Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
HUWELIJKSE VOORWAARDEN:Uitsluiting gemeenschap van goederen.Artikel 1.
Artikel 2.
Schulden zijn voor rekening van de echtgenoot die ze heeft aangegaan of deed ontstaan.
(...)”
De vrouw heeft de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] . Die is haar eigendom. Ze hebben samengewoond en er zijn 3 kinderen. Deze kinderen zijn erkend door de vader.
Het is de bedoeling dat de waarde van de woning in geval van eventuele echtscheiding aan de kant van de vrouw blijft. Behalve de woning van de vrouw zijn er geen zaken van betekenis die als aanbrengsten vermeld moeten worden.
Een tweede reden om de huwelijkse voorwaarden te maken is het voornemen van de man om wellicht een eigen onderneming te beginnen. In dat geval is het beter om géén gemeenschap van goederen te hebben, zodat bij een faillissement van de ondernemer toch nog vermogen buiten bereik van de schuldeisers blijft. (…)”
Het bestreden vonnis op grond van art. 351 Rv Pro zal schorsen;
In de hoofdzaak:
Primair:
I. De vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen gebaseerd op de investering in de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] , althans deze vorderingen af te wijzen;
Subsidiair:
II. De vorderingen van de vrouw zal afwijzen door te verklaren voor recht dat er op grond van de redelijkheid en billijkheid een (pseudo) mede-eigendom was ontstaan van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] , waardoor de vrouw geen vergoedingsvordering toekomt;
Primair en subsidiair:
III. Zal bepalen dat de man van de vrouw vanwege de overwaarde van de [b-straat 1] te [plaats] een bedrag van € 20.000,- te vorderen heeft en zal bepalen dat de vrouw dit bedrag aan de man dient te voldoen.
De vrouw heeft bij wijze van wijziging/vermeerdering van eis gevorderd dat het hof de man zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 76.400,04 wegens haar investering in de woning waarbij de man de vordering ten belope van € 20.000,- die hij op de vrouw heeft wegens overbedeling van de vrouw bij toedeling van de woning, zoals bepaald in het vonnis van de kantonrechter, mag compenseren. De vrouw heeft hiertoe – samengevat – aangevoerd dat zij haar eis wijzigt/vermeerdert omdat de formulering die de rechtbank in het dictum heeft opgenomen tot problemen leidt en het inhoudelijk geen wijziging betreft. [23]
In het incidenteel hoger beroep heeft het hof het tussen de partijen gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland van 15 november 2018 wat betreft het dictum onder 5.1 vernietigd en, in zoverre opnieuw recht doende, de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 76.400,04 wegens haar investering in de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] , onder aftrek van/verminderd met de vordering van € 20.000,- die de man op de vrouw heeft vanwege overbedeling van de vrouw bij toedeling van die woning aan haar. Dit arrest is wat betreft de hiervoor weergegeven veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof heeft in het principaal en incidenteel beroep het voornoemde vonnis van de rechtbank voor het overige bekrachtigd, de kosten van het hoger beroep – inclusief die van het incident – tussen de partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen. [26]
Tegen de vrouw is verstek verleend.
De man heeft afgezien van het geven van een schriftelijke toelichting.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
verjaring2.6 Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben op 23 juni 2004 bij notariële akte huwelijkse voorwaarden gemaakt. Zij hebben daarin – voor zover in deze procedure van belang – iedere gemeenschap van goederen uitgesloten (en een regeling voor de kosten van de huishouding getroffen). De huwelijkse voorwaarden bevatten een regeling voor vergoedingsrechten. De wet kent in de artikelen 1:95 en 96 BW een regeling voor vergoedingsrechten op grond van vorderingen tussen echtgenoten, die zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. De vordering uit hoofde van deze in de wet geregelde vergoedingsrechten valt niet onder één van de in de wet opgenomen uitzonderingen op de algemene bevrijdende verjaringstermijn van 20 jaar. Een wettelijke regeling voor vergoedingsrechten in het geval echtgenoten huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan, ontbreekt. De Hoge Raad staat analoge toepassing van de vergoedingsregeling van de artikelen 1:95 en 96 BW voor (zie HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150 m.nt. EAAL (Kriek/Smit)). Dat de vordering eerst opeisbaar zou zijn bij ontbinding van het huwelijk of een daaraan gerelateerd tijdstip is niet juist. Dat zou alleen het geval zijn indien partijen dat zouden zijn overeengekomen en dat is niet gebleken. Gesteld noch gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over het tijdstip van nakoming, zodat de vordering van de vrouw eind 2006 (de periode van levering van de woning aan de [a-straat 1] aan een derde en de daaropvolgende aflossing van de overbruggingslening) opeisbaar was. Wat hiervan zij, de verjaring is echter nog niet voltooid, omdat in dit geval de algemene verjaringstermijn van 20 jaar van artikel 3:306 BW Pro heeft te gelden. Dat betekent dat het beroep op verjaring van de man faalt en zijn primaire verweer zal daarom worden afgewezen.”
