar) de bank bij de berekening van de vergoeding hanteert, is in beginsel afhankelijk van de toepasselijke voorwaarden, al vereist de AFM tegenwoordig dat de bank werkt met de ‘naast betere rente’ voor de consument (zie hierna in 3.25.4).
Het (voor de bank nadelige) verschil tussen de op basis van de contractrente respectievelijk actuele rente berekende bedragen wordt vervolgens contant gemaakt, omdat de vergoeding op een eerder moment verschuldigd is dan de toekomstige aflossingen respectievelijk toekomstige rentetermijnen verschuldigd zouden zijn geworden.
‘funding’) aantrekken voor bepaalde hypotheekproducten die zij aan consumenten aanbieden. De door de bank bepaalde wijze van financiering (‘
fundingmix’) bepaalt de ‘inkoopkosten’ van de bank. [12]
loan-to-value-verhouding), en een winstmarge. Dergelijke componenten bepalen het rentetarief.
Profi Credit Polska/Włostowska e.a.). [21] Dit betrof de in Polen gebruikelijke werkwijze dat bij een consumentenkrediet de betaling van de schuld wordt gewaarborgd door middel van een ‘blanco’ orderbriefje waarop aanvankelijk geen bedrag is vermeld. Bij een betalingsachterstand mag de kredietgever het bedrag invullen en de schuld op basis van enkel het orderbriefje innen. Volgens de Poolse wet beperkt de ambtshalve toetsing door de rechter in een betalingsbevelprocedure op basis van een orderbriefje zich tot de wisselverhouding, en kan de toetsing zich niet uitstrekken tot de onderliggende rechtsverhouding (de kredietovereenkomst), tenzij de kredietnemer excepties opwerpt. De Poolse verwijzingsrechter heeft het HvJEU prejudiciële vragen gesteld, waaronder of (onder meer) artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen zich verzet tegen de nationale wettelijke regeling die het mogelijk maakt om een blanco orderbriefje als zekerheid te stellen voor een consumentenkrediet. Bij de beantwoording van deze vraag heeft het HvJEU onder andere overwogen:
Constructora Principado) betrof een beding in een koopovereenkomst van een woning op grond waarvan, in afwijking van het toepasselijke nationale recht, kosten van aansluiting van de woning op de waterleiding en riolering alsmede belasting over de waardestijging van de woning voor rekening van de koper kwamen. De Spaanse verwijzingsrechter heeft een vraag gesteld over de uitleg van het begrip ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ in de zin van artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen. Het HvJEU concludeerde dat het voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht niet nodig is dat de kosten die uit hoofde van een contractueel beding ten laste komen van de consument, in verhouding tot het bedrag van de betrokken transactie ernstige financiële gevolgen voor hem hebben, maar reeds voldoende is dat de rechtspositie waarin die consument als partij bij de overeenkomst verkeert krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat de inhoud van de rechten die de consument volgens die bepalingen aan die overeenkomst ontleent, wordt beperkt of de uitoefening van die rechten wordt belemmerd dan wel doordat aan de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin de nationale bepalingen niet voorzien. De nationale rechter moet beoordelen of dit het geval is. [31] Uit deze zaak volgt m.i. dat de omstandigheid dat kosten die naar nationaal recht voor rekening van de verkoper komen, voor rekening van de koper worden gebracht, relevant is voor de beoordeling of een beding oneerlijk is.
Matei)betrof onder meer de vraag of een beding in een kredietovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer naast rente een maandelijkse risicoprovisie verschuldigd was, is aan te merken als een kernbeding als bedoeld in artikel 4 lid 2 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen. In het kader van de beantwoording van deze vraag overwoog het HvJEU dat indien het provisiebeding onder het bereik van deze bepaling valt, dit niet wegneemt dat de verwijzende rechter moet beoordelen of het beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Volgens het HvJEU was het de vraag of in de overeenkomst op transparante wijze is uiteengezet wat de reden is voor de vergoeding die met de provisie overeenstemt, aangezien betwist wordt dat de kredietgever verplicht is om werkelijk een tegenprestatie te verrichten om die provisie te verkrijgen. [32] Uit deze zaak volgt m.i. dat het transparantievereiste meebrengt dat de consument de reden voor een (risicoprovisie)kostenbeding dient te kennen.
Kiss/CIB Bank) betrof bedingen in een leningsovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer naast rente ook beheerskosten van 2,4% per jaar en een uitbetalingsprovisie verschuldigd was.
De vraag of het transparantievereiste meebrengt dat de bedingen moeten specificeren welke diensten als tegenprestatie voor die kosten worden verricht, beantwoordde het HvJEU ontkennend. Het heeft er alle schijn van, aldus het HvJEU, dat de consument aan de hand van de betrokken bedingen kon nagaan wat de economische gevolgen waren die voor hem daaruit voortvloeiden. Indien wordt betwist dat daadwerkelijk sprake is van een tegenprestatie voor een provisie, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de kredietnemer in kennis is gesteld van de reden voor de betaling van die provisie (met verwijzing naar de zaak Matei). Uit het feit dat de in ruil voor de beheerskosten en de uitbetalingsprovisie verrichte diensten niet zijn gespecificeerd, kan niet worden afgeleid dat de betreffende bedingen niet voldoen aan het transparantievereiste, mits uit de overeenkomst in haar geheel redelijkerwijs valt op te maken wat de juiste aard van de daadwerkelijk verrichte diensten is. Bovendien moet de consument kunnen vaststellen dat er geen overlapping is van kosten of van diensten die door die kosten worden vergoed. [33]
Caixabank) betrof een beding in een hypothecaire leenovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer bij het verlijden van de akte openingskosten aan de kredietgever verschuldigd was.
