Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Klacht Ibetreft het oordeel in rov. 4.2 dat Portaal bepaalde bedragen heeft afgeboekt op de oude huurschuld.
Klacht II betreft het oordeel in rov. 4.3 over de verrekening van de servicekosten. Volgens
klacht IIIis het hof met zijn oordeel in rov. 4.4 dat sprake is van een beslagverbod buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
Klacht IVbetreft het oordeel over de strekking van de uitzondering op het beslagverbod van art. 45 Awir Pro.
Klacht Vbetreft het oordeel in rov. 4.5 dat de ontbinding niet gerechtvaardigd is.
Klacht VIbevat een louter voortbouwende klacht.
Om de omvang van de nieuwe huurschuld op de peildatum (22 januari 2019) te kunnen berekenen, dient het hof te bepalen of tot de peildatum de verschillende bedragen die (i) in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 door huurder zijn betaald (€5.759,48; rov. 4.2), (ii) door Portaal wegens te veel betaalde voorschotten servicekosten aan huurder verschuldigd waren geworden (€ 25,34 en € 318,65; rov. 4.3) dan wel (iii) door Portaal krachtens het beslag op de huurtoeslag (door het hof huursubsidie genoemd) ontvangen waren (€ 1.781,59; rov. 4.4), moeten worden toegerekend aan de oude dan wel aan de nieuwe huurschuld.
Na te hebben overwogen dat de verschillende bedragen moeten worden toegerekend aan de nieuwe huurschuld (rov. 4.2-4.4) komt het hof in rov. 4.5 tot de volgende berekening van de nieuwe huurschuld: € 8.063,38 (de in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 maandelijks ontstane verplichtingen tot betaling van de huur) verminderd met € 5.759,48 (door huurder verrichte betalingen), verminderd met € 1.781,59 (het door Portaal in 2018 krachtens het beslag op de huurtoeslag geïnde bedrag) en verminderd met € 25,34 en € 318,65 (de vaststelling in 2018 van de in 2017 te veel betaalde servicekosten), zodat resteert als nieuwe huurschuld € 178,32.
“deze betalingen [van de huurder van in totaal € 5.759,48 in de periode van november 2017 tot 22 januari 2019; plv.] hadden moeten worden afgeboekt op de verschuldigde huurtermijnen over de periode van november 2017 tot 22 januari 2019, en niet op de oude huurschuld”. Volgens de klacht is deze overweging onjuist althans onbegrijpelijk, omdat Portaal deze betalingen wel degelijk heeft afgeboekt op de huurtermijnen over de periode van november 2017 tot 22 januari 2019 en niet op de oude huurtermijnen.
klacht IIis rov. 4.3 onjuist althans onbegrijpelijk, omdat degene die zich op verrekening beroept in beginsel een vrije keuze heeft welke vordering en schuld hij in zijn beroep op verrekening betrekt. Dit volgt uit de artikelen 6:127 lid 1 en 6:137 lid 1 BW en sluit aan bij artikel 6:43 lid 1 BW Pro. Men komt pas toe aan artikel 6:43 lid 2 BW Pro als de verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit het overzicht van 17 juni 2019 blijkt dat Portaal de servicekosten wilde verrekenen met de oude huurschuld, zoals het hof onderkent in rov. 4.3. Dat Portaal pas vlak voor de zitting de verrekeningsverklaring heeft gedaan, is rechtens niet relevant. Evenmin is relevant dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over afwijking van de artikelen 6:137 en 6:43 lid 2 BW, nu partijen daarvan niet zijn afgeweken, aldus de klacht.
Artikel 6:137 lid 1 BW Pro bepaalt dat wanneer een verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke verbintenissen in de verrekening zijn betrokken, de volgorde van toerekening zoals aangegeven in de artikelen 6:43 en 6:44 BW geldt.
Artikel 6:43 lid 1 BW Pro bepaalt dat wanneer een schuldenaar een betaling verricht die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser, de toerekening geschiedt op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst. Wanneer een dergelijke aanwijzing ontbreekt, bepaalt art. 6:43 lid 2 BW Pro de toerekening van de betaling op de verbintenissen. De toerekening geschiedt dan in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er meerdere opeisbare verbintenissen, dan geschiedt de toerekening in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.
Artikel 6:44 lid Pro BW geeft de imputatieregeling voor geldschulden. Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.
klacht IIIis het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. De vraag of het beslag nietig is en de daarmee verband houdende vraag of Portaal de geïnde bedragen rechtsgeldig kon afboeken op de oude huurschuld zijn niet in het partijdebat aan de orde gekomen. De huurder is in de memorie van grieven slechts ingegaan op de vraag in welke volgorde de geïnde bedragen in mindering moeten worden gebracht op de hoofdsom, rente en kosten. Het hof mocht gelet op de reikwijdte van het partijdebat niet (ambtshalve) de rechtmatigheid van het beslag beoordelen. Van een uitzondering op de regels van openbare orde is hier geen sprake, aldus de klacht.