NJ1988/150 m.nt. E.A.A. van Luijten (
Kriek/Smit). [38]
Kriek/Smit-arrest erkende de Hoge Raad namelijk het bestaan van vergoedingsrechten tussen buiten iedere gemeenschap gehuwde echtgenoten en sloot daarbij aan bij de voor de huwelijksgemeenschap geldende regeling van ‘réprise’ (het recht van een echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld van de gemeenschap is voldaan, op vergoeding uit de goederen van de gemeenschap) en ‘récompense’ (het gehouden zijn door de echtgenoot wiens niet in de gemeenschap gevallen schuld uit goederen van de gemeenschap is voldaan, tot vergoeding aan de gemeenschap) in art. 1:95 lid 2 en Pro art. 1:96 lid Pro 2 (oud) BW (thans art. 1:96 lid 4 BW Pro en art. 1:96 lid 5 BW Pro [39] ). Het ging in het arrest om een geval waarin de man op eigen naam een woning had verworven die deels gefinancierd was met geld van de vrouw. De Hoge Raad overwoog onder meer het volgende:
(…)
3.4 (…) Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen, strekt een vergoedingsrecht als daar bedoeld in beginsel tot terugbetaling van een gelijk bedrag als destijds ten laste van de ene echtgenoot voor de financiering van het goed op naam van de andere echtgenoot is gebezigd. Uitzonderingen op grond van de eisen van de goede trouw zijn evenwel niet geheel uitgesloten.
NJ1992/651 m.nt. E.A.A. Luijten (
Moret/Visser) is ook in een situatie die hierdoor wordt gekenmerkt dat de woning op naam van beide echtgenoten, ieder voor de helft, is verkregen, terwijl deze in overwegende mate door een der echtgenoten, hier de vrouw, is gefinancierd — er plaats voor een vergoedingsrecht als bedoeld in het
Kriek/Smit-arrest. [41] De Hoge Raad overwoog voorts in het arrest van 10 januari 1992 dat er in het geval van de gezamenlijke verkrijging door de echtgenoten van een onroerende zaak geen plaats is voor een correctievergoeding op grond van het feit dat zich op de onroerendgoedmarkt de laatste tientallen jaren een ontwikkeling heeft voorgedaan waardoor een woning sterk in waarde is gestegen of gedaald omdat partijen door die gezamenlijke verkrijging het risico van waardestijging en -daling zouden hebben verdisconteerd. [42] De Hoge Raad heeft ook nadien bij herhaling beslist dat in dergelijke gevallen slechts nominale vergoedingsrechten ontstaan. [43]
Volgens art. 1:87 lid Pro 4, tweede volzin, BW is geen vergoeding verschuldigd voorzover door de verkrijging, voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot wordt voldaan aan een op die echtgenoot rustende verbintenis.Hierbij moet men denken aan een verbintenis uit geldlening, een verbintenis uit gift of een natuurlijke verbintenis. [55] Daarnaast is art. 1:87 BW Pro niet van toepassing indien er een vergoedingsrecht ontstaat buiten de in het eerste lid van art. 1:87 BW Pro genoemde twee gevallen. Kraan noemt als voorbeelden het betalen door een echtgenoot van een schuld van de andere echtgenoot die niet betrekking heeft op een goed of het overboeken van geld op de rekening van de andere echtgenoot. [56] Op dergelijke niet onder art. 1:87 BW Pro vallende vergoedingsrechten – waarvoor de wet ook elders geen regeling bevat – blijft de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad (kortweg de nominaliteitsleer van het arrest
Kriek/Smit) van toepassing. [57] En – zoals van belang is voor de onderhavige zaak – is in art. V van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen als regel van overgangsrecht bepaald dat art. 1:87 BW Pro slechts van toepassing is op vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet (te weten 1 januari 2012) plaatsvinden. Op de vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die vóór dat tijdstip hebben plaatsgevonden, blijft het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Het vóór 1 januari 2012 geldende recht wordt derhalve geëerbiedigd en de rechtspraak van de Hoge Raad tot dan toe blijft dus in zijn geheel van belang voor vergoedingsrechten waarop het vóór 1 januari 2012 geldende recht van toepassing is. [58]
Kriek/Smit-arrest. [63] Dit geldt m.i. evenzeer voor vergoedingsrechten van echtgenoten die na 2012 zijn ontstaan maar die niet onder de bepaling van art. 1:87 BW Pro vallen.