Profi Credit Polska/QJ e.a.) betrof bedingen in een kredietovereenkomst op grond waarvan de kredietnemer naast de rente een afsluitvergoeding, een commissieloon en een vergoeding voor een financieel product verschuldigd was.
In verband met het transparantievereiste verwees het HvJEU naar het Kiss-arrest en overwoog het dat de consument zich met betrekking tot de kosten van de “afsluitvergoeding” en het “commissieloon” op goede gronden kon afvragen welke diensten met die kosten zouden worden vergoed en of deze elkaar eventueel overlapten. [37] In verband met de oneerlijkheidstoets overwoog het HvJEU dat de niet-rentekosten van het krediet, waarvoor krachtens de nationale wetgeving een bovengrens geldt, ondanks dat zij onder die bovengrens zijn vastgesteld toch kunnen leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht, indien de als tegenprestatie verrichte diensten redelijkerwijs niet behoren tot de handelingen die zijn verricht in het kader van de sluiting of het beheer van de kredietovereenkomst, of wanneer de bedragen die als kosten voor de verstrekking en het beheer van de lening voor rekening van de consument komen, duidelijk niet in verhouding staan tot het bedrag van de lening. [38]
De eerste lijn is dat voor de beoordeling of voldaan is aan het transparantievereiste van belang is dat uit de overeenkomst in haar geheel valt op te maken wat de aard is van de diensten waarvoor de kosten in rekening worden gebracht, dat deze diensten daadwerkelijk worden verricht en dat er geen sprake is van een overlapping van kosten of diensten (Matei, Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/Q.J. e.a.). Een gebrek aan transparantie brengt bij een kernbeding mee dat dit kernbeding inhoudelijk kan worden getoetst. Een gebrek aan transparantie weegt voorts mee bij de beoordeling of een beding oneerlijk is.
De tweede lijn is dat afwijking van beperkingen of eisen die het nationale recht stelt aan het bij de consument in rekening brengen van kosten, relevant is bij de beoordeling of een beding oneerlijk is (Constructora Principado en Caixabank) en voorts dat de kosten niet duidelijk onevenredig mogen zijn ten opzichte van de hoogte van de lening (Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/Q.J. e.a.).
De beginselen en voorwaarden volgens welke consumenten hun lening kunnen aflossen en de voorwaarden waaronder een dergelijke vervroegde aflossing kan plaatshebben, verschillen echter aanzienlijk naargelang van de lidstaat.Hoewel de diversiteit aan hypothecaire financieringsmechanismen en aan beschikbare producten moet worden erkend,
is het van essentieel belang dat op Unieniveau bepaalde normen voor de vervroegde aflossing van krediet gelden, zodat consumenten zich vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnen kwijten en in vertrouwen kredietvoorstellen kunnen vergelijken teneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien.De lidstaten moeten er bijgevolg voor zorgen, hetzij door wetgeving, hetzij met andere middelen, zoals contractuele bepalingen, dat consumenten een recht op vervroegde aflossing hebben. De lidstaten moeten evenwel de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht kunnen bepalen. Zo kan onder meer de uitoefening van het recht in de tijd worden beperkt, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet, of kunnen de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend, worden beperkt. Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kan de uitoefening van het recht in elk geval afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de consument hierbij een door de lidstaat gespecificeerd rechtmatig belang heeft. Van een dergelijk rechtmatig belang kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van echtscheiding of werkloosheid.
In het geval dat de lidstaten bepalen dat de kredietgever recht heeft op vergoeding dient het te gaan om een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet, zulks in overeenstemming met de nationale voorschriften inzake vergoeding. De vergoeding mag niet hoger zijn dan het door de kredietgever geleden financieel verlies.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
,deelt de kredietgever hem onmiddellijk na ontvangst van diens verzoek, op papier of via een andere duurzame drager, de informatie mee die hij nodig heeft om die mogelijkheid te kunnen overwegen. Die informatie bevat ten minste een berekening van de consequenties voor de consument die vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan zijn verplichtingen voldoet, en een duidelijke vermelding van de daarbij aangewende hypothesen. Elke aangewende hypothese moet redelijk en verdedigbaar zijn.
2. In deze rubriek over de uitstapkosten attendeert de kredietgever de consument op alle uitstapkosten of andere kosten die bij vervroegde aflossing ter vergoeding aan de kredietgever moeten worden betaald en vermeldt hij indien mogelijk het bedrag daarvan.
