Conclusie
Overigens heeft IIF, voor het geval de rechter zou oordelen dat [verweerder] géén statutair bestuurder van IIF was (wat de rechtbank en het hof in deze zaak dus ook hebben gedaan), reeds in 2016 een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] gedaan. De ontbindingsprocedure, die parallel aan de onderhavige procedure is gevoerd, heeft Uw Raad twee keer bereikt en heeft inmiddels ertoe geleid dat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst tussen IIF en [verweerder] in ieder geval per 1 april 2017 is geëindigd. Nu de arbeidsovereenkomst tussen IIF en [verweerder] reeds enige tijd geleden is beëindigd, is het belang van de onderhavige cassatieprocedure – naar ik begrijp – in de kern gelegen in de periode waarover loon is verschuldigd.
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
bestuursvergadering” plaatsvond met als genodigden [betrokkene 1] (penningmeester en waarnemend voorzitter), [betrokkene 2] (secretaris, gedelegeerd bestuurder en moeder van [verweerder] ), [8] [verweerder] (managing director) en [betrokkene 3] (financieel adviseur) (rov. 2.6). De rechtbank heeft onder meer de volgende passage in de agenda van de bestuursvergadering aangehaald: [9]
De statuten kunnen bepalen dat besluitvorming van aandeelhouders op andere wijze dan in een vergadering kan geschieden, tenzij met medewerking van de vennootschap certificaten op naam van aandelen zijn uitgegeven. Indien de statuten een zodanige regeling bevatten, is zulk een besluitvorming slechts mogelijkmet algemene stemmenvan de stemgerechtigde aandeelhouders.De stemmen worden schriftelijk uitgebracht” (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G). [19] Een eenduidig schriftelijk besluit was (en is) niet vereist, hoewel dat in de praktijk wel vrij gangbaar was (en is). [20] In de woorden van A-G Timmerman: “
In beginsel kunnen aandeelhouders buiten vergadering stilzwijgend of impliciet tot besluiten komen; zij dienen daarvoor eenstemmig te handelen enhun stemmen op schrift te stellen. De schriftelijke stemverklaringen kunnen daarbij blijkenuit een van hen afkomstig schriftelijk stuk dat niet uitdrukkelijk op het nemen van een besluit is gericht” [21] (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G). Indien slechts één aandeelhouder kon stemmen, was (en is) voldoende dat diens besluit schriftelijk wordt vastgelegd. [22] De meeste auteurs nemen aan dat het schenden van het schriftelijkheidsvereiste van art. 2:238 BW Pro (zowel in de oude als in de nieuwe redactie) leidt tot nietigheid van de stem en van het besluit (als bedoeld in art. 3:39 BW Pro respectievelijk art. 2:14 lid 1 BW Pro) en dus niet tot ‘slechts’ vernietigbaarheid van het besluit (op grond van art. 2:15 lid 1 onder Pro a BW). [23] Het bepalen van de inhoudelijke strekking van het bewuste geschrift (de stemverklaring of het integrale besluit) is een uitlegkwestie. Aangenomen wordt dat daarbij in beginsel objectieve maatstaven moeten worden aangelegd, waarbij slechts voor derden kenbare feiten en omstandigheden, in het bijzonder de tekst, een rol kunnen spelen. [24]
Prisma Shoesvan Uw Raad moet ook worden afgeleid dat een benoemingsbesluit ook besloten kán liggen in een door alle aandeelhouders ondertekende arbeidsovereenkomst (waarin de werknemer als statutair bestuurder is aangeduid). [28] De enkele ‘opstelling’ of het ‘gedrag’ van de persoon die al dan niet als statutair bestuurder is benoemd, kan echter niet meebrengen dat moet worden aangenomen dat deze persoon wel of niet als statutair bestuurder is benoemd. [29] Dat iemand zich voordoet als statutair bestuurder door bevoegdheden te pretenderen die aan het bestuur toekomen, maakt hem of haar nog geen statutair bestuurder, [30] ook al kan deze persoon voor de toepassing van specifieke leerstukken – zoals bestuurdersaansprakelijkheid – mogelijkerwijs met een statutair bestuurder worden gelijkgesteld. [31] Spiegelbeeldig geldt dat de ‘stroman’, die slechts op papier iets te zeggen heeft, statutair bestuurder kan zijn. Het gaat nu eenmaal om een formele rechtstoestand die – behoudens specifieke wettelijke uitzonderingen – afhankelijk is van het bestaan van een benoemingsbesluit. Van dat besluit moet blijken.
