Conclusie
eerste middelklaagt dat “de strafmotivering de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet [kan] dragen en in strijd [is] met artikel 359 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering”. Het
tweede middelklaagt dat de oplegging van de deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij is overwogen dat de strafoplegging dienstbaar is gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten verbazing wekt en in strijd is met art. 359, tweede lid, Sv.
Feit 1:
eerste middelwordt in de kern aangevoerd dat “het beroep op de ernst van de feiten te vaag en algemeen [is] om die [de opgelegde, A-G] straf te kunnen dragen” en dat dit “temeer [geldt] waar het Hof als gezegd op twee gedachten hinkt door niet uit te sluiten dat verzoeker de wens van zijn moeder wilde uitvoeren”.
vierbewezenverklaarde feiten en hetgeen daaromtrent door het hof uitdrukkelijk in de strafmotivering wordt overwogen, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Door niet te komen tot een
geheel onvoorwaardelijkegevangenisstraf, maar een deel van de gevangenisstraf
voorwaardelijkaan de verdachte op te leggen, wordt de strafoplegging naar het kennelijke oordeel van het hof “dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten”. Dat het hof met deze deels voorwaardelijke strafoplegging onder meer toekomstgericht te werk gaat, verbaast niet en is ook geoorloofd aangezien, zoals hiervoor naar voren kwam, het de rechter vrijstaat bij de oplegging van de straf in aanmerking te nemen hetgeen in redelijkheid is te verwachten met betrekking tot het gedrag van de verdachte. Dat een deels voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in het algemeen kan bijdragen aan het voorkomen dat
eenverdachte opnieuw een strafbaar feit begaat, lijkt me overigens zonneklaar. In zoverre behoeft de voorwaardelijke strafoplegging ook geen nadere motivering. Maar ook als concreet vanuit
dezeverdachte naar de oplegging van de deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gekeken, ontstaat geen verbazing. In de strafmotivering heeft het hof met betrekking tot de houding van de verdachte namelijk overwogen dat de verdachte gedurende de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft getoond inzicht te hebben in de ernst van de bewezenverklaarde feiten, hij niet tot inkeer is gekomen en hij nog steeds zijn eigen belangen voorop stelt. Van enig inzicht of berouw in het gebeurde bij de verdachte, hetgeen naar als feit van algemene bekendheid mag worden aangenomen bijdraagt aan het voorkomen dat de verdachte opnieuw (vergelijkbaar) strafbaar handelt, is volgens het hof dus niet gebleken.