In de memorie van grieven (nr. 10) heeft huurder aangevoerd dat beslag op huurtoeslag alleen mogelijk is voor een huurschuld; en dat ook de betalingen die volgen uit het beslag op de huurschuld in mindering dienen te strekken.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is vervolgens aan de orde gekomen de vraag aan welke schulden de inkomsten uit de huurtoeslag moeten worden toegerekend (zie het proces-verbaal van de zitting van het hof van 13 oktober 2020, p. 2, onderaan). Daarop is een debat gevolgd over de vraag of de wet toelaat om de krachtens het beslag geïnde bedragen toe te rekenen aan de rente en kosten in verband met de incasso van een huurschuld (p. 3). Tevens heeft de advocaat van de huurder desgevraagd verklaard: “
[Huurder] heeft alle huurtermijnen voldaan en een deel van de incassokosten betaald. Dit was ten tijde van de comparitie in eerste aanleg. Vijf maanden na de dagvaarding. Vóór de eerste zitting was er al geen huurschuld meer.” (p. 5).
Het hof overweegt in rov. 4.4 onder meer dat huurder heeft aangevoerd dat Portaal geen beslag had mogen leggen op de huursubsidie omdat beslag daarop wettelijk is uitgesloten.
Klacht IIIslaagt naar mijn mening niet.
De huursubsidie was bedoeld om [huurder] beter in staat te stellen om aan zijn verplichting tot betaling van de lopende huurtermijnen te voldoen. Dat is iets anders dan de voldoening van de huurschuld uit 2017. Zou de huursubsidie worden gebruikt voor de schuld uit andere jaren, zoals Portaal dat heeft gedaan door de beslagopbrengsten op de schuld uit 2018 af te boeken, dan wordt daarmee het tijdgebonden karakter van de huursubsidie miskend. De subsidie, die inkomstenafhankelijk is, wordt immers steeds slechts voor een bepaalde periode toegekend. Het beslag frustreert daarmee de besteding van de huursubsidie aan de uitgaven waarvoor die wordt verleend.
In lijn met de bedoelingen van de wetgever met het verstrekken van de huursubsidie en het beslagverbod zal het hof de door de beslaglegging geïnde huursubsidie dan ook in mindering brengen op de huurvordering die in de onderhavige procedure is ingesteld. Het hof houdt daarom geen rekening met de kosten van het nietige, althans onrechtmatige beslag.”
klacht IVheeft het hof met het oordeel dat geen beslag mag worden gelegd op huurtoeslag voor de voldoening van een oude huurschuld en beslag op huurtoeslag alleen is toegestaan voor de voldoening van lopende huurtermijnen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd. Een verhuurder kan beslag leggen op huurtoeslag die is verstrekt voor de huur van een bepaalde woning, tot voldoening van de huur van die woning, ongeacht of de huurschuld ‘oud’ of ‘nieuw’ is. (procesinleiding nr. 2.4.1). Op grond van artikel 3:276 BW Pro kan een schuldeiser zijn vordering verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt. Op grond van artikel 45 lid 1 onder Pro a Awir kan beslag worden gelegd op huurtoeslag die is verstrekt voor de huur van een bepaalde woning, voor een huurvordering ter zake van die woning. (procesinleiding nr. 2.4.2.) Uit artikel 22 lid 7 Awir Pro blijkt ook dat beslag op een tegemoetkoming niet tijdvakgebonden is (procesinleiding nr. 2.4.3).
De klacht betoogt voorts, samengevat, dat het oordeel dat het door Portaal gelegde beslag op de huurtoeslag voor de “oude huurschuld” nietig is, onjuist althans onbegrijpelijk is, dat het hof de (ratio van) de wettelijke uitzondering van artikel 45 lid 1 onder Pro a Awir miskend en dat er geen sprake is van “een te ver verwijderd verband” bij het beslag op de huurtoeslag ten behoeve van de inning van de hier aan de orde zijnde “oude huurschuld”. (procesinleiding nrs. 2.4.7-3.4.11) Een verhuurder als Portaal mag in ieder geval binnen de met de huurder bestaande rechtsverhouding (het lopende huurcontract) beslag leggen op de huurtoeslag ter incassering van de oude huurschuld en de in verband daarmee gemaakte proces- en buitengerechtelijke kosten, die de rechter bij zijn uitspraak heeft vastgesteld. (procesinleiding nr. 2.4.12)
categorievan kosten, namelijk de kosten voor kinderen. Indien de hierbedoelde bepaling ook van toepassing zou zijn op het kindgebonden budget, dan zou dat betekenen dat vele schuldeisers beslag zouden kunnen leggen op dat kindgebonden budget. Er zijn ten slotte vele kostenposten die verband houden met kinderen. Dit acht het kabinet niet wenselijk. Om die reden wordt in deze bepaling een volzin toegevoegd die ertoe leidt dat de uitzondering opgenomen in onderdeel a niet van toepassing is op het kindgebonden budget. Dit betekent in feite dat er voor kindgebonden budget een algeheel beslagverbod geldt.”