Indien het bedrag van de vergoeding van verschillende factoren afhangt, zoalshet afgeloste bedrag of
de op het ogenblik van de vervroegde aflossing geldende debetrentevoet, geeft de kredietgever aan op welke manier de vergoeding zal worden berekend en vermeldt hij hoeveel de vergoeding ten hoogste kan bedragen, of geeft hij, indien dat niet mogelijk is, een illustratief voorbeeld om de consument duidelijk te maken hoeveel de vergoeding in verschillende mogelijke scenario’s zou bedragen.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
have regulated in different ways the conditions under which such compensation can be required by the creditor. In Italy and Romania, the law expressly prohibits the lender to charge a compensation fee to the borrower for early repayment of the mortgage,with no exception. In addition, in these two Member States early termination is always possible without any restrictions. It has to be noted that, in Italy, no specific increases in the costs of the mortgages or of interest rates was observed following the introduction of the switching legislation with no fees for early repayment. As confirmed by the consumers’ association, banks are competing to attract clients with switching packages.
,such as fixed interest rate (in Croatia, Cyprus, Finland, Germany, Ireland, Luxembourg, Malta, Slovenia, Sweden), or when the amount of the granted credit or of the repayment exceeds a certain threshold (see Box 5.2) and if repayment is not justified by a legal reason such as the sale of the property, a change of workplace, a forced termination of professional activity, or other circumstances personally affecting the borrower such as the death of the cohabitant (as in the case of France).
have established in detail the ceilings that shall not be exceeded” en waarin “
the maximum compensation is capped with the indication of a percentage (usually 0.5 or 1 per cent) of the amount repaid”, kan ik niet goed plaatsen. De opmerking refereert wellicht aan het (op p. 148) vermelde artikel 11 GHF Pro [48] dat onder voorwaarden een recht op vergoeding kent bij vervroegde algehele aflossing in geval van verhuizing (lid 2) of executoriale verkoop (lid 3) en alsdan die vergoeding beperkt tot een maximumpercentage.
j) „debetrentevoet”: de rentevoet, uitgedrukt op jaarbasis en toegepast in een vast of variabel percentage;
l) „totaal kredietbedrag”: het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld;”
;bij de bepaling van het verlies wordt tevens rekening gehouden met de administratieve kosten ten gevolge van de vervroegde aflossing
.
Daarom, en omdat een consumentenkrediet, gezien de gemiddelde duur en omvang ervan, niet wordt gefinancierd met langlopende financieringsmechanismen, dient het maximum voor de vergoeding als vast bedrag te worden vastgesteld. Deze aanpak sluit aan bij het specifieke karakter van consumentenkredieten en dient een eventuele andere aanpak voor andere producten die worden gefinancierd met langlopende financieringsmechanismen, zoals hypothecaire leningen met vaste rente, onverlet te laten.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
Lexitorbetrof Poolse kredietovereenkomsten die voorzagen in de betaling aan de betrokken bank van een commissieloon waarvan het bedrag niet afhing van de duur van de overeenkomst. [51] Het HvJEU concludeert dat het recht op verlaging van de totale kredietkosten van artikel 16 lid 1 Richtlijn Pro consumentenkrediet ook ziet op kosten die niet afhangen van de duur van de overeenkomst. In zijn conclusie in deze zaak maakt advocaat-generaal Hogan een onderscheid tussen de in artikel 16 lid 2 bedoelde Pro vergoeding en de in artikel 16 lid 4 onder Pro b bedoelde vergoeding:
afdeling 7.2B.3 BWingevoerd, waarvan de bepalingen (artikelen 7:118-7:128c BW) op 14 juli 2016 in werking zijn getreden. [53] Deze afdeling bevat dwingend recht (artikel 7:128c BW). Afdeling 7.2B.3 BW is van toepassing op overeenkomsten die na 14 juli 2016 zijn gesloten (zie de artikelen 200 en 211b Overgangswet Nieuw BW). Op voordien afgesloten overeenkomsten blijft het voor de inwerkingtreding van afd. 7.2B.3 BW geldende recht van toepassing. [54]
dat renteherzieningen, omzettingen van bestaande hypotheekvormen of andere wijzigingen van de kredietovereenkomst (zonder dat extra krediet wordt verleend of toegezegd) die plaatsvinden op of na 21 maart 2016 derhalve niet als het aangaan van een nieuwe kredietovereenkomst worden beschouwden daarom niet vallen onder de nieuwe titel 7.2B.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
3. Een aanbieder van hypothecair krediet hanteert bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd dezelfde voorwaarden als bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet niet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd.
zoals het afgeloste bedrag of de op het ogenblik van de vervroegde aflossing geldende debetrentevoet,geeft de kredietgever aan op welke manier de vergoeding zal worden berekend en vermeldt hij hoeveel de vergoeding ten hoogste kan bedragen, of geeft hij, indien dat niet mogelijk is, een illustratief voorbeeld om de consument duidelijk te maken hoeveel de vergoeding in verschillende mogelijke scenario’s zou bedragen.”
artikel 81ca Bgfoingevoerd, [68] dat het volgende bepaalt over de vergoeding bij tussentijdse rentewijzigingen:
Bij het (enkel) wijzigen van de debetrentevoet is er geen sprake van vervroegde aflossingen is het verbod om meer dan het financiële nadeel in rekening te brengen bij vervroegde aflossing niet van toepassing. De motie Mulder en Van Dijck (beide PVV) roept de regering op om de norm in het BGfo die voor vervroegde aflossing geldt ook van toepassing te verklaren op rentemiddeling. In antwoord op Kamervragen van het lid Ronnes (CDA) heeft mijn voorganger reeds aangegeven dat het onwenselijk is als aanbieders van krediet vergoedingen in rekening mogen brengen die hoger zijn dan het financiële nadeel. Dit besluit bevat daarom een wijziging van het BGfo die er in voorziet dat aanbieders van hypothecair krediet geen vergoeding mogen vragen die hoger is dan het financiële nadeel dat de aanbieder heeft doordat de overeenkomst inzake de debetrentevoet en rentevastperiode bij een hypothecair krediet voorafgaand aan het verstrijken van de looptijd van die overeenkomst wordt beëindigd. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) krijgt de bevoegdheid om nadere regels te stellen met betrekking tot de berekening van deze vergoeding.” (onderstreping toegevoegd; plv.)