te allen tijdeworden ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming. De wet beperkt de ontslaggronden niet. De ontslaggrond kan, maar hoeft dus niet te zijn gelegen in bijvoorbeeld disfunctioneren of verwijtbaar gedrag van de bestuurder of de financieel-economische omstandigheden. Een belanghebbende, onder wie de gewezen bestuurder, kan op de voet van art. 2:15 BW Pro vernietiging van het ontslagbesluit vorderen. In deze zaak speelt dat overigens geen rol.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1richt IIF klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 5. naar aanleiding van grief 1 dat de bewijslast van de stelling dat [verweerder] statutair bestuurder was op IIF rust. Volgens IIF geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 2.1-Iklaagt IIF dat het onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat grief 1 van IIF doel mist, nu IIF geen vernietiging van de tussenvonnissen heeft verzocht.
Promneftstroy c.s./Yukos Finance c.s.dat het “
[b]ij beantwoording van de vraag tegen welke uitspraak een rechtsmiddel wordt ingesteld,(…)
[aankomt] op hetgeen een verweerder dienaangaande redelijkerwijs heeft moeten begrijpen.” [45] Er is gelet op deze maatstaven dus geen reden om appellant af te rekenen op een minder accuraat geformuleerd petitum in de memorie van grieven als de grieven zelf buiten twijfel stellen tegen welke uitspraken het hoger beroep is gericht. [46] Het hof is dus van een verkeerde maatstaf uitgegaan.
subonderdeel 2.2-Ivalt in de kern samen met de falende voortbouwklacht in subonderdeel 2.1-III en faalt daarom ook.
uitnodiging/agenda” voor de vergadering van 27 juni 2011, de verslaglegging van de vergadering, (de tekst van) de arbeidsovereenkomsten tussen [verweerder] en IIF, de inschrijving in het handelsregister en de wijze waarop [verweerder] zich intern en extern presenteerde. Het hof heeft echter niet aan al deze feiten en omstandigheden evenveel gewicht toegekend.
speciaal daartoe bijeengeroepen algemene vergadering van aandeelhouders”. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft evenmin tot uitgangspunt genomen dat een benoemingsbesluit uit notulen van één of andere vergadering moet blijken, zodat de klacht ook in zoverre feitelijke grondslag mist. Wél heeft het hof geconstateerd dat uit de “
uitnodiging/agenda” voor de vergadering die op 27 juni 2011 heeft plaatsgevonden – volgens de rechtbank een bestuursvergadering van de Stichting (rov. 2.10 van het eindvonnis) – en uit de verslaglegging van die vergadering niet blijkt van een benoeming van [verweerder] als statutair bestuurder van IIF, zodat deze “
uitnodiging/agenda” en de verslaglegging geen bewijs opleveren van een benoemingsbesluit. Daar komt dan nog bij dat het hof betekenis heeft toegekend aan het feit dat een getuige, [betrokkene 1] , die destijds bestuurder van de Stichting was, heeft verklaard dat op de bewuste vergadering
niethet besluit genomen is [verweerder] aan te stellen tot statutair bestuurder van IIF. Het betoog van IIF – voor zover zij dat al concreet heeft gemaakt – dat [verweerder] zich zowel intern als extern presenteerde als statutair bestuurder van IIF hoefde het hof mijns inziens niet op andere gedachten te brengen, gelet op wat hiervoor in randnummer 3.6 aan de orde kwam.