t]er bescherming van de belanghebbende en om te waarborgen dat de toegekende tegemoetkoming daadwerkelijk wordt aangewend voor het doel waarvoor deze is bestemd”.
De onder a van die bepaling opgenomen uitzondering op het (beslag)verbod voor “
een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming” stelt bepaalde schuldeisers in staat verhaal te nemen op de met hun prestatie samenhangende tegemoetkoming. De uitzondering op het (beslag)verbod volgt daarmee de ratio van het verbod, in zoverre dat “
[d]e tegemoetkoming is (…) bedoeld de belanghebbende beter in staat te stellen aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen juist als het gaat om die prestaties.” Hiervan is onder meer sprake bij “
het beschikbaar stellen van een woning door een verhuurder” respectievelijk wanneer “
een huurder zijn huur niet betaalt”.
In de opvatting van de wetgever wordt er dus een inhoudelijk verband gelegd tussen enerzijds de vordering van de verhuurder ter zake van diens prestatie en anderzijds de toeslag die beoogt de huurder in staat te stellen deze vordering te voldoen. Er wordt geen temporeel verband gelegd tussen de vordering en de toeslag, in die zin dat de uitzondering op het (beslag)verbod slechts zou gelden voor zover het betreft een (huur)toeslag voor de periode waarop de betreffende (huur)vordering ziet. Dat is verklaarbaar, omdat bij een executoriaal beslag sprake zal zijn van schulden die zijn ontstaan in het verleden en waarvoor een titel is verkregen die ten uitvoer kan worden gelegd. [14]
In een dergelijke situatie sluipt een temporeel element in de toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel 45 lid 1 onder Pro a Awir. Het is echter niet dit element, maar de wisseling van de partij die de prestatie levert die verklaart waarom de voormalige verhuurder voor zijn ‘oude’ vordering geen beslag kan leggen op de lopende huurtoeslag.
In deze procedure maakt het hof een onderscheid tussen ‘de oude huurschuld’ tot en met oktober 2017 (waarover tussen partijen eerder een procedure is gevoerd die eindigde met het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2017 dat Portaal ten uitvoer kan leggen) en ‘de nieuwe huurschuld’ (die ziet op de periode november 2017 tot 22 januari 2019 en waarover deze procedure gaat). Zou de huurtoeslag over 2018 worden gebruikt voor een schuld uit 2017, dan wordt volgens het hof het tijdgebonden karakter van de huurtoeslag miskend. Het hof brengt de in 2018 door Portaal op grond van het beslag geïnde bedragen aan huurtoeslag daarom in mindering op de huurvordering die in de onderhavige procedure is ingesteld.
Klacht IVslaagt in zoverre.
Dergelijke omstandigheden kunnen worden gewogen in het kader van de tenzij-bepaling van artikel 6:265 lid 1 BW Pro. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Zo kan ten gunste van de schuldenaar bijvoorbeeld rekening worden gehouden met het feit dat hij na het intreden van zijn verzuim de achterstallige bedragen alsnog heeft betaald, met de aard van de desbetreffende overeenkomst, met de aard en betekenis van het beding in de naleving waarvan de schuldenaar is tekortgeschoten of met de omstandigheid dat de schuldenaar zich niet bewust was van de tekortkoming, het bestaan van een voor de schuldenaar minder bezwaarlijke mogelijkheid van redres, het belang van sociale woningbouwverenigingen of -stichtingen om de woning beschikbaar te krijgen ten behoeve van anderen die aangewezen zijn op een sociale huurwoning en het belang van de huurder om het ingrijpende gevolg van ontbinding en ontruiming te vermijden. [25]
Klacht VIbevat een op de voorgaande klachten louter voortbouwende klacht die is gericht tegen met name de rov. 4.6 tot en met 5.3 en het eindoordeel in rechtsoverweging 6. Gezien het slagen van onderdeel II en IV, slagen ook de klachten V en VI.