Kriek/Smit-arrest geldt waarin is beslist dat over deze vorderingen pas de wettelijke rente verschuldigd is nadat de echtgenoot, die de vordering diende te voldoen, na ingebrekestelling in verzuim is. [67]
put-optie(de onbeperkte mogelijkheid tot aflossing) voor de echtgenoot-eigenaar van het goed en tot een
call-optie(de onbeperkte mogelijkheid van opeising) voor de financierende echtgenoot. [73]
verlengingsgrondwerd gecreëerd (art. 3:321 BW Pro). Dit betekent dat, wanneer een verjaringstermijn zou aflopen tijdens het bestaan van de verlengingsgrond of binnen zes maanden na het verdwijnen van die grond – door echtscheiding bijvoorbeeld –, de verjaringstermijn doorloopt totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn verstreken. Zie art. 3:320 BW Pro.”
Asser/Sieburgh 6-II2021/428 dat, zo de schuld tijdens het huwelijk ontstaat, de verjaringstermijn aanvangt te lopen (uiteraard indien aan de in art. 3:307-3:313 BW gestelde vereisten is voldaan), noch dat, zo de schuld vóór het sluiten van het huwelijk is ontstaan, de aangevangen verjaringstermijn ná dat tijdstip doorloopt. De wetgever heeft echter niet gewild dat de verjaring tijdens het huwelijk (althans vóór een eventuele scheiding van tafel en bed) zou kunnen aflopen, omdat dit de goede verstandhouding tussen de echtgenoten in gevaar zou kunnen brengen. Zonder nadere bepaling immers zou, aldus
Asser/Sieburgh 6-II2021/428, de schuldeiser-echtgenoot stuitingshandelingen moeten verrichten om te voorkomen dat de vordering verjaart.
Het wetsvoorstel Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen besteedt aan de verjaring van vergoedingsrechten geen aandacht. Dat is opmerkelijk omdat nu juist de wettelijke regeling van de vergoedingsrechten één van de kernpunten is van de aanpassingen en bovendien een regeling inhoudt die niet alleen ziet op het wettelijk stelsel maar met name betrekking heeft op alle andere huwelijksgoederenregimes. [96] Het zou een goede gelegenheid geweest zijn om ook voor de vergoedingsrechten een eenduidige regeling van de verjaring in de wet op te nemen.
De argumenten die ertoe hebben geleid om voor de verrekenvordering uit hoofde van het niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding een termijn van tenminste 3 jaar na ontbinding van het huwelijk in de wet op te nemen zijn ook onverkort van toepassing op de vergoedingsrechten. [97] De minister vond een termijn van 6 maanden na echtscheiding te kort voor deze verrekenvorderingen omdat juist in de eerste periode na het uiteengaan de emoties de overhand hebben en het in die omstandigheid niet passend zou zijn om de verrekenvordering zo snel te laten verjaren. [98] Voor de aanspraken uit hoofde van bestaande vergoedingsrechten lijkt mij dit niet anders. [99] Anderzijds zou evenzo een wettelijke regeling op zijn plaats zijn die de termijn beperkt. Overeenkomstig de verjaringstermijn van een (periodieke) verrekenvordering zou de verjaring geregeld kunnen zijn aldus dat een vordering uit hoofde van een vergoedingsrecht verjaart door een tijdsverloop van 3 jaar na de ontbinding van het huwelijk.
Volgens
subonderdeel 1.1is het oordeel van het hof in rov. 2.6 dat in dit geval de algemene verjaringstermijn van 20 jaar van art. 3:306 BW Pro heeft te gelden onjuist. Het hof miskent volgens het subonderdeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van vergoedingsrechten uit hoofde van huwelijkse voorwaarden. Daarop is niet de 20-jarige termijn van toepassing, maar de 5-jarige termijn van art. 3:307 lid 1 BW Pro [100] , althans die van 3:308, 3:309 of 3:310 lid 1 BW. [101]
subonderdeel 1.3wordt geklaagd dat mocht het hof hebben gemeend dat de vordering van de vrouw geen betrekking heeft op de nakoming van een verbintenis uit de huwelijkse voorwaarden, althans dat deze vordering betrekking heeft op een in de wet geregeld vergoedingsrecht dat onbegrijpelijk is. In rov. 2.6 overweegt het hof immers, aldus het subonderdeel, dat de huwelijkse voorwaarden een regeling voor vergoedingsrechten bevatten, terwijl het hof in rov. 2.4 overweegt dat hetgeen de vrouw uit haar vermogen ten bate van het vermogen van de man heeft onttrokken ingevolge de huwelijkse voorwaarden (artikel 10) nominaal aan haar vergoed moet worden. [102]
Kriek/Smit-arrest) onverkort van toepassing (zie ook hiervoor onder 3.15, laatste alinea). In art. V van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen is als regel van overgangsrecht namelijk bepaald dat art. 1:87 BW Pro slechts van toepassing is op vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van verkrijgingen, voldoeningen of aflossingen die na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet (te weten 1 januari 2012) plaatsvinden.