Leidraadvan de AFM van 20 maart 2017, getiteld “Vergoeding voor vervroegde aflossing van de hypotheek. Uitgangspunten berekening van het financiële nadeel”. [70] Deze leidraad geeft een kader, maar laat andere wijzen om het nadeel te bereken toe (p. 3):
Dit uitgangspunt betekent dat de aanbieder het financiële nadeel dient te bepalen over het totale bedrag dat de klant vervroegd wil aflossen verminderd met het bedrag dat de klant op dat moment contractueel vergoedingsvrij vervroegd mag aflossen (p. 9).
Het verschil tussen de rentebetalingen die de aanbieder verwacht te ontvangen (gebaseerd op de contractrente) en de rentebetalingen die de aanbieder nog kan ontvangen voor de uit te zetten gelden (gebaseerd op de vergelijkingsrente) wordt gebruikt voor het berekenen van het financiële nadeel voor de aanbieder. De AFM is van oordeel (p. 10):
Dit uitgangspunt beoogt te voorkomen, in mijn woorden, dat een gunstiger verhouding tussen de hoogte van de lening en de waarde van het huis, waardoor de (vergelijkings)rente lager wordt, ten laste van de consument komt bij de berekening van de vergoeding. De AFM vermeldt dat de LTV consistent moet worden toegepast (p. 11):
(i) dat de omzettingsbepalingen van de richtlijn in het Burgerlijk Wetboek eerbiedigende werking hebben ten aanzien van reeds bestaande overeenkomsten (3.19), maar dat bepaalde toezichtrechtelijke normen (mogelijk) onmiddellijke werking hebben (3.23.3 en 3.24.7);
(ii) dat vervroegde aflossing (artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet, artikel 7:127 BW Pro en art. 81c Bgfo) en tussentijdse rentewijziging (artikel 81ca Bgfo) dienen te worden onderscheiden (3.21 en 3.24.1 e.v.); en
(iii) dat de NCW-methode aanvaardbaar is als methode om bij vervroegde aflossing het nadeel van de bank te berekenen (3.20.2, 3.20.3 en 3.23.2).
De Nederlandse regelgever beschouwt de NCW-methode ook als een aanvaardbare methode om bij tussentijdse rentewijziging het nadeel van de bank te berekenen (3.24.2 e.v.).
Aan de toepassing van de NCW-methode kunnen bepaalde eisen worden gesteld, die op bepaalde aspecten kunnen verschillen al naar gelang het gaat om vervroegde aflossing dan wel (een bepaalde vorm van) tussentijdse rentewijziging (3.24.3-3.24.5, 3.25.2 e.v.).
ABN AMRO betoogt dat het middel daarom dient te falen bij gebrek aan belang, voor zover het de toepasselijkheid van de Richtlijn hypothecair krediet en haar civielrechtelijke implementatie tot uitgangspunt neemt. [71] In cassatie betogen [eisers] dat de Richtlijn hypothecair krediet van toepassing is op de ‘herfinanciering’ in december 2016 (zie daarover hierna in 4.9), maar gaan niet uitdrukkelijk in op de toepasselijkheid ervan op de in 2013 gesloten overeenkomst. Ik bespreek eerst deze kwestie.
Onderdeel 1van het middel is gericht tegen rov. 3.5,
onderdeel 2tegen rov. 3.6 en
onderdeel 3tegen rov. 3.11-3.13. Het middel klaagt niet over het oordeel in rov. 3.8-3.9 dat artikel 6:237 onder Pro i BW niet van toepassing is.
onderdeel 1tegen rov. 3.5 kunnen slagen. Indien het oordeel dat artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet ziet op vervroegde aflossing en
een tussentijdse rentewijziginger niet onder valt, stand houdt, komt men immers niet toe aan het (door
onderdeel2 bestreden) oordeel in rov. 3.6 over de eisen die artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet stelt aan een vergoeding in geval van
een vervroegde aflossing.