“[e]nige vastlegging van de voor [verweerder] als statutair bestuurder en IFF(lees: IIF, A-G]
over en weer geldende rechten en verplichtingen per 27 juni 2011 ontbreekt.” Dat de benoeming van een statutair bestuurder (doorgaans) gepaard zou gaan met de vastlegging van “
over en weer geldende rechten en verplichtingen” valt niet goed in te zien. Wellicht heeft het hof de taakstelling en bevoegdheden van de bestuurder op het oog gehad. Hoe dan ook, dit ondergeschikte element in de overwegingen van het hof maakt niet onbegrijpelijk diens oordeel dat niet is gebleken dat op 27 juni 2011 een algemene vergadering van aandeelhouders van IIF heeft plaatsgevonden waarin [verweerder] als bestuurder is benoemd.
buiten vergaderingmoet zijn genomen. In het oordeel van het hof in rov. 6. ligt echter besloten dat ook niet blijkt van een benoemingsbesluit dat buiten vergadering is genomen. Het besluit hoefde
als zodanigweliswaar niet op schrift te worden gesteld, maar de stemmen moesten wel schriftelijk worden uitgebracht (zie randnummer 3.4 hiervoor). Van dergelijke documentatie van een aandeelhoudersbesluit dat buiten vergadering is genomen, is volgens het hof niet gebleken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.2-IIklaagt IIF verder dat het hof “
vervolgens dus ook” heeft miskend dat “
wel voldoende is gebleken voor het aannemen van een benoemingsbesluit op 27 juni 2011 in het licht van het feit dat de ondertekening op 27 juni 2011 ter vergadering van de Stichting door de bestuurder [betrokkene 1] van de Stichting als enig aandeelhouder enerzijds [verweerder] anderzijds tot inschrijving in de KvK van [verweerder] als algemeen en zelfstandig bevoegd bestuurder, zeker in combinatie met de daarop [volgende] inschrijving op 22 augustus 2011 en de uitvoering daarvan moet worden gekwalificeerd als een geldig benoemingsbesluit als bedoeld in art. 2:242 BW Pro.” (in het origineel is alleen “
wel” gecursiveerd, A-G)
11 Inschrijving” en “
functionaris voor een rechtspersoon” met een datumstempel van 22 augustus 2011. Inderdaad strekt het formulier ertoe dat [verweerder] wordt ingeschreven als “
bestuurder” (dus statutair bestuurder) van “
InvestInFuture Holding BV” (zie het formulier onder 4.1). Het formulier vermeldt onder 4.4 dat [verweerder] als functionaris “
alleen bevoegd” is en onder 4.5 dat hij op 27 juni 2011 in functie is getreden. Het formulier is onder 3.2 getekend door [verweerder] en onder 11.1 door [betrokkene 1] . Het hof heeft in rov. 6. ook aangenomen dat “
[verweerder] op enig moment als statutair directeur van IIF in het register van de Kamer van Koophandel is ingeschreven”.
moetworden gekwalificeerd als een geldig benoemingsbesluit. Dat kan onder omstandigheden, maar moet niet. Het was aan het hof als feitenrechter om in het licht van de feiten en omstandigheden te bepalen welke betekenis het KvK-formulier heeft. Het gaat daarbij om een feitelijk oordeel dat in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Hetzelfde geldt voor zover IIF betoogt dat in het KvK-formulier een aanwijzing besloten ligt dat (voorafgaande aan het indienen van het KvK-formulier) een benoemingsbesluit is genomen. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof het KvK-formulier niet als benoemingsbesluit heeft aangemerkt en de in het KvK-formulier besloten liggende aanwijzing voor het bestaan van een benoemingsbesluit onvoldoende zwaarwegend heeft geacht. Daarbij heeft het hof betekenis toegekend aan de verklaring van de getuige [betrokkene 1] , die het KvK-formulier heeft ondertekend en die heeft verklaard dat tijdens de vergadering op 27 juni 2011 niet het besluit is genomen [verweerder] aan te stellen tot statutair bestuurder van IIF en dat dat ook niet de intentie was. Ik merk daarbij nog op dat de rechtbank in rov. 2.8 en 2.9 van het eindvonnis heeft weergegeven wat de getuige [betrokkene 1] uit de doeken heeft gedaan over wat volgens hem wél is gebeurd en over wat wél de intentie was. Kort gezegd was het volgens deze verklaringen de bedoeling om [verweerder] tijdens een bestuursvergadering van de Stichting op 27 juni 2011 een ‘mandaat’ te geven om namens IIF op te treden (met een bepaalde limiet), terwijl het stichtingsbestuur zicht zou houden op IIF, en was er geen sprake van ‘delegatie’. Het hof heeft hieruit – net als de rechtbank – afgeleid dat het KvK-formulier niet, in ieder geval niet voldoende eenduidig, kan worden begrepen als een benoemingsbesluit en dat het KvK-formulier er ook niet voldoende eenduidig op wijst dat een benoemingsbesluit voorafgaande aan het indienen van het formulier is genomen.