Kriek/Smit-arrest) waarbij naar analogie wordt verwezen naar de in de wet geregelde vergoedingsrechten. Ik ben dan ook, net als Breederveld, van opvatting dat er bij een vergoedingsrecht, zoals in onderhavige zaak aan de orde is, geen sprake is van een rechtsvordering die voortvloeit uit een overeenkomst tussen de echtgenoten of van een vordering tot periodieke betaling. [103] De vordering uit hoofde van een huwelijksvermogensrechtelijk vergoedingsrecht vindt zijn grondslag in de wettelijke regeling (al dan niet op grond van analoge toepassing in de jurisprudentie) en valt niet onder een van de in de wet opgenomen uitzonderingen op de algemene verjaringstermijn van twintig jaar. Het zou bovendien een rare discrepantie opleveren indien een rechtsvordering uit hoofde van een in de wet geregeld vergoedingsrecht (zoals de regeling in art. 1:95 en Pro 1:96 BW voor vergoedingsrechten op grond van vorderingen tussen echtgenoten die gehuwd zijn in de wettelijke gemeenschap van goederen) een twintigjarige verjaringstermijn kent en de rechtsvordering vanwege een hier aan de orde zijnde vergoedingsrecht een vijfjarige verjaringstermijn kent. Het hof is in rov. 2.6 dan ook terecht van een verjaringstermijn van twintig jaar uitgegaan.
omvangvan een eventueel vergoedingsrecht (te weten: een in beginsel nominale vordering) maar vormt niet de grondslag voor het ontstaan van de vergoedingsvordering. Immers, ook zonder deze bepaling in de huwelijkse voorwaarden was bij de (grotendeelse) aflossing door de vrouw eind 2006 van het overbruggingskrediet voor de gezamenlijke woning het vergoedingsrecht ontstaan op grond van de onder het oude recht ontwikkelde rechtspraak van de Hoge Raad die ziet op vergoedingsrechten tussen buiten gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoten (zie het juridisch kader onder (ii)).
onderdeel 2wordt geklaagd dat het hof in rov. 2.6 – in strijd met art. 24 Rv Pro – bovendien buiten de rechtsstrijd is getreden door te oordelen dat de 20-jarige termijn van toepassing is, terwijl geen der partijen dit gesteld heeft, de man uitging van de 5-jarige termijn en ook de vrouw zich (ter zitting bij het hof) expliciet op het standpunt heeft gesteld dat de 5-jarige termijn van toepassing is. [104]
Verjaring
3. De vrouw heeft zich in haar memorie van antwoord tevens nog beroepen op een vonnis in kort geding, welke is bijgevoegd als productie 1. Ze verwijst naar dit vonnis om ogenschijnlijk aan te tonen dat de man van de mogelijke vordering wist. Dat is echter onvoldoende om de stuiting van de verjaring aan te tonen. Zoals uit het vonnis blijkt is de mogelijke vordering genoemd in het feitencomplex van de kortgedingdagvaarding en is niet de vordering ingesteld. Het kan daarom niet gelden als een stuitingshandeling in verband met het instellen van een eis, zoals bedoeld in artikel 3:316 BW Pro. Daarnaast is niet gebleken van enige schriftelijke aanmaning of mededeling van de vrouw aan de man waarin de vrouw ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehoudt, zoals bedoeld in artikel 3:31[7] Het slechts noemen van een mogelijke vordering is daarvoor onvoldoende en heeft geen rechtsgevolg. De man persisteert er daarom bij dat de vrouw te laat is geweest met het instellen van haar vordering, waardoor deze is verjaard.”
'De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige vordering in beginsel niet opeisbaar wordt voordat de relatie ten einde komt, dan wel de woning (met winst) wordt verkocht aan een derde. De rechtbank betrekt in dit oordeel de redelijkheid en billijkheid die gelden tussen deelgenoten, bezien in het licht dat deze deelgenoten uit hoofde van een affectieve relatie in een gemeenschappelijke woning (min of meer) samenwoonden.'
Dus de verjaringstermijn is vijf jaren.
€150.000,- hoger zijn geweest. Dan was dus ook de schuld hoger geweest en had de man ook een hogere schuld gehad. Het zijn communicerende vaten. Artikel 1:141 BW Pro is eigenlijk niet van toepassing.
De voorzitter houdt partijen voor dat, indien zou blijken dat de verjaring niet zou zijn gestuit, de vordering van de vrouw desalniettemin verrekend kan worden.
(…)”