Het uitgangspunt dat het onderhavige geval niet valt onder het temporele toepassingsbereik van de Richtlijn hypothecair krediet, brengt naar mijn mening mee dat het oordeel in rov. 3.4 in stand blijft, ook indien de
onderdelen 1 en 2terecht zouden klagen over de oordelen in rov. 3.5
enrov. 3.6. Dit volgt uit de regel dat de plicht tot richtlijnconforme interpretatie slechts bestaat voor zover een geval onder het temporele en materiële toepassingsbereik van een richtlijn valt. [74] Dit zou anders kunnen zijn indien het hof een oordeel zou hebben gegeven over de temporele toepasselijkheid op het onderhavige geval van de Richtlijn hypothecair krediet dan wel van de daarin tot uitdrukking gebrachte normen, maar dat heeft het hof mijns inziens niet gedaan (zie hiervoor in 4.2.3). Deze juridische grond brengt mee dat het beroep op een richtlijnconforme toepassing van artikel 6:233 onder Pro a BW dient te falen, [75] nu het hof geen hiermee strijdig oordeel heeft gegeven. [76] Ik onderschrijf daarom in zoverre het standpunt van ABN AMRO dat geen belang bestaat bij de beoordeling van de
onderdelen 1 en 2.
onderdeel 3voor zover dat is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.13 dat artikel 14 AV Pro niet onredelijk bezwarend is.
Dit oordeel berust op een aantal overwegingen die los staan van de toepasselijkheid van de Richtlijn hypothecair krediet (en in zoverre bestaat er uiteraard belang bij dit onderdeel). Aan het slot van rov. 3.13 verwijst het hof ook naar zijn rov. 3.5 en 3.6, omdat [eisers] in hun grief 4 aan het beroep op de onredelijk bezwarendheid van artikel 14 AV Pro ook hun standpunt ten aanzien van de Richtlijn hypothecair krediet ten grondslag hebben gelegd. Hieruit volgt naar mijn mening dat het oordeel in rov. 3.13 mede berust op de oordelen in rov. 3.5 en 3.6. Het betoog in
nr. 15van de procesinleiding ter toelichting van
onderdeel 3, kan zo gelezen worden dat het zich (impliciet) richt tegen de verwijzing naar rov. 3.5 en 3.6 aan het slot van rov. 3.13.
onderdelen 1 en 2.
onderdeel 3in te gaan op
onderdeel 1en, slechts in het geval laatstgenoemd onderdeel slaagt, ook op
onderdeel 2.
nr. 5) aan dat de bepalingen van de Richtlijn hypothecair krediet van toepassing zijn op de in december 2016 overeengekomen tussentijdse rentewijziging op de grond dat deze moet worden aangemerkt als een
herfinancieringin de zin van de considerans onder 15 van de Richtlijn hypothecair krediet. Dit betoog vergt een beoordeling van de feiten en kan daarom niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. Het betoog berust overigens op een onjuist juridisch uitgangspunt (ik verwijs hiervoor naar mijn conclusie van heden sub 5.6.4 in zaak 20/04372). ABN AMRO wijst er voorts terecht op dat het hof (in rov. 3.8 en 3.9) in verband met artikel 6:237 onder Pro i BW – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat denkbaar is dat het openbreken van een rentevastperiode gepaard gaat met een beëindiging van de lopende kredietovereenkomst, gevolgd door het sluiten van een nieuwe overeenkomst, maar dat in dit geval geen sprake was van een beëindiging van de overeenkomst. [78]
5.Onderdelen 1 en 2 van het cassatiemiddel (Richtlijn hypothecair krediet)
Onderdeel 1 (valt tussentijdse rentewijziging onder artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet?)
onderdeel 1, zoals toegelicht in
nr. 6van de procesinleiding, heeft een voortijdige aanpassing van de rentevastperiode te gelden als een voortijdige gedeeltelijke aflossing van het uitstaande krediet. Dit ligt voor de hand, aldus de procesinleiding (in
nr. 6, slot), omdat de voortijdige aanpassing van de rentevastperiode resulteert in een verlaging van de totale schuld van de kredietnemer aan de kredietverstrekker en dat is waartoe een aflossing strekt.
De uitleg van artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet is, volgens
nr. 8van de procesinleiding, aan het HvJEU. Het hof kent in rov. 3.5 te veel gewicht toe aan het rechtszekerheidsbeginsel. Uit HvJEU 19 november 2019, C-402/07 (Sturgeon) blijkt dat de ratio van een regeling kan dwingen tot een ruimere uitleg die op het eerste gezicht niet door de tekst ervan wordt gedragen. Dat is hier aan de orde. Het is in strijd met de ratio van (artikel 25 van Pro) de Richtlijn hypothecair krediet als de vergoeding wegens voortijdige aanpassing van de rentevastperiode meer zou bedragen dan het werkelijke nadeel van de bank. Anders dan het hof in rov. 3.6 suggereert is het niet zozeer de vraag of het hof met zijn uitleg van de richtlijn wel of niet alleen staat en wat de Nederlandse wetgever en AFM voor ogen heeft gestaan, maar of artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet een
acte clairis, aldus het middel.
De procesinleiding gebruikt in
nr. 6(tweede en derde alinea) de term ‘intern oversluiten’ overigens zowel om een gedeeltelijke aflossing aan te duiden als – wat meer voor de hand ligt [81] – om een tussentijdse rentewijziging aan te duiden.
acte clairdat deze vraag wat betreft de Richtlijn hypothecair krediet ontkennend moet worden beantwoord op de gronden die het hof heeft genoemd.
einen Vertrag, bei dem ein Kreditgeber einem Verbraucher einen in den Geltungsbereich gemäß Artikel 3 fallenden Pro Kredit in Form eines Zahlungsaufschubs, eines Darlehens oder einer sonstigen ähnlichen Finanzierungshilfe gewährt oder zu gewähren verspricht”, “
an agreement whereby a creditor grants or promises to grant, to a consumer, a credit falling within the scope of Article 3 in the form of a deferred payment, loan or other similar financial accommodation” en “
un contrat en vertu duquel un prêteur consent ou s’engage à consentir un crédit relevant du champ d’application de l’article 3 à un consommateur, sous la forme d’un délai de paiement, d’un prêt ou de toute autre facilité de paiement similaire”.