subonderdeel 2.2-IIbklaagt IIF dat het hof in rov. 6. “
[g]elet op het in onderdeel 2.2-IIa gestelde” heeft miskend “
dat het bij toepassing van de juiste maatstaf bij zijn beoordeling voor de vraag of er een benoemingsbesluit is genomen de navolgende feiten en omstandigheden[had]
moeten betrekken(…).” Daarna volgt in het subonderdeel een lange opsomming van – achtereenvolgens – stellingen en standpunten in de memorie van grieven, vaststellingen door de rechtbank en stellingen en standpunten van IIF in andere processtukken, gevolgd door een evenzeer lange samenvatting.
dan ook”) voort op subonderdeel 2.2-IIb, bevat grotendeels herhaling, en behoeft in zoverre geen bespreking. Ik besteed slechts aandacht aan het betoog van IIF op p. 19 van de procesinleiding dat (i) [betrokkene 1] als getuige kennelijk heeft miskend “
dat het ondertekenen door [betrokkene 1] namens de Stichting als enig aandeelhouder, zeker in combinatie met het feit dat [verweerder] aldus ook heeft getekend en dat dit vervolgens op 22 augustus 2011 daadwerkelijk bij de KvK is ingediend, moet worden gekwalificeerd als een benoemingsbesluit” en dat (ii) in dat kader, anders dan het hof – aldus de klacht – in rov. 6. heeft overwogen, “
juist wel” van belang is wat IIF over de persoon van de getuige en de geloofwaardigheid heeft gesteld.
in hoger beroep het nodige op de verklaring van de door haar zelf voorgebrachte getuige [betrokkene 1] [heeft] aan te merken, maar bij gelegenheid van het getuigenverhoor bij de rechtbank(…)
van die bedenkingen niets [heeft] laten blijken en ter zake geen vragen [heeft] gesteld.” Daarmee heeft het hof in wezen slechts geconstateerd dat de betrokken argumenten niet bij eerste gelegenheid naar voren zijn gebracht. Aan die omstandigheid mocht het hof betekenis toekennen bij de waardering van die argumenten en het verbaast niet dat het hof heeft gemeend dat zij daardoor minder zeggingskracht hebben. Tot slot: IIF verwijst naar vindplaatsen van stellingen met betrekking tot de geloofwaardigheid van de getuige, maar klaagt niet dat (en legt ook niet uit waarom) deze stellingen zo sprekend zijn dat het hof daaraan niet zonder nadere motivering voorbij kon gaan.
subonderdeel 2.2-IIdbevat een voortbouwklacht, die met het voorgaande faalt.
onderdeel 2.3klachten tegen rov. 7. van het bestreden arrest, waarin het hof – samengevat – heeft geoordeeld dat iedere grond ontbreekt voor het betoog van IIF dat [verweerder] ná 27 juni 2011 als statutair bestuurder is benoemd. Volgens IIF geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. De klacht wordt in subonderdelen 2.3-I tot en met 2.3-III uitgewerkt.
subonderdeel 2.3-IIklaagt IIF dat het hof in rov. 7. is uitgegaan van een onjuiste maatstaf voor de benoeming van statutair bestuurders “
in een geval als het onderhavige” en dat het heeft miskend dat een benoemingsbesluit dat door alle aandeelhouders is genomen in beginsel vormvrij is. Volgens de klacht is, anders dan het hof heeft overwogen, niet van belang dat IIF niet exact kan aangeven op welke vergadering de benoeming zou hebben plaatsgevonden indien dat niet zou zijn geweest op 27 juni 2011.