Krediet verwijst dus, kort gezegd, naar het ter beschikking stellen van een hoofdsom. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit artikel 3 lid 2 onder Pro b en c Richtlijn hypothecair krediet, waarin wordt bepaald dat deze richtlijn niet van toepassing is op “
kredietovereenkomsten waarbij een werkgever het krediet als nevenactiviteit rentevrij (…) aan zijn werknemers verstrekt(..) noch op “
kredietovereenkomsten waarbij geen rente en andere kosten hoeven te worden vergoed”.
herfinanciering” als bedoeld in de considerans onder 15.
onderdeel 1in
nrs. 6 en 8van de procesinleiding aanvoert, wordt het voorgaande niet anders in het licht van de ratio van de Richtlijn hypothecair krediet op grond van het argument, kort gezegd, dat een tussentijdse aanpassing van de rente de “totaalschuld” van de consument verlaagt en daarom (in elk geval) voor de toepassing van artikel 25 lid 3 Richtlijn Pro hypothecair krediet moet worden aangemerkt als een nieuwe kredietovereenkomst.
totale door de consument te betalen bedrag”. Volgens de richtlijn bestaat het “
totale door de consument te betalen bedrag” uit de som van het “
totaal kredietbedrag” en de “
totale kredietkosten”. Het kredietbedrag is “
het plafond of de som van alle bedragen die op grond van een kredietovereenkomst beschikbaar worden gesteld” en verwijst dus naar de hoofdsom. Zie artikel 4, onder 12 tot en met 14, Richtlijn hypothecair krediet in verbinding met artikel 3, onder g, h en l, Richtlijn consumentenkrediet (hiervoor in 3.17.1 e.v.). [83]
recht op een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst”. [84] Andere taalversies bepalen onder meer: “
In solchen Fällen hat der Verbraucher das Recht auf Ermäßigung der Gesamtkosten des Kredits für den Verbraucher, die sich nach den Zinsen und den Kosten für die verbleibende Laufzeit des Vertrags richtet”, “
In such cases, the consumer shall be entitled to a reduction in the total cost of the credit to the consumer, such reduction consisting of the interest and the costs for the remaining duration of the contract” en “
Dans ce cas, le consommateur a droit à une réduction du coût total du crédit pour le consommateur correspondant aux intérêts et frais dus pour la durée résiduelle du contrat”.
Een verlaging van de kosten volgt uit een verlaging van de hoofdsom.
[h]et vermogen van een consument om het krediet vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst af te lossen” namelijk in verband met de mogelijkheid dat “
consumenten zich vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnen kwijten en in vertrouwen kredietvoorstellen kunnen vergelijken teneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien.” Andere taalversies spreken onder meer van “
sich ihrer Verpflichtungen vor dem im Kreditvertrag vereinbarten Zeitpunkt zu entledigen”, “
the possibility to discharge their obligations before the date agreed in the credit agreement” en “
remboursement anticipé du crédit, afin que les consommateurs aient la possibilité de s’acquitter de leurs obligations avant la date prévue dans le contrat de crédit”.
binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt”.
rente- en aflossingsverplichtingen”.
acte clair, maar dwingt er volgens het HvJEU wel toe om bijzonder zorgvuldig te werk te gaan bij de beoordeling: [91]
Deze argumentatie gaat niet in op de tekst van de artikelen 4 onder 3 en 25 Richtlijn hypothecair krediet, die (ook in de eerder genoemde verschillende taalversies) eenduidig is en niet op meerdere, verschillende manieren kan worden gelezen. Verder is het argument onder (i) hiervoor in 5.10.1 e.v. besproken. De argumenten onder (iii) en (iv) duiden juist op een verschil tussen vervroegde (volledige) aflossing en rentewijziging. De argumenten onder (ii) en (v) kunnen wellicht meebrengen dat vervroegde aflossing en tussentijdse rentewijziging (in bepaalde opzichten) op een vergelijkbare wijze worden behandeld − vergelijk in Nederland de artikelen 81c en 81ca Bgfo −, maar kunnen als zodanig niet afdoen aan de keuze van de Uniewetgever omtrent de afbakening van het toepassingsgebied van (artikel 25 van Pro) de Richtlijn hypothecair krediet.
acte clairdat de Richtlijn hypothecair krediet niet van toepassing is op voor 21 maart 2016 gesloten kredietovereenkomsten waarbij na 21 maart 2016 sprake is van tussentijdse rentewijziging en dat artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet niet van toepassing is op tussentijdse rentewijzigingen.
nr. 2van de schriftelijke repliek, dat de rechtsopvatting van het hof impliceert dat bepaalde kredietovereenkomsten tot 20 maart 2046 buiten bereik van de Richtlijn hypothecair krediet zouden blijven.
nr. 6op p. 6, midden, van de procesinleiding (waarnaar wordt terugverwezen in
nr. 8op p. 8, slot, van de procesinleiding) veronderstelt, heeft het hof in rov. 3.5 geen oordeel gegeven over de vraag of de
regelvan artikel 81ca Bgfo pas geldt sinds 1 juli 2019. Het hof heeft slechts overwogen dat dit artikel geldt sinds 1 juli 2019. De klacht mist dus feitelijke grondslag.
nr. 7van de procesinleiding, klaagt dat het oordeel in rov. 3.5 onbegrijpelijk is, omdat blijkens artikel 9.2 AV het door partijen beoogde gevolg is dat artikel 25 Richtlijn Pro hypothecair krediet en artikel 7:127 BW Pro van toepassing zijn op een tussentijdse rentewijziging. Indien het hof met zijn oordeel in rov. 3.8 mede het oog heeft gehad op het hier bedoelde geschilpunt, is die overweging onbegrijpelijk omdat artikel 9.2 AV het voortijdig aanpassen van een rentevastperiode definieert als een gedeeltelijke aflossing en het hof niet uitlegt welke context het op het oog heeft, aldus samengevat de klacht.
In het licht van het voorgaande heeft het hof in rov. 3.8 met de context het oog op de samenhang tussen artikel 9.2 AV en artikel 14 AV Pro. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk te noemen en is verder als feitelijk van aard aan het hof voorbehouden.
nr. 9van de procesinleiding vervatte louter voortbouwende klacht.
6.Onderdeel 3 (is het beding onredelijk bezwarend?)
In elk geval heeft het hof zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, doordat het door [eisers] aangevoerde omstandigheden − zoals de omstandigheid dat in geval van een voortijdige aflossing geen vergoeding voor gederfde winst mag worden bedongen, de omstandigheid dat de vergoeding strekt tot compensatie van een prestatie die ABN AMRO niet verricht en de omstandigheid dat de vergoeding een overlap oplevert met de vergoeding die [eisers] al in de overeengekomen rente betalen − niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken, aldus het middel.
onderdeel 3gaat de procesinleiding in de
nrs. 14-17in op de beoordeling of sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het onderdeel voert in
nr. 14aan dat een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kan voortvloeien uit het feit dat de rechtspositie waarin [eisers] als partij bij de betrokken overeenkomst verkeren krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat het beding hun een extra verplichting oplegt waarin de toepasselijke nationale bepalingen niet voorzien, doordat het beding niet strekt tot vergoeding van werkelijk verrichte diensten of werkelijk gemaakte en niet reeds anderszins verrekende kosten, doordat het beding louter strekt of kan strekken tot voordeel voor de verkoper. Dit wordt uitgewerkt in de
nrs. 15-17van de procesinleiding.
Het gaat in deze zaken om andere soorten bedingen dan thans in cassatie aan de orde is. Het betrof kosten van aansluiting van de woning op de waterleiding en riolering alsmede belasting over de waardestijging van de woning (Constructora Principado), een risicoprovisie (Matei), beheerskosten en een uitbetalingsprovisie (Kiss/CIB Bank) respectievelijk openingskosten bij een krediet (Caixabank), terwijl in enkele gevallen kwestieus was of daartegenover wel een prestatie stond (Kiss/CIB Bank en Caixabank). [95] De arresten Matei en Kiss/CIB Bank zijn relevant in verband met het transparantievereiste, dat hierna nog aan de orde zal komen.
Wat betreft de beoordeling of een beding oneerlijk is, wijzen de arresten Constructora Principado en Caixabank op de betekenis van het nationale recht en wijst het arrest Kiss/CIB Bank op de eventuele onevenredigheid van de kosten ten opzichte van de hoogte van de lening. In het onderhavige geval ontbreekt wet- en regelgeving over de berekening van de vergoeding op het voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding relevante moment van contractsluiting, terwijl zelfregulering (GHF) de in artikel 14 AV Pro gehanteerde NCW-methode (bij vervroegde aflossing) toeliet.
onderdeel 3 (nr. 14)verder aan de hand van de uitwerkingen die daaraan in de
nrs. 15-17van de procesinleiding worden gegeven.
nr. 15van de procesinleiding dat als het hof in rov. 3.13 ervan uitgaat dat artikel 14 AV Pro niet oneerlijk is omdat ABN AMRO in eerlijke en billijke onderhandelingen een vergoeding
voor haar gederfde winsthad kunnen bedingen, het hof miskent dat dit wordt uitgesloten door artikel 25 lid 1 en Pro lid 3 Richtlijn hypothecair krediet, artikel 7:127 lid 1 en Pro lid 3 BW, en artikelen 81c en 81ca Bgfo zodat artikel 14 AV Pro in zoverre aan [eisers] een extra verplichting oplegt waarin het nationale recht niet voorziet.
De overweging is volgens de klacht, mede gelet op artikel 9.2 AV, in elk geval onbegrijpelijk aangezien het hof daarin niet (kenbaar) heeft betrokken dat in geval van vervroegde aflossing geen vergoeding voor gederfde winst mag worden bedongen, aldus het middel.
onderdeel 1vergeefs opkomt.
Artikel 81ca Bgfo ziet op de berekening van de vergoeding bij tussentijdse rentewijziging. Deze bepaling is per 1 juli 2019 ingevoerd en ziet dus niet op de tussen partijen op 1 december 2016 overeengekomen tussentijdse rentewijziging (zie hiervoor in 3.24.1).
De overweging is niet onbegrijpelijk in het licht van artikel 9.2 AV (zie hiervoor in 5.19.2).
nr. 16van de procesinleiding klaagt
onderdeel 3dat het hof in rov. 3.13 miskent dat artikel 14 AV Pro oneerlijk is omdat het beding niet strekt tot vergoeding van werkelijk verrichte diensten of werkelijk gemaakte kosten. Met het voortijdig (geheel of gedeeltelijk) aflossen van een uitstaand krediet eindigen de afhankelijke verbintenissen die de kredietnemer verplichten tot betaling van rente en kosten over het krediet (zie artikel 16 lid 1 Richtlijn Pro consumentenkrediet, artikel 25 lid 1 Richtlijn Pro hypothecair krediet, artikel 7:68 lid 1 BW Pro en artikel 7:127 lid 1 BW Pro). Doordat ABN AMRO niettemin rente en kosten in rekening brengt die zij zou hebben ontvangen als het krediet conform de overeenkomst was blijven uitstaan, vraagt zij een vergoeding voor een dienst die zij niet verricht, namelijk het ter beschikking stellen van het krediet.
De overweging is, mede gelet op artikel 9.2 AV, in elk geval onbegrijpelijk aangezien het hof daarin niet (kenbaar) heeft betrokken dat de vergoeding strekt tot compensatie van een prestatie die ABN AMRO niet verricht, aldus het middel.
onderdeel 1vergeefs opkomt.
Artikel 16 lid 1 Richtlijn Pro consumentenkrediet en de omzetting daarvan in artikel 7:68 BW Pro zijn niet van toepassing op hypothecair krediet (zie hiervoor in 3.17.1).
contractrenteover de overeengekomen rentevastperiode als tegenprestatie voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom. De vergoeding is immers gebaseerd op het
verschiltussen de contractrente die ABN AMRO over het restant van de rentevastperiode in rekening zou hebben kunnen brengen, en de vergelijkingsrente. [96] (Hetzelfde geldt ten aanzien van het betalen van eventuele kosten, naast de contractrente, die de kredietnemer moet betalen als tegenprestatie voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom. Nu de klacht niet vermeldt dat dergelijke kosten in deze zaak spelen, laat ik dit verder buiten beschouwing.)
nr. 17van de procesinleiding klaagt
onderdeel 3dat het oordeel van het hof in rov. 3.13 onjuist is omdat artikel 14 AV Pro strekt tot vergoeding van een prestatie waarvoor ABN AMRO reeds langs andere weg een vergoeding heeft bedongen. [eisers] hebben volgens de klacht namelijk erop gewezen dat het risico dat consumenten op individueel niveau de kredietovereenkomst niet uitdienen door de kredietgever wordt verdisconteerd door algemene en individuele risico-opslagen op de rentevoet. De in artikel 14 AV Pro bedongen vergoeding overlapt met de vergoeding die [eisers] via de overeengekomen rente betalen terwijl een dergelijke overlap en dubbele betaling volgens HvJEU 16 juli 2020, C-224/19 (Caixabank) onaanvaardbaar zijn. De overweging is volgens de klacht in elk geval onbegrijpelijk omdat het hof de bedoelde omstandigheid niet kenbaar in zijn overwegingen heeft verdisconteerd.
Bij pleidooi in hoger beroep (spreekaantekeningen nr. 5) is aangevoerd dat artikel 14 AV Pro ook anderszins oneerlijk is. In dat verband is onder meer gesteld dat ABN AMRO het risico van voortijdige aanpassing van de rentevastperiode al door middel van (risico)opslagen op de basisrente verdisconteerd heeft. Kennelijk heeft het hof deze stelling beschouwd als een nieuwe grief die in een te laat stadium van de procedure is aangevoerd en is het om die reden hieraan voorbij gegaan. Dat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. [98]
onderdeel 3gaat de procesinleiding in de
nrs. 18-20in op het transparantievereiste van de Richtlijn oneerlijke bedingen. De klachten worden hier toegespitst op de overwegingen dat artikel 14 AV Pro voldoende duidelijk en transparant is geformuleerd (rov. 3.11) en dat als het beding niettemin onvoldoende transparant zou zijn, dat niet tot de conclusie kan leiden dat het beding ook oneerlijk is (rov. 3.12).
nr. 20, slot, van de procesinleiding) is onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof niet heeft geoordeeld dat artikel 14 AV Pro alleen al oneerlijk is omdat dit beding niet voldoet aan het transparantievereiste. Daarbij wordt verwezen naar HvJEU 10 juni 2021, C-609/19 (BNP Paribas). [99]
nr. 20van de procesinleiding) heeft het hof met zijn overwegingen niet (afdoende) weerlegd het betoog van [eisers] dat ABN AMRO de wijze van berekening van de boete nauwkeuriger in de overeenkomst had kunnen uitleggen, onder meer door de gegevens te verstrekken die consumenten in staat stellen om zelf de contante waarde te berekenen.